Hoofdstuk 1 Een inleiding op praktijkonderzoek
Onderzoek is een zoekproces gebaseerd op denken, intuïtie en creativiteit, waarin op een
systematische manier gegevens worden verkregen, gebruikt en geanalyseerd, met als doel kennis
te verzamelen.
Wat valt niet onder onderzoeksmatig handelen? Ad hoc beslissingen nemen; een probleem
oplossen zonder probleemanalyse; alles bij jezelf houden en je handelen niet met collega’s of
leerlingen bespreken; intuïtief, routinematig handelen zonder zelfreflectie of zelfkritiek; concluderen
zonder bewijsvoering.
Een onderzoekende houding houdt in dat je je bij de uitvoering van je beroep voortdurend afvraagt
of wat je doet wel het beste is voor je leerlingen. De koppeling van onderzoek met de
onderwijspraktijk zou er onder meer toe moeten leiden dat leraren aan het denken worden gezet,
afstand nemen van hun dagelijkse routines en proberen zich een andere kijk op hun praktijk eigen
te maken.
Drie samenhangende elementen in een onderzoekende houding:
- de vaardigheid om onderzoek te ontwerpen en uit te voeren;
- een positieve houding ten opzichte van onderzoek;
- een onderzoekende, kritische kijk op de eigen lespraktijk gerelateerd aan een ideaal over goed
onderwijs.
Drie aspecten van de onderzoekende houding:
- nieuwsgierigheid;
- sensitief zijn voor signalen;
- vraagtekens leren plaatsen bij het vanzelfsprekende.
Een leraar met een onderzoekende houding is ontwikkelingsgericht, samenwerkend en reflectief.
Reflectie kan plaatsvinden op drie niveaus:
- op instrumenteel niveau: het zichtbare handelen van de leraar in de praktijk (opbouw van de les,
instructie, klassenmanagement).
- op substantieel niveau: de onderliggende uitgangspunten van het handelen als leraar (de visie op
onderwijs en leren).
- op kritisch niveau: de morele, ethische en andere normatieve overwegingen van de leraar.
- Fundamenteel/toegepast onderzoek: onderzoek gericht is op theorievorming en theorietoetsing.
- Praktijkonderzoek: gericht op verbetering van de praktijk.
Kernactiviteiten praktijkonderzoek
, - Oriënteren: praktijkprobleem verkennen = verschil tussen feitelijke en de gewenste situatie.
Verkennende probleemanalyse
- Richten: verdiepende probleemanalyse met behulp van een literatuurstudie formuleer je een
onderzoeksdoel en onderzoeksvraag
- Plannen: plan maken voor uitvoering van je ontwerponderzoek
- Verzamelen: data verzamelen (instrumenten) om te weten te komen aan welke eisen een
ontwerp moet voldoen om een oplossing te vormen voor je praktijkprobleem
- Analyseren en concluderen: reduceer data tot een set van ontwerpeisen
- Rapporteren en presenteren
Praktijkgericht onderzoek heeft de volgende drie hoofdkenmerken:
- het onderzoek betreft vragen en problemen van beroepsbeoefenaren;
- het gaat om toepasbaar onderzoek, de kennis is qua inhoud en vorm op een praktisch niveau
bruikbaar en toepasbaar;
- het onderzoek draagt bij aan de verbetering van de beroepspraktijk.
Ontwikkelonderzoek is het zoeken naar:
- het ontwerp (plan, activiteit, behandeling, interventie) dat gemaakt moet worden; - de eisen waar
dit ontwerp aan moet voldoen;
- de verschillende alternatieve uitwerkingen van het ontwerp;
- de meest realistische en haalbare alternatieven;
- het ideale ontwerp dat in de beroepspraktijk het best voldoet.
Er zijn verschillende onderzoeksbenaderingen:
- constructivistische onderzoeksbenadering: er bestaat niet één juiste visie op de werkelijkheid, er
kunnen meerdere interpretaties van de werkelijkheid naast elkaar bestaan.
- positivistische onderzoeksbenadering: kennis is gebaseerd op dat wat direct waarneembaar is,
het kan beschreven worden aan de hand van algemene wetmatigheden.
Onderzoeken is primair een vorm van leren. De relatie tussen onderzoek doen en leren werken we
uit a.d.h.v. de leercyclus van Kolb:
1. Concreet ervaren (concrete ervaringen opdoen);
2. Reflectieve observatie (observeren van en reflecteren op opgedane ervaringen);
3. Abstracte begripsvorming (ervaringen waarover is nagedacht in een theoretisch kader plaatsen
en integreren, en van daaruit conclusies trekken voor het eigen handelen);
4. Actief uitproberen (de conclusies omzetten in nieuw gedrag, en experimenteren in nieuwe
situaties).
Van Strien maakt onderscheid tussen het wetenschappelijk denken waarin de vorming en toetsing
van theoretische uitspraken voorrang heeft en het praktijkgerichte denken, een denk- en
handelswijze voor het oplossen van problemen. Bij de regulatieve cyclus wordt er sturend
ingegrepen in een praktijk met de bedoeling een meer ideale situatie te bereiken.
De vijf fasen van de regulatieve cyclus:
1. Probleemstelling;
2. Diagnose;
3. Plan;
4. Ingreep;
5. Evaluatie.
Validiteit: Je streeft naar een valide onderzoek. Dit betekent dat je bij het uitvoeren van je
onderzoek zo veel mogelijk probeert de invloeden die de uitkomsten van je onderzoek bepalen te
herkennen en te beschrijven.
We maken onderscheid tussen verschillende aspecten waarop de validiteit betrekking kan hebben:
- resultaatvaliditeit: de mate waarin er gebeurtenissen optreden die leiden tot een oplossing van
het probleem dat aanleiding was het onderzoek te starten. De validiteit wordt verhoogd als je
onderzoek een daadwerkelijk bruikbare oplossing van het praktijkprobleem oplevert.
Onderzoek is een zoekproces gebaseerd op denken, intuïtie en creativiteit, waarin op een
systematische manier gegevens worden verkregen, gebruikt en geanalyseerd, met als doel kennis
te verzamelen.
Wat valt niet onder onderzoeksmatig handelen? Ad hoc beslissingen nemen; een probleem
oplossen zonder probleemanalyse; alles bij jezelf houden en je handelen niet met collega’s of
leerlingen bespreken; intuïtief, routinematig handelen zonder zelfreflectie of zelfkritiek; concluderen
zonder bewijsvoering.
Een onderzoekende houding houdt in dat je je bij de uitvoering van je beroep voortdurend afvraagt
of wat je doet wel het beste is voor je leerlingen. De koppeling van onderzoek met de
onderwijspraktijk zou er onder meer toe moeten leiden dat leraren aan het denken worden gezet,
afstand nemen van hun dagelijkse routines en proberen zich een andere kijk op hun praktijk eigen
te maken.
Drie samenhangende elementen in een onderzoekende houding:
- de vaardigheid om onderzoek te ontwerpen en uit te voeren;
- een positieve houding ten opzichte van onderzoek;
- een onderzoekende, kritische kijk op de eigen lespraktijk gerelateerd aan een ideaal over goed
onderwijs.
Drie aspecten van de onderzoekende houding:
- nieuwsgierigheid;
- sensitief zijn voor signalen;
- vraagtekens leren plaatsen bij het vanzelfsprekende.
Een leraar met een onderzoekende houding is ontwikkelingsgericht, samenwerkend en reflectief.
Reflectie kan plaatsvinden op drie niveaus:
- op instrumenteel niveau: het zichtbare handelen van de leraar in de praktijk (opbouw van de les,
instructie, klassenmanagement).
- op substantieel niveau: de onderliggende uitgangspunten van het handelen als leraar (de visie op
onderwijs en leren).
- op kritisch niveau: de morele, ethische en andere normatieve overwegingen van de leraar.
- Fundamenteel/toegepast onderzoek: onderzoek gericht is op theorievorming en theorietoetsing.
- Praktijkonderzoek: gericht op verbetering van de praktijk.
Kernactiviteiten praktijkonderzoek
, - Oriënteren: praktijkprobleem verkennen = verschil tussen feitelijke en de gewenste situatie.
Verkennende probleemanalyse
- Richten: verdiepende probleemanalyse met behulp van een literatuurstudie formuleer je een
onderzoeksdoel en onderzoeksvraag
- Plannen: plan maken voor uitvoering van je ontwerponderzoek
- Verzamelen: data verzamelen (instrumenten) om te weten te komen aan welke eisen een
ontwerp moet voldoen om een oplossing te vormen voor je praktijkprobleem
- Analyseren en concluderen: reduceer data tot een set van ontwerpeisen
- Rapporteren en presenteren
Praktijkgericht onderzoek heeft de volgende drie hoofdkenmerken:
- het onderzoek betreft vragen en problemen van beroepsbeoefenaren;
- het gaat om toepasbaar onderzoek, de kennis is qua inhoud en vorm op een praktisch niveau
bruikbaar en toepasbaar;
- het onderzoek draagt bij aan de verbetering van de beroepspraktijk.
Ontwikkelonderzoek is het zoeken naar:
- het ontwerp (plan, activiteit, behandeling, interventie) dat gemaakt moet worden; - de eisen waar
dit ontwerp aan moet voldoen;
- de verschillende alternatieve uitwerkingen van het ontwerp;
- de meest realistische en haalbare alternatieven;
- het ideale ontwerp dat in de beroepspraktijk het best voldoet.
Er zijn verschillende onderzoeksbenaderingen:
- constructivistische onderzoeksbenadering: er bestaat niet één juiste visie op de werkelijkheid, er
kunnen meerdere interpretaties van de werkelijkheid naast elkaar bestaan.
- positivistische onderzoeksbenadering: kennis is gebaseerd op dat wat direct waarneembaar is,
het kan beschreven worden aan de hand van algemene wetmatigheden.
Onderzoeken is primair een vorm van leren. De relatie tussen onderzoek doen en leren werken we
uit a.d.h.v. de leercyclus van Kolb:
1. Concreet ervaren (concrete ervaringen opdoen);
2. Reflectieve observatie (observeren van en reflecteren op opgedane ervaringen);
3. Abstracte begripsvorming (ervaringen waarover is nagedacht in een theoretisch kader plaatsen
en integreren, en van daaruit conclusies trekken voor het eigen handelen);
4. Actief uitproberen (de conclusies omzetten in nieuw gedrag, en experimenteren in nieuwe
situaties).
Van Strien maakt onderscheid tussen het wetenschappelijk denken waarin de vorming en toetsing
van theoretische uitspraken voorrang heeft en het praktijkgerichte denken, een denk- en
handelswijze voor het oplossen van problemen. Bij de regulatieve cyclus wordt er sturend
ingegrepen in een praktijk met de bedoeling een meer ideale situatie te bereiken.
De vijf fasen van de regulatieve cyclus:
1. Probleemstelling;
2. Diagnose;
3. Plan;
4. Ingreep;
5. Evaluatie.
Validiteit: Je streeft naar een valide onderzoek. Dit betekent dat je bij het uitvoeren van je
onderzoek zo veel mogelijk probeert de invloeden die de uitkomsten van je onderzoek bepalen te
herkennen en te beschrijven.
We maken onderscheid tussen verschillende aspecten waarop de validiteit betrekking kan hebben:
- resultaatvaliditeit: de mate waarin er gebeurtenissen optreden die leiden tot een oplossing van
het probleem dat aanleiding was het onderzoek te starten. De validiteit wordt verhoogd als je
onderzoek een daadwerkelijk bruikbare oplossing van het praktijkprobleem oplevert.