College 1 – Ontwikkeling en motoriek
Meerkeuzevragen
1. Wat wordt bedoeld met ‘motorische ontwikkeling’?
A. Het leren van nieuwe denkstructuren
B. Een omkeerbaar proces van fysieke groei
C. Het vermogen om te bewegen en vaardigheden passend bij een leeftijd te ontwikkelen
D. Het ontwikkelen van sociale relaties
2. Welke hersenstructuur is verantwoordelijk voor het plannen van bewegingen?
A. Basale ganglia
B. Cerebellum
C. Prefrontale cortex
D. Posterior pariëtale cortex
3. Wat is een belangrijk verschil tussen leren en ontwikkeling?
A. Ontwikkeling is omkeerbaar; leren niet
B. Leren gaat over het leren van vaardigheden, ontwikkeling niet
C. Ontwikkeling is relatief permanent en onomkeerbaar, leren niet
D. Leren gaat alleen over fysieke groei
4. Wat is een kenmerk van de preadapted periode in de motorische ontwikkeling?
A. Reflexieve bewegingen
B. Doelbewuste bewegingen zoals grijpen en pakken
C. Contextspecifieke vaardigheden
D. Efficiënte en adaptieve bewegingen
5. Welke categorie behoort tot fundamentele motorische vaardigheden?
A. Sociale interacties
B. Locomotorische bewegingen
C. Cognitieve denkprocessen
D. Visuele perceptie
6. Wat is een nadeel van het piramidemodel in vergelijking met de motorische berg?
A. Het model kent geen vaardigheidsdrempel
B. Het model suggereert dat iedereen het expertniveau moet bereiken
C. Het model bevat geen variatie in individuele vaardigheden
D. Het model legt te veel nadruk op spontane bewegingen
7. Wat is een belangrijk aspect van physical literacy?
A. Het behalen van een hoog academisch niveau
B. Positieve houding ten opzichte van sport en bewegen
C. Het leren van een nieuwe taal
D. Het ontwikkelen van cognitieve vaardigheden
,8. Welke fase komt na de ‘fundamental motor patterns’ periode in de motorische berg?
A. Reflexieve periode
B. Contextspecifieke periode
C. Skillful periode
D. Preadapted periode
9. Wat wordt bedoeld met ‘fine motor’ vaardigheden?
A. Balans en coördinatie
B. Gebruik van grote spieren, zoals bij fietsen
C. Gebruik van kleine spieren, zoals bij schrijven
D. Het uitvoeren van complexe sportvaardigheden
10. Wat is een mogelijke oorzaak van een afname in motorische ontwikkeling bij kinderen?
A. Een toename in fysieke activiteit
B. Het verminderen van bewegingsonderwijs
C. Het gebruik van geavanceerde technologieën zoals VICON-systemen
D. Een betere balans tussen schoolse en motorische vaardigheden
,Open vragen
1. Beschrijf het verschil tussen de piramide en de berg van motorische ontwikkeling. Wat zijn
de voor- en nadelen van beide modellen?
2. Hoe beïnvloedt motorische ontwikkeling de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling
van kinderen? Geef concrete voorbeelden.
3. Leg het concept ‘physical literacy’ uit en beschrijf hoe dit in de kindertijd kan bijdragen aan
een betere ontwikkeling op latere leeftijd.
4. In welke mate beïnvloeden externe factoren, zoals bewegingsonderwijs en sociaal-
economische status, de motorische ontwikkeling bij kinderen? Gebruik voorbeelden om je
antwoord te onderbouwen.
5. Analyseer de rol van de prefrontale cortex en de posterior pariëtale cortex in de planning en
uitvoering van bewegingen. Hoe zouden beschadigingen aan deze hersengebieden de
motoriek beïnvloeden?
6. Beschrijf hoe de ziekte van Parkinson de motoriek beïnvloedt en leg uit welke
hersenstructuren hierbij betrokken zijn. Hoe kunnen deze kennis bijdragen aan
behandelingen?
7. Vergelijk de ‘reflexive period’ en de ‘skillful period’ in de motorische berg. Hoe dragen deze
fasen bij aan de ontwikkeling van motorische vaardigheden?
8. Hoe kan technologie, zoals het VICON-systeem, bijdragen aan het bestuderen en
verbeteren van motorische ontwikkeling? Geef een kritisch perspectief.
9. Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen grove motoriek (gross motor skills) en fijne
motoriek (fine motor skills)? Geef voorbeelden van activiteiten waarbij deze typen motoriek
essentieel zijn.
10. Wat zijn de implicaties van een verminderde focus op bewegingsonderwijs in het onderwijs
op lange termijn? Beschrijf mogelijke maatschappelijke en individuele gevolgen.
, Antwoorden meerkeuzevragen
1. Wat wordt bedoeld met ‘motorische ontwikkeling’?
A. Het leren van nieuwe denkstructuren
B. Een omkeerbaar proces van fysieke groei
C. Het vermogen om te bewegen en vaardigheden passend bij een leeftijd te ontwikkelen
D. Het ontwikkelen van sociale relaties
Het juiste antwoord is C. Motorische ontwikkeling verwijst naar het proces waarbij kinderen
leren bewegen en vaardigheden ontwikkelen die geschikt zijn voor hun leeftijd. Het omvat
het bereiken van motorische mijlpalen, zoals leren kruipen, lopen en fijne motorische
controle.
Waarom niet A?
Het leren van nieuwe denkstructuren valt onder cognitieve ontwikkeling, niet motorische
ontwikkeling. Het heeft meer te maken met het denken en probleemoplossing dan met
fysieke beweging.
Waarom niet B?
Motorische ontwikkeling is geen omkeerbaar proces. Het is een onomkeerbare groei, omdat
kinderen hun motorische vaardigheden verder verfijnen en uitbreiden zonder terug te keren
naar een eerdere fase.
Waarom niet D?
Hoewel sociale relaties indirect beïnvloed worden door motorische vaardigheden, behoren
ze tot de sociaal-emotionele ontwikkeling, niet tot motorische ontwikkeling.
2. Welke hersenstructuur is verantwoordelijk voor het plannen van bewegingen?
A. Basale ganglia
B. Cerebellum
C. Prefrontale cortex
D. Posterior pariëtale cortex
Het juiste antwoord is C. De prefrontale cortex speelt een centrale rol in het plannen van
bewegingen en het stellen van doelen. Het is het deel van de hersenen dat beslissingen
maakt over welke bewegingen uitgevoerd moeten worden.
Waarom niet A?
De basale ganglia zijn betrokken bij het reguleren en remmen van bewegingen, maar ze zijn
niet verantwoordelijk voor de planning.
Waarom niet B?
Het cerebellum is essentieel voor de timing en coördinatie van bewegingen, maar het plant
de bewegingen niet.
Waarom niet D?
De posterior pariëtale cortex integreert sensorische input om bewegingen nauwkeurig uit te
voeren, maar het plant de bewegingen niet.
Meerkeuzevragen
1. Wat wordt bedoeld met ‘motorische ontwikkeling’?
A. Het leren van nieuwe denkstructuren
B. Een omkeerbaar proces van fysieke groei
C. Het vermogen om te bewegen en vaardigheden passend bij een leeftijd te ontwikkelen
D. Het ontwikkelen van sociale relaties
2. Welke hersenstructuur is verantwoordelijk voor het plannen van bewegingen?
A. Basale ganglia
B. Cerebellum
C. Prefrontale cortex
D. Posterior pariëtale cortex
3. Wat is een belangrijk verschil tussen leren en ontwikkeling?
A. Ontwikkeling is omkeerbaar; leren niet
B. Leren gaat over het leren van vaardigheden, ontwikkeling niet
C. Ontwikkeling is relatief permanent en onomkeerbaar, leren niet
D. Leren gaat alleen over fysieke groei
4. Wat is een kenmerk van de preadapted periode in de motorische ontwikkeling?
A. Reflexieve bewegingen
B. Doelbewuste bewegingen zoals grijpen en pakken
C. Contextspecifieke vaardigheden
D. Efficiënte en adaptieve bewegingen
5. Welke categorie behoort tot fundamentele motorische vaardigheden?
A. Sociale interacties
B. Locomotorische bewegingen
C. Cognitieve denkprocessen
D. Visuele perceptie
6. Wat is een nadeel van het piramidemodel in vergelijking met de motorische berg?
A. Het model kent geen vaardigheidsdrempel
B. Het model suggereert dat iedereen het expertniveau moet bereiken
C. Het model bevat geen variatie in individuele vaardigheden
D. Het model legt te veel nadruk op spontane bewegingen
7. Wat is een belangrijk aspect van physical literacy?
A. Het behalen van een hoog academisch niveau
B. Positieve houding ten opzichte van sport en bewegen
C. Het leren van een nieuwe taal
D. Het ontwikkelen van cognitieve vaardigheden
,8. Welke fase komt na de ‘fundamental motor patterns’ periode in de motorische berg?
A. Reflexieve periode
B. Contextspecifieke periode
C. Skillful periode
D. Preadapted periode
9. Wat wordt bedoeld met ‘fine motor’ vaardigheden?
A. Balans en coördinatie
B. Gebruik van grote spieren, zoals bij fietsen
C. Gebruik van kleine spieren, zoals bij schrijven
D. Het uitvoeren van complexe sportvaardigheden
10. Wat is een mogelijke oorzaak van een afname in motorische ontwikkeling bij kinderen?
A. Een toename in fysieke activiteit
B. Het verminderen van bewegingsonderwijs
C. Het gebruik van geavanceerde technologieën zoals VICON-systemen
D. Een betere balans tussen schoolse en motorische vaardigheden
,Open vragen
1. Beschrijf het verschil tussen de piramide en de berg van motorische ontwikkeling. Wat zijn
de voor- en nadelen van beide modellen?
2. Hoe beïnvloedt motorische ontwikkeling de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling
van kinderen? Geef concrete voorbeelden.
3. Leg het concept ‘physical literacy’ uit en beschrijf hoe dit in de kindertijd kan bijdragen aan
een betere ontwikkeling op latere leeftijd.
4. In welke mate beïnvloeden externe factoren, zoals bewegingsonderwijs en sociaal-
economische status, de motorische ontwikkeling bij kinderen? Gebruik voorbeelden om je
antwoord te onderbouwen.
5. Analyseer de rol van de prefrontale cortex en de posterior pariëtale cortex in de planning en
uitvoering van bewegingen. Hoe zouden beschadigingen aan deze hersengebieden de
motoriek beïnvloeden?
6. Beschrijf hoe de ziekte van Parkinson de motoriek beïnvloedt en leg uit welke
hersenstructuren hierbij betrokken zijn. Hoe kunnen deze kennis bijdragen aan
behandelingen?
7. Vergelijk de ‘reflexive period’ en de ‘skillful period’ in de motorische berg. Hoe dragen deze
fasen bij aan de ontwikkeling van motorische vaardigheden?
8. Hoe kan technologie, zoals het VICON-systeem, bijdragen aan het bestuderen en
verbeteren van motorische ontwikkeling? Geef een kritisch perspectief.
9. Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen grove motoriek (gross motor skills) en fijne
motoriek (fine motor skills)? Geef voorbeelden van activiteiten waarbij deze typen motoriek
essentieel zijn.
10. Wat zijn de implicaties van een verminderde focus op bewegingsonderwijs in het onderwijs
op lange termijn? Beschrijf mogelijke maatschappelijke en individuele gevolgen.
, Antwoorden meerkeuzevragen
1. Wat wordt bedoeld met ‘motorische ontwikkeling’?
A. Het leren van nieuwe denkstructuren
B. Een omkeerbaar proces van fysieke groei
C. Het vermogen om te bewegen en vaardigheden passend bij een leeftijd te ontwikkelen
D. Het ontwikkelen van sociale relaties
Het juiste antwoord is C. Motorische ontwikkeling verwijst naar het proces waarbij kinderen
leren bewegen en vaardigheden ontwikkelen die geschikt zijn voor hun leeftijd. Het omvat
het bereiken van motorische mijlpalen, zoals leren kruipen, lopen en fijne motorische
controle.
Waarom niet A?
Het leren van nieuwe denkstructuren valt onder cognitieve ontwikkeling, niet motorische
ontwikkeling. Het heeft meer te maken met het denken en probleemoplossing dan met
fysieke beweging.
Waarom niet B?
Motorische ontwikkeling is geen omkeerbaar proces. Het is een onomkeerbare groei, omdat
kinderen hun motorische vaardigheden verder verfijnen en uitbreiden zonder terug te keren
naar een eerdere fase.
Waarom niet D?
Hoewel sociale relaties indirect beïnvloed worden door motorische vaardigheden, behoren
ze tot de sociaal-emotionele ontwikkeling, niet tot motorische ontwikkeling.
2. Welke hersenstructuur is verantwoordelijk voor het plannen van bewegingen?
A. Basale ganglia
B. Cerebellum
C. Prefrontale cortex
D. Posterior pariëtale cortex
Het juiste antwoord is C. De prefrontale cortex speelt een centrale rol in het plannen van
bewegingen en het stellen van doelen. Het is het deel van de hersenen dat beslissingen
maakt over welke bewegingen uitgevoerd moeten worden.
Waarom niet A?
De basale ganglia zijn betrokken bij het reguleren en remmen van bewegingen, maar ze zijn
niet verantwoordelijk voor de planning.
Waarom niet B?
Het cerebellum is essentieel voor de timing en coördinatie van bewegingen, maar het plant
de bewegingen niet.
Waarom niet D?
De posterior pariëtale cortex integreert sensorische input om bewegingen nauwkeurig uit te
voeren, maar het plant de bewegingen niet.