Induscultuur
Het woord ‘’hindoeïsme’’ verwijst naar de rivier de Indus, in het huidige Pakistan.
Mensen die in de buurt van deze rivier woonden, werden hindoes genoemd.
Meeste hindoes in India en Pakistan. Rond 2500 v. Chr. bloeide in de buurt van de
rivier een rijke cultuur, de ‘’Indus-cultuur’’. Hindoeïsme heeft wortels in de tijd
van de Indus-cultuur (goden, reinigingen, heilige dieren).
Vedische tijd
Veda’s (wijsheid): oudste ,heilige, hindoeïstische geschriften. Stammen uit de
periode na bloeitijd Indus-cultuur (1200-500 v. Chr. Vedische tijd). In deze tijd
werden belangrijke boeken geschreven en rituelen ontwikkeld die nog steeds de
kern vormen van de hindoeïstische geloofspraktijk. Volgens veel hindoes zijn de
Veda’s door schrijvers met bijzondere gaven (halfgoddelijke mensen). Veda’s zijn
geschreven in het Vedisch (taal) Sanskriet uit ontstaan.
Het besef kwam dat een mens rituelen nodig heeft in zijn leven
(zonneritueel nodig om de zon op te laten komen). De goden die in de vedische
tijd heel belangrijk waren, spelen nu een minder grote rol. Shiva en Vishnu, zijn
nu juist belangrijk, maar toen juist veel minder.
De tijd van het oudere hindoeïsme
De tijd na de vedische tijd noemen we de tijd van het oudere hindoeïsme
(500 v. - 800 na Chr.). Vanaf deze tijd kun je pas echt spreken van hindoeïsme
(hiervoor nog te grote verschillen).
Mahabharata: belangrijke tekst geschreven tussen 200 v. en 200 na Chr.
Bhagavadgita, een onderdeel van de Mahabharata is nog steeds heel populair
en is voor veel hindoes hun belangrijkste heilige boek. Hierin staat een gesprek
veschreven tussen Arjuna en zijn wagenmenner Krishna (blijkt een gedaante van
de god Vishnu te zijn).
Binnen het hindoeïsme zijn grote verschillen. Het hindoeïsme kent geen instantie
die vaststelt wat de ware leer is en die in de gaten houdt of iedereen zich daar
wel aan houdt. De meeste hindoes vinden godsdienst een persoonlijke zaak en
leggen meer de nadruk op wat je doet dan op wat je gelooft (gericht op praktijk
i.p.v. leer).
In de tijd van Ghandi (1869-1948) speelde het kastenstelsel een belangrijke
rol. Hierin bestaat de samenleving verschillende lagen. Vanaf je geboorte ligt vast
of je in hoge of lage kaste thuishoort. Ghandi kwam hiertegen in opstand. Volgens
hem is in de ogen van God iedereen gelijk. O.a. door invloed van Ghandi is het
stelsel tegenwoordig officieel afgeschaft in India, maar in het denken van veel
hindoes speelt het kastenstelsel nog steeds een belangrijke rol.
Drie groepen (hindoes in NL):
- mensen rechtstreeks uit India en Pakistan die naar NL zijn gekomen en hun
tradities hebben meegenomen (voorbeeld: de Nederlandse Tamils uit Sri Lanka).
- mensen uit Suriname. In 1863 werd daar de slavernij afgeschaft. Hieraan
dreigden veel plantages ten onder te gaan en daardoor kwamen mensen uit India
als contractarbeider naar Suriname. Toen Suriname onafhankelijk werd (1975),
,kwamen veel van hen naar NL.
- autochtone Nederlands die zich aangetrokken voelen tot het hindoeïsme
(voorbeeld: Hare Krishna-beweging).
De hindoes in NL horen voor het grootste deel tot twee stromingen binnen het
hindoeïsme: de Arya Samay en de Sanatan Dharm.
Er is meer dan alleen de wereld die we om ons heen zien, een hogere
(bovennatuurlijke) werkelijkheid (transcendente werkelijkheid). Sommigen
geloven hierbij dat er een persoonlijke oppergod is die alles bestuurt (ook in tijd
van veda’s) (persoonlijke transcedente werkelijkheid). Anderen geloven dat deze
onpersoonlijk is en zien het als een soort energie, een goddelijk principe.
Spreken, denken en daden verrichten beschouwen zij als dingen die op aarde
thuishoren en in een hogere werkelijkheid bestaan die dingen niet meer.
Hindoes geloven in het bestaan van meerdere goden (een aantal komen overeen
- Shiva, maar de rest ligt aan de plaats of familie). Het is een polytheïstische
godsdienst .
Hindoes zijn niet polytheïstisch, want ze gaan er vanuit dat alle goden
terug zijn te voeren op één goddelijk principe, de Brahman. Daarnaast voelen
hindoes zich met één god meer verbonden en zien deze als een van de vele
uitdrukkingsvormen van het ene goddelijke principe.
Atman en Brahman
Brahman is een goddelijke principe waarmee alles is begonnen en de wereld uit
ontstaan is (ook de mensen). De diepste kern van een mens is Atman. Een
bekende stelling: ‘’Atman = Brahman’’, want de diepste kern van het mens-zijn is
gelijk aan de hogere werkelijkheid, dus diep in jezelf zit een goddelijke kern.
Atman is niet je ziel, maar is nog kleiner dan de ziel. Atman is de allerkleinste
kern van een mens. De ziel is voor hindoes gebonden aan persoonlijkheid, aan
een bepaald mens, Atman niet.
Het doel van het leven is dat je ervoor zorgt dat het Atman weer teruggaat
naar het Brahman, dus dat je weer één wordt met het goddelijk principe. Als dat
gebeurt, heb je de verlossing bereikt, maar hiervoor moet er wel veel gebeuren.
Karma en reïncarnatie
Hindoes geloven dat een mens na de dood opnieuw geboren wordt
(reïncarnatie). In wat voor leven je na de dood terechtkomt, hangt af van de
manier waarop je geleefd hebt.
Karma: alle daden die een mens in zijn leven verricht. Alles wat je gezegd,
gedaan en gedacht hebt (volgens hindoes). Goed karma hogere positie, slecht
karma lagere positie.
Bij de wedergeboorte word je in feite een heel nieuw persoon en alleen het
Atman wordt opnieuw geboren Atman zit gevangen in de gevangenis van het
aardse lichaam. Met dit lichaam kun je goede en slechte dingen doen en deze
dingen zijn bepalend voor de volgende gevangenis van het Atman.
Of iemand karma wel of niet goed is hangt af van hoe goed hij zich
gehouden heeft aan zijn religieuze plichten, de dharma. Deze plichten hangen
samen met de kaste waarin ze leven en de positie die ze bekleden in de
samenleving. Wie zijn leven dus richt naar de darhma, bouwt veel goed karma op
en komt in een volgend leven in een hogere kaste terug.
, Maar dit is niet het hoogste doel, want het hoogste doel is de verlossing,
de moshka. Dit houdt in dat de diepste kern niet opnieuw geboren hoeft te
worden en weer gevangen wordt, maar dat het Atman weer verenigd met het
Brahman. Om dat te bereiken, is om te zorgen dat je in je leven helemaal geen
karma meer opbouwt. Je komt dan dus niet terug in een volgend leven, maar
wordt verlost. Dit is een hele lange weg. Een manier is de karma-yoga: dat
betekent dat je alles doet wat je moet doen, maar het belangeloos doet, zonder
interesse in de gevolgen ervan. Hiermee kun je voorkomen dat je nog karma
vormt.
Kastenstelsel
Als je niet in een hogere kaste geboren kan worden, waarom zou je je dan aan de
dharma, de leer, houden kastenstelsel nog steeds belangrijk. Bij een kaste
hoorde ook altijd een specifiek beroep. De kasten zijn hiërarchisch geordend (er
zijn hogere en lagere kasten). Elke kaste heeft eigen rechten en plichten en wie
deel uitmaakt van een hogere kaste, staat over het algemeen meer in aanzien.
De kern van dit systeem wordt gevormd door het begrip reinheid. Daarbij moet
je denken aan schoon zijn, maar ook aan rituele reinheid. Dit is belangrijk op de
weg naar de verlossing. Zo reinigen hindoes zich uitgebreid voordat ze – thuis of
in de tempel – een ritueel voltrekken. Daarbij gaat het om een reinheid die
verandert: na de reiniging is iemand rein. Daarnaast heeft elke kaste een eigen
mate van reinheid (hogere kasten meest rein).
Een slager doet onrein werk. Mensen uit hogere kasten mogen dit beroep
niet uitoefenen, want dan zouden ze te veel onreinheid over zich afroepen. De
onreinheid die mensen hebben door hun kaste, kunnen ze ook overdragen op een
ander. Iemand uit hogere kaste zal daarom nooit iemand uit een lagere kaste
aanraken of eten van hem aannemen. Anders moeten weer allerlei rituelen
plaatsvinden voordat hij of zij weer rein is.
Er zijn duizenden verschillende kasten, maar deze zijn te verdelen in vier
verschillende groepen, de standen:
1. Priesters (Brahmanen): Hebben een hoge mate van reinheid en staan vaak in
hoog aanzien. Door hun reinheid zijn er veel dingen die ze niet mogen; ze worden
snel verontreinigd.
2. Adel of krijgers
3. Kooplieden
4. Mensen met een veel minder sterke mate van reinheid: doen vaak werk dat
voor mensen uit hogere standen te verontreinigend is, zoals werk met de dood,
met vlees en met vuil.
De priesters, krijgers en kooplieden worden ook wel dvija’s genoemd: tweemaal
geborenen. Deze standen hebben een behoorlijk hoge mate van reinheid. Alleen
4e stand niet tweemaal geboren.
Je hebt ook nog een groep kastelozen (outcasts). Deze mensen worden
i.v.m. hun reinheid ook wel onaanraakbaren of paria’s genoemd. Zij staan
helemaal onderaan de maatschappelijke ladder. Mahatma Gandi heeft zich sterk
ingezet voor het lot van deze mensen en noemde ze de ‘kinderen van God’.