-Regelkringen beperken afwijkingen van een normwaarde en handhaven op die manier de
homeostase, het in stand houden van een dynamisch evenwicht. Regelkringen bestaan
uit receptoren, een regelcentrum (hypothalamus) en effectoren. Negatieve
terugkoppeling herstelt afwijkingen van de norm.
-De hypothalamus bevat receptoren die aan de hand van de bloedtemperatuur de
kerntemperatuur registreren. En het bevat de norm en het regelcentrum van de
kerntemperatuur.
-De receptoren voor de schiltemperatuur zitten in de huid en de skeletspieren. Er zijn aparte
koude en warmtereceptoren.
-Bij temperatuurregulatie meten temperatuurreceptoren de lichaamstemperatuur en geven
die door aan het regelcentrum. Als de temperatuur afwijkt van de norm, dan wordt de
informatie doorgegeven aan de effectoren die de afwijking kunnen corrigeren door
bijvoorbeeld zweetklieren die meer zweet afgeven en de haarvaten in de huid die verwijden
of vernauwen (rillen, klappertanden)(negatieve terugkoppeling).
-Regelkringen houden de kerntemperatuur, het deel met de vitale organen, rond de 37 °C.
De schiltemperatuur varieert met de kerntemperatuur en met de temperatuur van de
omgeving.
-Bij koorts gaat, meestal als reactie op een infectie, je lichaam opwarmen zodat de infectie
sneller wordt bestreden. Een hogere lichaamstemperatuur stimuleert namelijk de afgifte van
afweerstoffen. De hypothalamus stelt een hogere norm voor temperatuur in waardoor het
lichaam gaat opwarmen (rillen). De verhoging van de norm vindt plaats onder invloed van
cytokinen, geproduceerd door witte bloedcellen.
-De regelkringen zorgen steeds dat het inwendige milieu in evenwicht is. Bij zweten verlies
je water, als gevolg daarvan is er minder uitscheiding van water door de nieren naar het
uitwendige milieu, wat nog meer waterverlies voorkomt. Zo zijn er nog veel meer dingen
die worden geregeld door de regelkringen.
-Veel organen zijn betrokken bij de homeostase.
12.2 Processen in de lever
-In de lever vinden zo'n 600 verschillende processen plaats. Tijdens deze processen
ontstaat veel warmte, de lever is de belangrijkste verwarmingsbron van je lichaam.
-De lever is sterk doorbloed, per minuut 0,3 L bloed via leverslagader en 1 L vanuit de
poortader.
-De lever speelt een belangrijke rol bij de koolhydraat-, vet- en eiwitstofwisseling, maar hij
heeft nog meer taken:
-Rode bloedcellen afbreken. De lever en milt breken de afgestorven rode bloedcellen
af. In de lever, milt en het rode beenmerg wordt het ijzer uit Hb opgeslagen in de
vorm van het ijzerbindend eiwit ferritine. Uit Hb ontstaat afvalstof biliverdine die de
lever verwerkt tot de gele galkleurstof bilirubine en scheidt deze uit via de gal en de
urine. Met het opgeslagen ijzer worden weer nieuwe heemgroepen gemaakt voor
nieuwe rode bloedcellen.
-Ontgiften. Levercellen breken giftige stoffen af: detoxificatie. De levercellen zetten
de alcohol met behulp van het enzym alcoholdehydrogenase om in het (giftige)
ethanal. Dan zet aldehydedehydrogenase het om in (niet-giftig) azijnzuur.
Levercellen kunnen ethanal ook omzetten in glucose en vet. Bij regelmatig
, alcoholgebruik leidt dit tot leververvetting en uiteindelijk doodt het leverweefsel.
Bindweefsel vervangt dan de dode levercellen: levercirrose.
-Stoffen opslaan. Behalve ijzer en glycogeen slaat de lever ook een aantal vitaminen
en mineralen op.
-Bloed leveren. De lever kan bij grote inspanning extra bloed voor O2- of
brandstoftransport in omloop brengen.
-Gal vormen. Voor vetvertering produceren de levercellen ongeveer 0,5 L gal per
dag, die de lever afvoert via de galgang.
-Als de glucoseconcentratie (de bloedsuikerspiegel) in het bloed boven de normwaarde
komt, dan nemen spiercellen, vetcellen en de meeste andere weefsels onder invloed van het
hormoon insuline glucose op. Daardoor daalt de glucoseconcentratie. Insuline stimuleert in
de lever en in de spiercellen de omzetting van glucose in glycogeen (glycogenese). Als de
glycogeenvoorraad is gevuld, dan zetten de cellen de extra glucose om in vetten.
-Als je sport, verbruiken je spieren glucose. De spiercellen maken glucose vrij uit hun
glycogeenvoorraad of nemen die op uit het bloed. De glucoseconcentratie daalt dan onder
de normwaarde. De alvleesklier maakt als reactie het hormoon glucagon. De lever zet
onder invloed van glucagon een deel van het glycogeen om in glucose en geeft die af aan
het bloed zodat de suikerspiegel weer stijgt. Als alle glycogeenvoorraden zijn uitgeput, dan
maken levercellen ook glucose uit aminozuren en vetten (gluconeogenese).
-Vetten komen als glycerol en vetzuren de lever binnen via de poortader en de
leverslagader. Vetzuren kunnen dienen als brandstof en als bouwstof voor bijvoorbeeld
celmembranen. Niet alle vetzuren zijn te gebruiken. Ongeschikte vetzuren kan de lever
ombouwen tot geschikte. Bijvoorbeeld door verzadigde vetzuren om te zetten in
onverzadigde, of andersom. Essentiële vetzuren kan de lever niet maken, die krijg je alleen
met je voedsel binnen.
-Cholesterol is een belangrijke vetachtige stof die nodig is voor de stabiliteit van
celmembranen en een grondstof is voor hormonen als oestrogeen en testosteron. Rond
10% van de cholesterol komt uit de voeding, de rest wordt vooral gemaakt door de
levercellen.
-Vetten zijn hydrofoob en niet oplosbaar in het bloedplasma. De lever vormt daarom
verschillende typen lipoproteïnen. Dit zijn deeltjes die vetachtige stoffen zoals cholesterol
bevatten met een hydrofiele buitenlaag van eiwitten. Zo worden vetachtige stoffen in het
bloedplasma vervoerd.
-Als aminozuren in je lever komen is een deel bruikbaar voor opbouw van nieuwe eiwitten.
Maar een teveel aan aminozuren kan de lever niet opslaan. De niet-essentiële aminozuren
kan de lever ombouwen, de rest breekt de lever af. Door ombouwen kan de lever elf van de
twintig aminozuren maken, de essentiële aminozuren kun je alleen via je voedsel
binnenkrijgen. Het ombouwen gebeurt via transaminering, hierbij ruilt een aminozuur zijn
aminogroep (-NH2) met een ketozuur (=O). Dat levert een aminozuur op dat wel nodig is. De
aminozuren die overblijven worden afgebroken. De lever verwijdert de aminogroep
(deaminering), daaruit vormt de lever ammoniak (NH3). Dan koppelt de lever NH3 aan CO2,
waarbij ureum ((NH₂)₂CO) ontstaat. Deze afvalstof gaat via het bloed en nieren naar de
urine. De rest van het aminozuur gebruikt de lever als brandstof om vetten of glucose te
maken.