- Kleur groen: hoofdstukken
- Kleur rood: belangrijk voor de toets
- Kleur paars: nog nakijken
Toets psychologie: sociale psychologie hoofdstukken 3,4,6,7,8, & 13
Toets sociologie: samenlevingen hoofdstukken; Blauwe bedrukte woorden in het
boek kennen,
Definities kennen
- Anomie kennen!!!
- Rationaliseren kennen
1
,Les 1 Sociologie: (ARNO) P2 Lesweek 1 - De mens in de sociale context
BLAUWE TEKSTJES UIT HET BOEK KENNEN
Verschil psychologie en sociologie -> foto hoorcollege 1 over jongeren
op een bankje:
Psychologie: kijken naar het gedrag, kijken hoe ik hem kan motiveren tot een
positieve verandering.
Metafoor; muisje die over het terrein heen loopt
Socioloog: kijken naar de groepsdynamiek, wat is de sociale identiteit, met welke
leeftijdsgenoten identificeren ze zich, wat is de jeugdcultuur en hoe heeft dat
invloed. Sociologen kijken niet naar individuen, maar naar de sociale context
waarin dit vraagstuk plaatsvind.
Een vogel die over het hele fontys terrein vliegt, dus heeft een ander beeld
Sociologie:
- Sociologie helpt ons om de dieper liggende oorzaken van sociale
problemen, zoals sociale ongelijkheid, migratie, armoede, criminaliteit,
huiselijk geweld, geestelijke gezondheidzorg. Zijn allemaal onderwerpen
waar de sociologie mee bezig houdt.
Sociologen proberen menselijk gedrag te begrijpen en te verklaren door te
kijken naar de sociale context.
Centraal uitgangspunt 1 -> invloed sociale context:
- Wie wij zijn, hoe wij ons gedragen en hoe wij denken beïnvloed wordt door
de samenleving waarin we leven. Denk ook aan dat als ik zelf in een
andere cultuur geboren was of in een andere tijd ook heel anders geleefd
had.
- Micro / Macroniveau -> kijken voornamelijk naar het macroniveau
- Voorbeeld van de invloed van de sociale context:
Er zijn sociale patronen in de samenleving te vinden die invloed hebben op
iets persoonlijks zoals bijvoorbeeld het krijgen van kinderen. Dat heeft te
maken met de economische stabiliteit van het land, heeft te maken met
het onderwijs, anticonceptie, religie en normen en waarden.
Centraal uitgangspunt 2 -> interdependentie:
- Interdependentie: fundamentele afhankelijkheid, in zowel politiek, affectief,
cognitief en economisch opzicht.
- Voorbeeld: een baby is afhankelijk van is van zijn ouders of opvoeders.
- Voorbeeld: maar iedereen is fundamenteel afhankelijk, omdat je koopt
producten dus je bent afhankelijk van anderen. Denk aan supermarkten,
vrachtwagenchauffeurs, tuinmannen enz.
- Metafoor: je kunt elkaar alleen maar in relatie bestuderen. Je kijkt naar
voetbal. Er staan 22 spelers in het veld, maar je zou er 21 wegdenken. Als
jij dan die ene speler rond ziet rennen op het veld, dan snap je geen hout
2
, van dat gedrag. Je snapt het gedrag alleen wel als je kijkt in de context van
die 22 spelers.
De vier bindingen van interdependentie:
- Economische bindingne
- Politieke bindingen
- Affectieve bindingen
- Cognitieve bindingen
1. Economische bindingen:
- Afhankelijkheid van mensen die te maken hebben met de productie en de
distributie van schaarse goederen, zoals voedsel, kleding en onderdak.
2. Politieke bindingen:
- Mensen zijn afhankelijk van elkaar, omdat ze bescherming behoeven. Die
behoefte komt vooral voort uit het feit dat mensen andere fysiek kunnen
bedreigen door gebruik van geweld.
- Dwang uitoefenen op andere mensen
- Het hebben van macht
3. Affectieve bindingen:
- Mensen hebben elkaar nodig voor genegenheid, erkenning, steun, liefde,
kortom voor bevrediging van hun behoefte aan affectie.
- Afhankelijkheden tussen mensen die betrekking hebben op de positieve en
negatieve gevoelens die ze voor elkaar koesteren, noemen we affectieve
bindingen.
4. Cognitieve bindingen:
- Op cognitief gebied zijn mensen van elkaar afhankelijk doordat ze van
elkaar en aan elkaar leren. Ze ontwikkelen kennis, dragen die aan elkaar
over of houden die juist voor elkaar verborgen.
- De afhankelijkheden die voortvloeien uit processen van kennisvorming en
kennisoverdracht.
Iedere sociale relatie omvat dus meer bindingen tegelijk.
Verschil sociologie en sociale psychologie:
- Sociale psychologie: willen het gedragen begrijpen en verklaren, alleen de
sociale psychologie zitten veel meer vanuit theorieën van het individu.
- Sociologie: willen ook het gedrag begrijpen en verklaren, kijken meer naar
de sociale groep en naar brede sociale fenomenen. Onderzoeken bijv. wat
de invloed is van sociale media op menselijk samenleven en wat de
invloed daarvan is op gedrag.
3
, Twee zaken die sociologen bestuderen:
- Sociale problemen: ‘Hoe …. op te lossen?
- Sociologische problemen: ‘Hoe zit …. in elkaar?
1. Sociale problemen; Maatschappelijk ongewenste situatie die we door
gezamenlijke actie willen verbeteren.
- Vraagstukken op het gebied van criminaliteit, immigratie, eenzaamheid en
geestelijke gezondheidzorg.
- Praktisch en gericht op beleid
- Macht om te bepalen wat een probleem is wat we in de maatschappij
moeten aanpakken. Dominantere groepen hebben vaak meer macht, want
dan komt het vaak sneller op de politieke agenda.
- Als sociaal werker ga je proberen mensen een stem te geven om hun te
kunnen laten bepalen wat zij belangrijke sociale problemen vinden.
2. Sociologische problemen:
- Gericht op de wetenschap
- Kennisvraagstukken
- We weten ergens niet het fijne van dus laten we het verder onderzoeken.
Als sociologen onderzoek doen dan nemen ze vaak drie basisgegevens
mee:
- Biologische basisgegevens
- Demografische basisgegevens
- Geografische basisgegevens
1. Biologische basisgegevens, zoals leeftijd
2. Demografische basisgegevens; bevolkingsopbouw, hoe zit de bevolking
in Nederland er op een bepaald moment uit -> denk aan vergrijzing of
migratie
3. Geografische basisgegevens: zijn opvattingen op een dorp nou anders
dan in een stad? Is het anders wonen in de wijk waar er niks te doen is dan
waar wel veel te doen? Is het nou anders wonen in een iglo dan in een flat?
De fysieke omgeving heeft invloed op ons.
4