Gezondheidswetenschappen Vrije
Universiteit 2025
Inhoudsopgave
HC1: Inleiding in infectieziekten: ............................................................................................................. 2
HC2: Virulentie en pathogeniteit ............................................................................................................. 6
HC3: Classificatie, GI-infecties, virussen ................................................................................................ 12
HC4: GI-infecties; Bacteriën................................................................................................................... 23
HC5: Infecties: bacteriën en parasieten ................................................................................................ 29
HC6: Diagnostiek van infectieziekten .................................................................................................... 41
HC7: Antimicrobiele middelen deel 1 .................................................................................................... 54
HC8: Antimicrobiele middelen deel 2 .................................................................................................... 61
HC9: SOA’s; de verwekkers, prevalentie en pathogenese ..................................................................... 68
HC10: Luchtweginfecties ....................................................................................................................... 78
HC11: Epidemiologie infectieziekten ..................................................................................................... 85
HC12: Parasitologie ............................................................................................................................... 96
,HC1: Inleiding in infectieziekten:
Biotische vs. Abiotische factoren
• Biotische factoren – Levende organismen die invloed hebben op een ecosysteem of
gezondheid, zoals bacteriën, virussen en parasieten, die infecties kunnen veroorzaken.
• Abiotische factoren – Niet-levende omgevingsfactoren die organismen beïnvloeden, zoals
temperatuur, vochtigheid, pH, straling en chemische stoffen.
Opbouw van een virus
• Envelop – Een vetachtig membraan rondom sommige virussen, afgeleid van de gastheercel,
dat helpt bij infectie maar kwetsbaar is voor uitdroging en desinfectie.
• Non-enveloped virus – Heeft geen envelop en is daardoor steviger en resistenter tegen
omgevingsfactoren. Overleeft langer buiten een gastheer en kan gemakkelijker via besmette
oppervlakken worden overgedragen.
• Enveloped virus – Heeft wel een envelop, waardoor het gevoeliger is voor uitdroging en
schoonmaakmiddelen. Dit type virus overleeft minder lang buiten een gastheer en wordt
vooral overgedragen via direct contact of druppels.
RNA-virussen en mutatiegevoeligheid
RNA-virussen muteren sneller dan DNA-virussen omdat RNA-polymerase (het enzym dat RNA
kopieert) geen foutcorrectie heeft. Hierdoor ontstaan vaker kopieerfouten (mutaties), wat kan leiden
tot snelle evolutie, verhoogde resistentie tegen vaccins of medicijnen en moeilijkere bestrijding van
infecties. Voorbeelden zijn het griepvirus, het coronavirus en HIV.
Envelop en weefselschade: Niet alle enveloped virussen veroorzaken directe schade aan cellen en
weefsels. Sommige veroorzaken milde of chronische infecties zonder acute vernietiging van cellen
(Hepatitis C, pas na langere tijd leverproblemen na langdurige infectie).
,Vragen bij infectieziekten/uitbraak: WAT? HOE? WANNEER? WIE?
WAT?
• Etiologie: Kennis organisme en bijbehorende specifieke symptomen
• Belangrijk voor o.a. de juiste behandeling (classificatie)
• Voorbeelden:
o Malaria wordt veroorzaakt door een parasiet en behandeld met antiparasitaire
middelen.
o Ebolavirus is een virus en vereist antivirale behandeling en ondersteunende zorg.
HOE?
• Transmissie: Hoe wordt het organisme overgebracht naar een andere gastheer?
• Cruciaal voor interventie-/preventiemaatregelen
• Reservoir: Heeft het organisme een ander reservoir (andere gastheren) dan de mens?
o Een reservoir is een natuurlijke bron van de ziekteverwekker, zoals dieren of de
omgeving.
• Zoönose: Overdracht van gewervelde dieren naar mensen (dier-op-mens) en mogelijk
verdere verspreiding van mens op mens.
o Voorbeeld: Het Ebolavirus kon uitbreken doordat het van dieren (zoals vleermuizen
of apen) op mensen werd overgedragen en vervolgens via mens-op-mens transmissie
verder verspreidde.
WANNEER?
Wanneer vindt transmissie plaats?
• Incubatieperiode: Tijd tussen besmetting en het verschijnen van symptomen. In deze
periode vermenigvuldigt het pathogeen zich, en transmissie kan soms al plaatsvinden, zelfs
voordat symptomen zichtbaar zijn.
• Ziekte: De ernst en duur zijn afhankelijk van de virulentie van het pathogeen en de conditie
van de gastheer.
• Herstel: De afname en verdwijning van symptomen, waarbij het aantal ziekteverwekkers
afneemt. Echter, bij sommige infecties kunnen ziekteverwekkers na herstel nog aanwezig zijn,
wat transmissie mogelijk maakt.
o Voorbeeld: Bij sommige infecties, zoals hepatitis B, kan iemand na herstel nog steeds
het virus bij zich dragen en anderen besmetten.
, WIE?
• Risicogroep? Wie loopt het meeste risico op infectie of ernstige ziekte?
Reservoir – Een bron waar ziekteverwekkers zich kunnen ophopen en overleven, vaak zonder
symptomen te veroorzaken bij de gastheer. Dit kan ook asymptomatische dragers zijn die subklinisch
geïnfecteerd zijn, maar de infectie nog steeds kunnen overdragen.
Reservoirs van infectieziekten:
1. Mens (mens-mens) – Overdracht van ziekteverwekkers van de ene persoon naar de andere.
2. Dier (dier-mens) – Zoönoses, infecties die van dieren op mensen kunnen overgaan, vaak via
direct contact met dieren of hun producten.
3. Vector (insecten) – Overdracht via een insect (zoals muggen) die een ziekteverwekker van
mens naar mens of dier naar mens overbrengt, bijvoorbeeld malaria of het zikavirus.
4. Besmette oppervlakten, voedsel, water, aarde – Ziekteverwekkers kunnen overleven op
objecten, in water, voedsel of in de aarde, en zo de gastheer infecteren.
Ebolavirus: zoönose
1. Vleermuizen – Vaak de natuurlijke gastheer van het virus.
2. Andere dieren (apen, bosantilopen) – Dieren kunnen het virus van vleermuizen krijgen en
vervolgens het virus op mensen overdragen.
3. Mens op mens – Het virus kan zich vervolgens van persoon op persoon verspreiden, meestal
via direct contact met besmette lichaamsvloeistoffen.
Transmissieroutes
Horizontale- vs. verticale transmissie:
• Horizontale transmissie: Mens op mens; De overdracht van een ziekteverwekker tussen
individuen van dezelfde generatie. Dit kan via direct contact, lucht, water, voedsel, insecten of
andere middelen gebeuren.
• Verticale transmissie: Moeder op kind (MTCT); meestal tijdens de zwangerschap, de
bevalling of via borstvoeding.