Algemene Economie Hoofdstuk 9.1
De productiefactor kapitaal = kapitaalgoederenvoorraad = bestaat uit alle goederen die in het
productieproces worden gebruikt of verbruikt
Duurzame kapitaalgoederen = gaan langer dan een periode mee
- Bijv. dijken, woningen, vergunningen, panden, rivieren, wegen, machines, gebouwen
- Ze moeten regelmatig vervangen worden, daarvoor moeten ondernemingen zogenoemde
vervangingsinvesteringen verrichten
Vlottende kapitaalgoederen = grondstoffen die verwerkt moeten worden in het eindproduct
- Ze worden getransformeerd in producten met een hogere toegevoegde waarde
Halffabricaten = ze hebben al een bewerking ondergaan, maar zijn nog niet geschikt voor
consumptie. Ze moeten in verder productieproces
- Ze worden getransformeerd in producten met een hogere toegevoegde waarde
Hulpstoffen = worden tijdens het productieproces verbruikt en is niet in het eindproduct terug te
vinden
- Bijv. energie
Voorraden eindproduct = het aanhouden van voorraden
- Het is voordeliger om de productie gelijkmatig over het jaar te spreiden, omdat er anders in
bijv. het voorjaar een veel grotere productiecapaciteit moet zijn dan in de rest van het jaar
en dat brengt veer overbodige kosten mee
Kapitaalcoëfficiënt = geeft weer hoeveel kapitaalgoederen er nodig zijn voor het vervaardigen van
een eenheid product
- Dienstensector: lage kapitaalcoëfficiënt
- Industrie: tussenpositie
- Sector die afhankelijk zijn van gebouwen en fysieke netwerken die lang meegaan: hoge
kapitaalcoëfficiënt
Investeringen = verandering van K verandering Y
Lage kapitaalcoëfficiënt: kleine investeringen
Hoge kapitaalcoëfficiënt: grote investeringen
Productiecapaciteit = de maximale hoeveelheid goederen en diensten die men in een economie kan
produceren
- Mede afhankelijk van:
o Kapitaalgoederenvoorraad
o Kapitaalcoëfficiënt
, Algemene Economie Hoofdstuk 9.2
Aanbod van arbeid = werknemers
Vraag van arbeid = werkgevers
Potentiële beroepsbevolking = de mensen tussen de 15 en 65/75 jaar
Participatiegraad =deel van de potentiële beroepsbevolking dat deelneemt aan het arbeidsproces
Brutoparticipatiegraad = werkenden en werklozen samen als percentage van de potentiële
beroepsbevolking
Nettoparticipatiegraad = het aandeel van de werkenden in de potentiële beroepsbevolking
Werkgelegenheid in personen > werkgelegenheid in arbeidsjaren (hoeveel volledige banen er zijn)
- Doordat er parttimefuncties bestaan, werken er meer personen dan er arbeidsjaren zijn
- Dit komt in uitdrukking in de zogenoemde deeltijdfactor
Deeltijdfactor = de variabele die de arbeidsjaren per persoon aangeeft
- Als mensen veel in deeltijd werken, zal de deeltijdfactor onder de 1 liggen
Werkloosheid = iemand is werkloos als hij 15 jaar of ouder is, werkzoekende en zonder baan
werkloosheidspercentage = het aandeel van de werklozen ten opzichte van werkenden en
werklozen samen
De werkloosheid blijkt sterk te schommelen met de conjunctuur:
- Hoogconjunctuur: groei van het BBP hoog, dus er zijn veel werknemers nodig
- Laagconjunctuur: groei van het BBP laag, dus er zijn weinig werknemers nodig
Werkloosheid op langer termijn = de werknemers die langer dan een jaar werkloos zijn
Tijdelijke werklozen (als gevolg van lage bestedingen): bij een opleving van de economie komen deze
tijdelijk werklozen meestal snel weer aan het werk
Langdurige werklozen: lopen een grote kans nooit meer in het arbeidsproces opgenomen te worden,
omdat hun kennis en vaardigheden snel verouderen
- Dat schaadt het economische groeipotentieel op lange termijn
- Conjuncturele werkloosheid
o Afname van de economische bedrijvigheid en daalt weer als de economie aantrekt
o Vooral laagopgeleiden (lager inkomen en een hoger werkloosheidsrisico)
- Structurele werkloosheid
o Een gebrekkige aansluiting van arbeiders op de vraag van de arbeidsmarkt
o Hoogconjunctuur
Werkloosheid:
- Onder jongere is de werkloosheid hoger dan de totale werkloosheid
- Onder laagopgeleiden is de werkgelegenheid lager dan onder hoogopgeleiden
De productiefactor kapitaal = kapitaalgoederenvoorraad = bestaat uit alle goederen die in het
productieproces worden gebruikt of verbruikt
Duurzame kapitaalgoederen = gaan langer dan een periode mee
- Bijv. dijken, woningen, vergunningen, panden, rivieren, wegen, machines, gebouwen
- Ze moeten regelmatig vervangen worden, daarvoor moeten ondernemingen zogenoemde
vervangingsinvesteringen verrichten
Vlottende kapitaalgoederen = grondstoffen die verwerkt moeten worden in het eindproduct
- Ze worden getransformeerd in producten met een hogere toegevoegde waarde
Halffabricaten = ze hebben al een bewerking ondergaan, maar zijn nog niet geschikt voor
consumptie. Ze moeten in verder productieproces
- Ze worden getransformeerd in producten met een hogere toegevoegde waarde
Hulpstoffen = worden tijdens het productieproces verbruikt en is niet in het eindproduct terug te
vinden
- Bijv. energie
Voorraden eindproduct = het aanhouden van voorraden
- Het is voordeliger om de productie gelijkmatig over het jaar te spreiden, omdat er anders in
bijv. het voorjaar een veel grotere productiecapaciteit moet zijn dan in de rest van het jaar
en dat brengt veer overbodige kosten mee
Kapitaalcoëfficiënt = geeft weer hoeveel kapitaalgoederen er nodig zijn voor het vervaardigen van
een eenheid product
- Dienstensector: lage kapitaalcoëfficiënt
- Industrie: tussenpositie
- Sector die afhankelijk zijn van gebouwen en fysieke netwerken die lang meegaan: hoge
kapitaalcoëfficiënt
Investeringen = verandering van K verandering Y
Lage kapitaalcoëfficiënt: kleine investeringen
Hoge kapitaalcoëfficiënt: grote investeringen
Productiecapaciteit = de maximale hoeveelheid goederen en diensten die men in een economie kan
produceren
- Mede afhankelijk van:
o Kapitaalgoederenvoorraad
o Kapitaalcoëfficiënt
, Algemene Economie Hoofdstuk 9.2
Aanbod van arbeid = werknemers
Vraag van arbeid = werkgevers
Potentiële beroepsbevolking = de mensen tussen de 15 en 65/75 jaar
Participatiegraad =deel van de potentiële beroepsbevolking dat deelneemt aan het arbeidsproces
Brutoparticipatiegraad = werkenden en werklozen samen als percentage van de potentiële
beroepsbevolking
Nettoparticipatiegraad = het aandeel van de werkenden in de potentiële beroepsbevolking
Werkgelegenheid in personen > werkgelegenheid in arbeidsjaren (hoeveel volledige banen er zijn)
- Doordat er parttimefuncties bestaan, werken er meer personen dan er arbeidsjaren zijn
- Dit komt in uitdrukking in de zogenoemde deeltijdfactor
Deeltijdfactor = de variabele die de arbeidsjaren per persoon aangeeft
- Als mensen veel in deeltijd werken, zal de deeltijdfactor onder de 1 liggen
Werkloosheid = iemand is werkloos als hij 15 jaar of ouder is, werkzoekende en zonder baan
werkloosheidspercentage = het aandeel van de werklozen ten opzichte van werkenden en
werklozen samen
De werkloosheid blijkt sterk te schommelen met de conjunctuur:
- Hoogconjunctuur: groei van het BBP hoog, dus er zijn veel werknemers nodig
- Laagconjunctuur: groei van het BBP laag, dus er zijn weinig werknemers nodig
Werkloosheid op langer termijn = de werknemers die langer dan een jaar werkloos zijn
Tijdelijke werklozen (als gevolg van lage bestedingen): bij een opleving van de economie komen deze
tijdelijk werklozen meestal snel weer aan het werk
Langdurige werklozen: lopen een grote kans nooit meer in het arbeidsproces opgenomen te worden,
omdat hun kennis en vaardigheden snel verouderen
- Dat schaadt het economische groeipotentieel op lange termijn
- Conjuncturele werkloosheid
o Afname van de economische bedrijvigheid en daalt weer als de economie aantrekt
o Vooral laagopgeleiden (lager inkomen en een hoger werkloosheidsrisico)
- Structurele werkloosheid
o Een gebrekkige aansluiting van arbeiders op de vraag van de arbeidsmarkt
o Hoogconjunctuur
Werkloosheid:
- Onder jongere is de werkloosheid hoger dan de totale werkloosheid
- Onder laagopgeleiden is de werkgelegenheid lager dan onder hoogopgeleiden