Leerdoelen week: 3
Hoorcollege 8: medicatie en bewegen
De student:
kent de definitie van Farmacodynamiek en Farmacokinetiek
Farmacodynamiek: Dit verwijst naar wat een geneesmiddel doet met het
lichaam. Het beschrijft de effecten van het geneesmiddel, zoals de
werking op receptoren, enzymen en cellen, en hoe deze reacties leiden tot
therapeutische of soms ongewenste effecten
Farmacokinetiek: Dit gaat over wat het lichaam doet met een
geneesmiddel. Het beschrijft de processen van absorptie, distributie,
metabolisme en excretie (ADME) van het geneesmiddel. Het verklaart hoe
een geneesmiddel zich door het lichaam beweegt en verandert.
begrijpt de volgende farmacokinetische processen: Absorptie,
Distributie, Metabolisatie en Eliminatie, in combinatie met de
termen biologische beschikbaarheid, first pass effect,
distributievolume en klaring.
Absorptie: Dit proces beschrijft hoe een geneesmiddel vanuit de
toedieningsplaats (bijvoorbeeld het maagdarmkanaal) in de bloedbaan
komt.
- Biologische beschikbaarheid: Dit is het percentage van het
toegediende geneesmiddel dat onveranderd in de systemische
circulatie terechtkomt. Het wordt beïnvloed door absorptie en het
first-pass effect
First-pass effect: Wanneer een geneesmiddel via de mond wordt
ingenomen, passeert het eerst de lever voordat het de systemische
circulatie bereikt. Hierbij kan een deel van het geneesmiddel worden
gemetaboliseerd en onwerkzaam worden, wat de biologische
beschikbaarheid verlaagt.
Distributie: Dit beschrijft hoe een geneesmiddel zich vanuit de bloedbaan
verspreidt naar weefsels en organen.
- Distributievolume (Vd): Dit is een theoretische waarde die aangeeft
hoe een geneesmiddel zich verdeelt tussen het bloed en de
weefsels. Een hoog distributievolume betekent dat het
geneesmiddel voornamelijk in de weefsels wordt opgeslagen, terwijl
een laag volume aangeeft dat het vooral in de bloedbaan blijft.
Metabolisatie: Dit is het proces waarbij een geneesmiddel wordt omgezet
in metabolieten, meestal door enzymen in de lever. Dit kan leiden tot
inactieve of actieve metabolieten.
- Dit proces speelt een belangrijke rol in de klaring, omdat het
geneesmiddel vaak eerst moet worden gemetaboliseerd voordat het
kan worden geëlimineerd.
Eliminatie: Dit omvat de verwijdering van het geneesmiddel en zijn
metabolieten uit het lichaam, voornamelijk via de nieren (urine) en lever
(gal).
, - Klaring: Dit is de snelheid waarmee een geneesmiddel uit het bloed
wordt verwijderd. Het is een maat voor de efficiëntie van eliminatie
door de nieren en de lever.
begrijpt de volgende farmacodynamische begrippen: agoneren en
antagoneren.
Agoneren: Dit verwijst naar de
werking van een agonist, een
stof die bindt aan een receptor in
het lichaam en dezelfde respons
activeert als de natuurlijke
ligand. Het "agoneren" versterkt
dus een biologische activiteit.
Voorbeeld: adrenaline die inwerkt
op bèta-receptoren om het hart
sneller te laten pompen.
Antagoneren: Dit verwijst naar de
werking van een antagonist, een
stof die bindt aan een receptor,
maar deze blokkeert zonder een
respons te activeren. Hierdoor
wordt de werking van een
agonist (of natuurlijke ligand)
verhinderd. Voorbeeld: bètablokkers remmen de werking van adrenaline
op het hart.
Kent het effect van fysiotherapeutisch handelen op de
farmacokinetiek.
- Bloedcirculatie: Bewegingstherapie of massages kunnen de
bloedcirculatie verbeteren, wat de absorptie en distributie van een
geneesmiddel kan versnellen.
- Metabolisme: Verhoogde fysieke activiteit kan de leverfunctie
stimuleren, wat mogelijk het metabolisme van bepaalde
geneesmiddelen beïnvloedt.
- Eliminatie: Door verbeterde nierdoorbloeding (als gevolg van
beweging) kan de eliminatie van sommige geneesmiddelen sneller
plaatsvinden.
- Distributie: Door veranderingen in spiermassa of lichaamsvet
(bijvoorbeeld door langdurige revalidatie) kan de verdeling van
lipofiele geneesmiddelen in het lichaam veranderen.
Weet hoe een medicatieoverzicht van een patiënt gelezen moet
worden en waar aanvullende informatie (zoals
geneesmiddelgroep, bijwerkingen en farmacodynamische
eigenschappen) te vinden is.
Hoe een medicatieoverzicht te lezen
1. Geneesmiddelenlijst: Controleer de namen van de medicijnen,
doseringen, en toedieningsfrequentie. Let op eventuele combinaties
die interacties kunnen veroorzaken.
2. Gebruikshistorie: Bekijk welke medicijnen de patiënt eerder heeft
gebruikt en of er wijzigingen zijn aangebracht.
3. Allergieën en bijwerkingen: Controleer op bekende allergieën of
bijwerkingen die eerder zijn gemeld.
, 4. Overige informatie: Noteer eventuele zelfzorgmiddelen, zoals
vitamines of homeopathische middelen, die invloed kunnen hebben
op de behandeling.
Waar aanvullende informatie te vinden is
Geneesmiddelgroep: Dit kan worden opgezocht in bronnen zoals het
Farmacotherapeutisch Kompas of de
Geneesmiddeleninformatiebank.
Bijwerkingen: Bijwerkingen worden vaak vermeld in de bijsluiter van
het geneesmiddel en kunnen ook worden geraadpleegd via het
Lareb-meldpunt.
Farmacodynamische eigenschappen: Deze informatie is te vinden in
wetenschappelijke artikelen, productinformatie van fabrikanten, of
gespecialiseerde farmacologische databases.
Kan in basis bovenstaande kennis, in combinatie met aanvullende
kennis zoals te vinden in onder andere het farmacotherapeutisch
kompas, inzetten om de invloed van medicamenten op het
fysiotherapeutisch handelen te beredeneren.
1. Begrijpen van medicatie-effecten op beweging en inspanning
Farmacodynamiek en farmacokinetiek: Door te begrijpen hoe een
geneesmiddel inwerkt op het lichaam (agonisten, antagonisten) en
hoe het lichaam omgaat met het geneesmiddel (absorptie,
distributie, metabolisme en eliminatie), kan een fysiotherapeut
voorspellen hoe medicatie het bewegingsapparaat en de inspanning
beïnvloedt.
o Bijv.: Patiënten met bètablokkers kunnen een verminderde
hartfrequentie hebben tijdens inspanning.
2. Rekening houden met interacties
Distributie en klaring: Medicatie die langzamer wordt geëlimineerd
(bijv. door nier- of leverproblemen) kan leiden tot ophoping, wat de
reactie van de patiënt beïnvloedt tijdens fysiotherapie.
o Bijv.: Spierverslapping door benzodiazepines kan de balans en
coördinatie verminderen.
3. Bewustzijn van bijwerkingen
Kennis van veelvoorkomende bijwerkingen, bijvoorbeeld door het
raadplegen van het Farmacotherapeutisch Kompas, is cruciaal. Veel
geneesmiddelen hebben effecten zoals duizeligheid, vermoeidheid
of spierzwakte, wat belangrijk is om mee te nemen in therapieën.
4. Bewuste planning van interventies
Biologische beschikbaarheid en first-pass effect: Het tijdstip waarop
medicatie wordt ingenomen kan de effectiviteit van fysiotherapie
beïnvloeden. Bijv.: Kort na inname van pijnstillers is een patiënt
mogelijk meer bereid om intensieve oefeningen te doen.
Weet in hoofdlijnen welke extra voorzorgsmaatregelen en
waarschuwingen in acht genomen dienen te worden bij een
patiënt die medicatie gebruikt.
1. Bijwerkingen herkennen
Medicatie kan bijwerkingen veroorzaken, zoals vermoeidheid,
spierzwakte, duizeligheid of verminderde coördinatie. Dit kan de
Hoorcollege 8: medicatie en bewegen
De student:
kent de definitie van Farmacodynamiek en Farmacokinetiek
Farmacodynamiek: Dit verwijst naar wat een geneesmiddel doet met het
lichaam. Het beschrijft de effecten van het geneesmiddel, zoals de
werking op receptoren, enzymen en cellen, en hoe deze reacties leiden tot
therapeutische of soms ongewenste effecten
Farmacokinetiek: Dit gaat over wat het lichaam doet met een
geneesmiddel. Het beschrijft de processen van absorptie, distributie,
metabolisme en excretie (ADME) van het geneesmiddel. Het verklaart hoe
een geneesmiddel zich door het lichaam beweegt en verandert.
begrijpt de volgende farmacokinetische processen: Absorptie,
Distributie, Metabolisatie en Eliminatie, in combinatie met de
termen biologische beschikbaarheid, first pass effect,
distributievolume en klaring.
Absorptie: Dit proces beschrijft hoe een geneesmiddel vanuit de
toedieningsplaats (bijvoorbeeld het maagdarmkanaal) in de bloedbaan
komt.
- Biologische beschikbaarheid: Dit is het percentage van het
toegediende geneesmiddel dat onveranderd in de systemische
circulatie terechtkomt. Het wordt beïnvloed door absorptie en het
first-pass effect
First-pass effect: Wanneer een geneesmiddel via de mond wordt
ingenomen, passeert het eerst de lever voordat het de systemische
circulatie bereikt. Hierbij kan een deel van het geneesmiddel worden
gemetaboliseerd en onwerkzaam worden, wat de biologische
beschikbaarheid verlaagt.
Distributie: Dit beschrijft hoe een geneesmiddel zich vanuit de bloedbaan
verspreidt naar weefsels en organen.
- Distributievolume (Vd): Dit is een theoretische waarde die aangeeft
hoe een geneesmiddel zich verdeelt tussen het bloed en de
weefsels. Een hoog distributievolume betekent dat het
geneesmiddel voornamelijk in de weefsels wordt opgeslagen, terwijl
een laag volume aangeeft dat het vooral in de bloedbaan blijft.
Metabolisatie: Dit is het proces waarbij een geneesmiddel wordt omgezet
in metabolieten, meestal door enzymen in de lever. Dit kan leiden tot
inactieve of actieve metabolieten.
- Dit proces speelt een belangrijke rol in de klaring, omdat het
geneesmiddel vaak eerst moet worden gemetaboliseerd voordat het
kan worden geëlimineerd.
Eliminatie: Dit omvat de verwijdering van het geneesmiddel en zijn
metabolieten uit het lichaam, voornamelijk via de nieren (urine) en lever
(gal).
, - Klaring: Dit is de snelheid waarmee een geneesmiddel uit het bloed
wordt verwijderd. Het is een maat voor de efficiëntie van eliminatie
door de nieren en de lever.
begrijpt de volgende farmacodynamische begrippen: agoneren en
antagoneren.
Agoneren: Dit verwijst naar de
werking van een agonist, een
stof die bindt aan een receptor in
het lichaam en dezelfde respons
activeert als de natuurlijke
ligand. Het "agoneren" versterkt
dus een biologische activiteit.
Voorbeeld: adrenaline die inwerkt
op bèta-receptoren om het hart
sneller te laten pompen.
Antagoneren: Dit verwijst naar de
werking van een antagonist, een
stof die bindt aan een receptor,
maar deze blokkeert zonder een
respons te activeren. Hierdoor
wordt de werking van een
agonist (of natuurlijke ligand)
verhinderd. Voorbeeld: bètablokkers remmen de werking van adrenaline
op het hart.
Kent het effect van fysiotherapeutisch handelen op de
farmacokinetiek.
- Bloedcirculatie: Bewegingstherapie of massages kunnen de
bloedcirculatie verbeteren, wat de absorptie en distributie van een
geneesmiddel kan versnellen.
- Metabolisme: Verhoogde fysieke activiteit kan de leverfunctie
stimuleren, wat mogelijk het metabolisme van bepaalde
geneesmiddelen beïnvloedt.
- Eliminatie: Door verbeterde nierdoorbloeding (als gevolg van
beweging) kan de eliminatie van sommige geneesmiddelen sneller
plaatsvinden.
- Distributie: Door veranderingen in spiermassa of lichaamsvet
(bijvoorbeeld door langdurige revalidatie) kan de verdeling van
lipofiele geneesmiddelen in het lichaam veranderen.
Weet hoe een medicatieoverzicht van een patiënt gelezen moet
worden en waar aanvullende informatie (zoals
geneesmiddelgroep, bijwerkingen en farmacodynamische
eigenschappen) te vinden is.
Hoe een medicatieoverzicht te lezen
1. Geneesmiddelenlijst: Controleer de namen van de medicijnen,
doseringen, en toedieningsfrequentie. Let op eventuele combinaties
die interacties kunnen veroorzaken.
2. Gebruikshistorie: Bekijk welke medicijnen de patiënt eerder heeft
gebruikt en of er wijzigingen zijn aangebracht.
3. Allergieën en bijwerkingen: Controleer op bekende allergieën of
bijwerkingen die eerder zijn gemeld.
, 4. Overige informatie: Noteer eventuele zelfzorgmiddelen, zoals
vitamines of homeopathische middelen, die invloed kunnen hebben
op de behandeling.
Waar aanvullende informatie te vinden is
Geneesmiddelgroep: Dit kan worden opgezocht in bronnen zoals het
Farmacotherapeutisch Kompas of de
Geneesmiddeleninformatiebank.
Bijwerkingen: Bijwerkingen worden vaak vermeld in de bijsluiter van
het geneesmiddel en kunnen ook worden geraadpleegd via het
Lareb-meldpunt.
Farmacodynamische eigenschappen: Deze informatie is te vinden in
wetenschappelijke artikelen, productinformatie van fabrikanten, of
gespecialiseerde farmacologische databases.
Kan in basis bovenstaande kennis, in combinatie met aanvullende
kennis zoals te vinden in onder andere het farmacotherapeutisch
kompas, inzetten om de invloed van medicamenten op het
fysiotherapeutisch handelen te beredeneren.
1. Begrijpen van medicatie-effecten op beweging en inspanning
Farmacodynamiek en farmacokinetiek: Door te begrijpen hoe een
geneesmiddel inwerkt op het lichaam (agonisten, antagonisten) en
hoe het lichaam omgaat met het geneesmiddel (absorptie,
distributie, metabolisme en eliminatie), kan een fysiotherapeut
voorspellen hoe medicatie het bewegingsapparaat en de inspanning
beïnvloedt.
o Bijv.: Patiënten met bètablokkers kunnen een verminderde
hartfrequentie hebben tijdens inspanning.
2. Rekening houden met interacties
Distributie en klaring: Medicatie die langzamer wordt geëlimineerd
(bijv. door nier- of leverproblemen) kan leiden tot ophoping, wat de
reactie van de patiënt beïnvloedt tijdens fysiotherapie.
o Bijv.: Spierverslapping door benzodiazepines kan de balans en
coördinatie verminderen.
3. Bewustzijn van bijwerkingen
Kennis van veelvoorkomende bijwerkingen, bijvoorbeeld door het
raadplegen van het Farmacotherapeutisch Kompas, is cruciaal. Veel
geneesmiddelen hebben effecten zoals duizeligheid, vermoeidheid
of spierzwakte, wat belangrijk is om mee te nemen in therapieën.
4. Bewuste planning van interventies
Biologische beschikbaarheid en first-pass effect: Het tijdstip waarop
medicatie wordt ingenomen kan de effectiviteit van fysiotherapie
beïnvloeden. Bijv.: Kort na inname van pijnstillers is een patiënt
mogelijk meer bereid om intensieve oefeningen te doen.
Weet in hoofdlijnen welke extra voorzorgsmaatregelen en
waarschuwingen in acht genomen dienen te worden bij een
patiënt die medicatie gebruikt.
1. Bijwerkingen herkennen
Medicatie kan bijwerkingen veroorzaken, zoals vermoeidheid,
spierzwakte, duizeligheid of verminderde coördinatie. Dit kan de