WEEK 1
Basis
- Uitleggen wat er wordt verstaan onder belangrijkste goederenrechtelijke concepten
en beginselen, ook aan de hand van een schema (wg en cc)
Goederen 3:1 BW
a. zaken: 3:2 BW
1. roerend (niet-registergoed, een roerend goed is niet altijd een
niet-registergoed bijvoorbeeld een boot/vliegtuig, soms kan een
roerend goed dus ook een registergoed zijn)
2. onroerend (registergoed 3:10 BW, altijd zo. Ingeschreven notariële
akte bij de openbare registers)
b. vermogensrechten: 3:6 BW, kan je niet vastpakken maar vertegenwoordigt
een waarde.
1. vermogensrecht
- relatieve: vordering
- absolute: eigendom
2. relatieve rechten
3. absolute: meest omvattende recht (eigendomsrecht)
4. beperkte rechten: (boek 3: op goederen van het beperkte recht,
vorderingsrechten)(boek 5: alleen op zaken)
- genotsrechten
a. erfdienstbaarheid (boek 5)
b. erfpachtrecht (boek 5)
c. opstal (boek 5)
d. vruchtgebruik (boek 3)
- zekerheidsrechten:
a. hypotheek (boek 3)
b. pandrecht (boek 3)
- Uitleggen wat het begrip eigendom inhoudt en hoe dit begrip begrensd wordt (cc)
Het hebben van eigendom werd onderdeel van het ‘persoon zijn’, zodat eigendom
Van een roerende zaak niet-registergoed kan men als eigenaar afstand doen door
, het bezit kennelijk prijs te geven (art. 3:117 lid 1 BW) met het oogmerk zich van de
eigendom te ontdoen (art. 5:18 BW). Dit noemt men derelictie of het abandonneren
van goederen. De derelictie zorgt ervoor dat de roerende zaak een res nullius wordt:
een goed dat aan niemand toebehoort. Derelictie zal zich bijvoorbeeld voordoen als
iemand een oude stoel bij het grofvuil zet. Kun je ook het eigendom prijsgeven van
onroerende zaken, zoals een huis? Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend, en
dat komt mede door hetgeen bepaald wordt in art. 5:24 BW: Onroerende zaken die
geen eigenaar hebben, zijn eigendom van de staat. Het is echter onmogelijk om een
onroerende zaak met een negatieve waarde op te dringen aan de staat
- Een (eerste) verband leggen tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de
begrenzing van eigendom (cc)
In de specifieke verhouding tussen twee partijen kan het eigendomsrecht worden
begrensd (art. 5:1 lid 2 BW). Zo mag het eigendomsrecht niet in strijd raken met
rechten van anderen. Nog iets verder gaat de opvatting dat de eigenaar bij de
uitoefening van zijn eigendomsrecht zijn medemens respecteert. In die richting gaat
het leerstuk van onrechtmatige hinder (art. 5:1 lid 2 jo. Art. 5:37 BW). Naast deze
twee algemene regels zijn er nog enkele andere concrete regels die gelden tussen
naburige percelen. Denk bijvoorbeeld aan het recht om het erf te betreden (art. 5:22
– 5:23 BW).
- Originaire en derivatieve verkrijging en derdenbescherming
We onderscheiden twee vormen van verkrijging: originaire en derivatieve.
- Bij originaire verkrijging (bijv. verkrijgende verjaring) wordt het recht niet
ontleend aan een rechtsvoorganger; het is een NIEUW eigendomsrecht.
Originaire wijzen van verkrijging zijn:
a. inbezitneming van een res nullius
b. bestanddeelvorming
c. natrekking
d. zaaksvorming
e. onteigening
f. verkrijging door vinderschap
g. schatvinding
h. afscheiding
i. vruchttrekking
- Bij derivatieve verkrijging (verkrijging van een reeds bestaand recht) werkt de
voorgeschiedenis door: wie derivatief verkrijgt (meestal door overdracht of
erfopvolging), is gebonden aan door zijn rechtsvoorganger gevestigde
beperkte rechten, kwalitatieve verplichtingen, huurovereenkomsten etc.
Omgekeerd profiteert de derivatieve verkrijging van door de rechtsvoorganger
verworven kwalitatieve rechten. Bij overdracht, ontleent zijn
goederenrechtelijke positie aan zijn voorganger en kan daarom in beginsel
niet meer krijgen dan zijn voorganger had (nemo plus beginsel). Derivatieve
verkrijging: Bij overdracht, ontleent zijn goederenrechtelijke positie aan zijn
voorganger en kan daarom in beginsel niet meer krijgen dan zijn voorganger
had (nemo plus beginsel)
, Nemo-plus beginsel: niemand kan meer recht overdragen dan dat hij
zelf daadwerkelijk heeft
Verkrijging van goederen
1. opvolging onder algemene titel: Hierbij is er altijd sprake van
derivatieve verkrijging. BIJV: erfopvolging, boedelmenging,
fusie/splitsing, hier vraagt met niet 1 goed maar alle voor overgang
vatbare goederen van een persoon of een evenredig deel ervan.
2. opvolging onder bijzondere titel: bij verkrijging onder bijzondere titel
verkrijgt men 1 specifiek goed. Bijvoorbeeld bij overdracht
- derivatieve verkrijging: de verkrijger ontleent zijn rechtspositie
aan die van zijn voorganger
- originaire verkrijging: als een persoon zijn rechtspositie niet
ontleent aan een ander maar aan een nieuw recht op een
goed verkrijgt
1. goederen (zaken en vermogensrechten)
2. zaken (zaken)
a. vervreemding
b. bezwaring
c. verjaring
d. overdracht
- Vaststellen welke voorwaarden er zijn voor overdracht van een goed (wg)
- Onderscheiden welke titelgebreken zich kunnen voordoen en begrijpen wat de
gevolgen zijn van de verschillende gebreken (wg)
, Gebreken in de titel: 3:44, 3:40, 6:228 en de gevolgen
- Analyseren onder welke voorwaarden iemand die een roerende zaak verkrijgt van
een beschikkingsonbevoegde, beschermd wordt (wg)
Vereisten
- Het moet gaan om de levering van een roerende zaak, niet-registergoed, of een
recht aan toonder of order. Gaat het om een registergoed? Dan is de verkrijger
aangewezen op art. 3:88 BW.
- De levering moet plaatsvinden via art. 3:90, art. 3:91 of art. 3:93 BW.
- De levering geschiedt anders dan om niet. Dit houdt in dat de verkrijger het goed dus
niet gratis mag hebben gekregen of voor een extreem lage prijs. Het mag dus niet
gaan om een schenking.
- De verkrijger is op het moment van levering te goeder trouw.
Uitzondering: Op grond van art. 3:86 lid 3 BW helpt de bescherming van het eerste lid de
verkrijger niet in het geval de eigenaar het bezit van de zaak door diefstal heeft verloren. In
dat geval kan de eigenaar de zaak gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de
diefstal, als zijn eigendom opeisen, ook al is er sprake van een situatie waarin lid 1 in
beginsel van toepassing zou zijn. Uitzondering: Ook op deze uitzondering bestaan weer
twee uitzonderingen. Deze zijn te vinden in sub a en sub b van lid 3.
Art. 3:86 lid 3 sub b BW spreekt voor zich: bij diefstal van de geld en/of toonder- of
orderpapieren kan wel een beroep op de bescherming van het eerste lid worden gedaan.
Art. 3:86 lid 3 sub a BW is wat ingewikkelder en bevat verschillende vereisten. We hebben
de vereisten van het artikel voor je onderstreept:
______
De derde verkrijger krijgt geen bescherming wanneer hij een gestolen zaak koopt tenzij het
gaat om een consument die het in de winkel koopt 3:86 lid 3 sub a
ZIE ART: Art 3:86 "Ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, is een
overdracht geldig indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te
goeder trouw is.” zie eisen hieronder
- Bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid: