Werkcollege 3
Opdracht 1
In de nacht van 1 op 2 juni 2022 is tijdens een hevige storm de dakbedekking van een pakhuis van
Komijn, een groothandel in kaas, gedeeltelijk (namelijk over ruim 40% van het totale dakoppervlak)
losgewaaid. Zodra Komijn de daardoor ontstane ravage in ogenschouw heeft genomen, laat hij
noodvoorzieningen treffen door het in de nabijheid gevestigde aannemersbedrijf Troffel. Weliswaar
kon door dit alerte optreden een deel van de opgeslagen kazen nog worden gered, maar ruim 30%
van de kazen was toen reeds zodanig beschadigd dat deze kazen onverkoopbaar waren. Aangezien de
weersomstandigheden nog enkele dagen onstuimig bleven, kon het dak pas na een week definitief
worden hersteld. Komijn heeft dit dakherstel niet laten uitvoeren door aannemer Hamer, die het
pakhuis twee jaar daarvoor in opdracht van Komijn had gebouwd, maar door Troffel.
Komijn meldt de gebrekkige dakbedekking vervolgens wel bij Hamer en spreekt Hamer aan tot
vergoeding van zijn schade (bestaande in de onverkoopbare kazen en het herstel van het dak). Hij
baseert zijn vordering op een toerekenbare tekortkoming van Hamer. Komijn onderbouwt deze
grondslag met een deskundigenonderzoek, uitgevoerd door ingenieursbureau Scherpoog. Uit dit
onderzoek blijkt dat de dakbedekking gedeeltelijk onvoldoende was verkleefd op de onderliggende
isolatiepanelen. Voorts stelt Scherpoog vast dat de voor het werk gebruikte kleefpasta door Hamer is
betrokken van Fixit en dat deze leverancier de bestelling in twee partijen heeft afgeleverd.
Doordat Komijn een aantal brokstukken van het losgewaaide deel van de dakbedekking bewaard
heeft, kan Scherpoog deze vergelijken met monsters genomen van het onbeschadigd gebleven deel
van het dak. Hieruit blijkt dat de kleefpasta die verwerkt is in het losgewaaide dakgedeelte, in
tegenstelling tot de kleefpasta die is gebruikt in het dakdeel dat de storm heeft weerstaan, chemisch
niet goed van samenstelling is, waardoor zij onvoldoende kleefkracht heeft. Volgens Scherpoog is
deze afwijking bij de aanvoer op het werk voor Hamer visueel niet waarneembaar geweest. Zij kon
slechts aan het licht worden gebracht door een laboratoriumtest. Naar de mening van Scherpoog was
hier sprake van een verborgen gebrek dat valt terug te voeren op een incidentele fabricagefout in een
normaal gesproken deugdelijk product. De uitkomsten van het onderzoek van Scherpoog worden
door Hamer niet betwist. Hij meent dat daaruit blijkt dat hij voor de opgetreden schade niet
aansprakelijk is, nu deze valt terug te voeren op de levering van ondeugdelijk materiaal door Fixit.
Vraag 1
Is hier sprake van een toerekenbare tekortkoming aan de kant van Hamer?
Volgens art. 6:74 BW is een tekortkoming toerekenbaar wanneer de schuldenaar (Hamer) de
overeenkomst niet goed is nagekomen en dit kan worden toegerekend. Toerekening kan
plaatsvinden als de tekortkoming te wijten is aan:
- Schuld (door bijv. nalatigheid of opzettelijk handelen)
- Of op grond van de wet, een rechtshandeling of de verkeersopvattingen
Artikel 6:76 BW bepaalt dat als een schuldenaar gebruik maakt van derden (zoals Fixit voor de
levering van materialen), hij ook aansprakelijk kan zijn voor hun fouten, tenzij de fout niet aan hem
kan worden toegerekend.
, Hoewel het gebrek niet zichtbaar was en het veroorzaakt werd door ondeugdelijke kleefpasta van
Fixit, blijft Hamer in beginsel verantwoordelijk voor de materialen die hij gebruikt in zijn werk. Op
grond van artikel 6:76 BW kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de fouten van zijn
toeleverancier (Fixit), tenzij hij kan aantonen dat hij er niets aan kon doen, wat hier moeilijk lijkt te
zijn, omdat hij verantwoordelijk blijft voor het eindresultaat van de dakbedekking.
Bij deze vraag moet je alleen kijken naar de eerste 2 voorwaarden van schadevergoeding art. 6:74
BW. Er moet sprake zijn van een tekortkoming en deze moet kunnen worden toegerekend.
Er is hier sprake van een tekortkoming, want er is hier sprake van een niet-nakoming (Hamer had
een dak moeten leveren die goed vastzit dat is nu niet gebeurt) en er is sprake van opeisbaarheid
van de verbintenis (het pakhuis is 2 jaar geleden opgeleverd, en meteen opeisbaar).
Is deze tekortkoming toerekenbaar? Art. 6:75 BW. Het is toe te rekenen op grond van art. 6:77 BW,
Hamer heeft gebruik gemaakt van kleefpasta van Fixit en dit kan worden gezien als hulpzaak. De
schuldenaar die gebruikt maakt van dit hulpmiddel is aansprakelijk, tenzij tenzijclausule (kijken
naar de omstandigheden). Kan hier allebei..
Vervolg casus
Hamer voert vervolgens twee verweren tegen de aansprakelijkstelling door Komijn.
1. Allereerst verweert hij zich met de stelling dat er na de storm niet binnen bekwame tijd door
Komijn bij hem is geklaagd over de gebrekkige dakbedekking;
2. Het tweede verweer van Hamer luidt dat hij ter zake van de schade ontstaan door de
gebrekkige dakbedekking ten onrechte niet in gebreke is gesteld door Komijn.
Vraag 2
a. Wat is de wettelijke grondslag van verweer 1?
De wettelijke grondslag van verweer 1 ligt in art. 6:89 BW. Dit artikel zegt dat de
schuldeiser op gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, wanneer het niet binnen
bekwame tijd is ontdekt en aangekaart bij de schuldenaar.
b. Wat is het rechtsgevolg als verweer 1 slaagt?
Als verweer 1 slaagt, is de schuldenaar niet meer aansprakelijk. Dat betekent dat Komijn
geen schadevergoeding meer kan eisen voor de kazen en geen recht heeft op vergoeding
van de kosten voor herstel van het dak.
N.B. Over hoe een dergelijk verweer inhoudelijk te beoordelen, leert u meer in hoorcollege 4.
Vraag 3
a. Wat is de wettelijke grondslag van verweer 2?
De wettelijke grondslag van verweer 2 ligt in art. 6:82 BW. In dit artikel is de
ingebrekestelling als voorwaarde voor verzuim vastgelegd. Als Hamer niet in gebreke is
gesteld, kan hij stellen dat hij niet in verzuim is geraakt en daardoor niet aansprakelijk is
voor de schade.
b. Wat is het rechtsgevolg als verweer 2 slaagt?
Als verweer 2 slaagt, dan is Hamer (de schuldenaar) niet in verzuim geraakt en daarom
niet aansprakelijk voor de schadevergoeding van de kazen en heeft Komijn geen recht op
vergoeding van de kosten voor het herstel van het dak.
Opdracht 1
In de nacht van 1 op 2 juni 2022 is tijdens een hevige storm de dakbedekking van een pakhuis van
Komijn, een groothandel in kaas, gedeeltelijk (namelijk over ruim 40% van het totale dakoppervlak)
losgewaaid. Zodra Komijn de daardoor ontstane ravage in ogenschouw heeft genomen, laat hij
noodvoorzieningen treffen door het in de nabijheid gevestigde aannemersbedrijf Troffel. Weliswaar
kon door dit alerte optreden een deel van de opgeslagen kazen nog worden gered, maar ruim 30%
van de kazen was toen reeds zodanig beschadigd dat deze kazen onverkoopbaar waren. Aangezien de
weersomstandigheden nog enkele dagen onstuimig bleven, kon het dak pas na een week definitief
worden hersteld. Komijn heeft dit dakherstel niet laten uitvoeren door aannemer Hamer, die het
pakhuis twee jaar daarvoor in opdracht van Komijn had gebouwd, maar door Troffel.
Komijn meldt de gebrekkige dakbedekking vervolgens wel bij Hamer en spreekt Hamer aan tot
vergoeding van zijn schade (bestaande in de onverkoopbare kazen en het herstel van het dak). Hij
baseert zijn vordering op een toerekenbare tekortkoming van Hamer. Komijn onderbouwt deze
grondslag met een deskundigenonderzoek, uitgevoerd door ingenieursbureau Scherpoog. Uit dit
onderzoek blijkt dat de dakbedekking gedeeltelijk onvoldoende was verkleefd op de onderliggende
isolatiepanelen. Voorts stelt Scherpoog vast dat de voor het werk gebruikte kleefpasta door Hamer is
betrokken van Fixit en dat deze leverancier de bestelling in twee partijen heeft afgeleverd.
Doordat Komijn een aantal brokstukken van het losgewaaide deel van de dakbedekking bewaard
heeft, kan Scherpoog deze vergelijken met monsters genomen van het onbeschadigd gebleven deel
van het dak. Hieruit blijkt dat de kleefpasta die verwerkt is in het losgewaaide dakgedeelte, in
tegenstelling tot de kleefpasta die is gebruikt in het dakdeel dat de storm heeft weerstaan, chemisch
niet goed van samenstelling is, waardoor zij onvoldoende kleefkracht heeft. Volgens Scherpoog is
deze afwijking bij de aanvoer op het werk voor Hamer visueel niet waarneembaar geweest. Zij kon
slechts aan het licht worden gebracht door een laboratoriumtest. Naar de mening van Scherpoog was
hier sprake van een verborgen gebrek dat valt terug te voeren op een incidentele fabricagefout in een
normaal gesproken deugdelijk product. De uitkomsten van het onderzoek van Scherpoog worden
door Hamer niet betwist. Hij meent dat daaruit blijkt dat hij voor de opgetreden schade niet
aansprakelijk is, nu deze valt terug te voeren op de levering van ondeugdelijk materiaal door Fixit.
Vraag 1
Is hier sprake van een toerekenbare tekortkoming aan de kant van Hamer?
Volgens art. 6:74 BW is een tekortkoming toerekenbaar wanneer de schuldenaar (Hamer) de
overeenkomst niet goed is nagekomen en dit kan worden toegerekend. Toerekening kan
plaatsvinden als de tekortkoming te wijten is aan:
- Schuld (door bijv. nalatigheid of opzettelijk handelen)
- Of op grond van de wet, een rechtshandeling of de verkeersopvattingen
Artikel 6:76 BW bepaalt dat als een schuldenaar gebruik maakt van derden (zoals Fixit voor de
levering van materialen), hij ook aansprakelijk kan zijn voor hun fouten, tenzij de fout niet aan hem
kan worden toegerekend.
, Hoewel het gebrek niet zichtbaar was en het veroorzaakt werd door ondeugdelijke kleefpasta van
Fixit, blijft Hamer in beginsel verantwoordelijk voor de materialen die hij gebruikt in zijn werk. Op
grond van artikel 6:76 BW kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de fouten van zijn
toeleverancier (Fixit), tenzij hij kan aantonen dat hij er niets aan kon doen, wat hier moeilijk lijkt te
zijn, omdat hij verantwoordelijk blijft voor het eindresultaat van de dakbedekking.
Bij deze vraag moet je alleen kijken naar de eerste 2 voorwaarden van schadevergoeding art. 6:74
BW. Er moet sprake zijn van een tekortkoming en deze moet kunnen worden toegerekend.
Er is hier sprake van een tekortkoming, want er is hier sprake van een niet-nakoming (Hamer had
een dak moeten leveren die goed vastzit dat is nu niet gebeurt) en er is sprake van opeisbaarheid
van de verbintenis (het pakhuis is 2 jaar geleden opgeleverd, en meteen opeisbaar).
Is deze tekortkoming toerekenbaar? Art. 6:75 BW. Het is toe te rekenen op grond van art. 6:77 BW,
Hamer heeft gebruik gemaakt van kleefpasta van Fixit en dit kan worden gezien als hulpzaak. De
schuldenaar die gebruikt maakt van dit hulpmiddel is aansprakelijk, tenzij tenzijclausule (kijken
naar de omstandigheden). Kan hier allebei..
Vervolg casus
Hamer voert vervolgens twee verweren tegen de aansprakelijkstelling door Komijn.
1. Allereerst verweert hij zich met de stelling dat er na de storm niet binnen bekwame tijd door
Komijn bij hem is geklaagd over de gebrekkige dakbedekking;
2. Het tweede verweer van Hamer luidt dat hij ter zake van de schade ontstaan door de
gebrekkige dakbedekking ten onrechte niet in gebreke is gesteld door Komijn.
Vraag 2
a. Wat is de wettelijke grondslag van verweer 1?
De wettelijke grondslag van verweer 1 ligt in art. 6:89 BW. Dit artikel zegt dat de
schuldeiser op gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, wanneer het niet binnen
bekwame tijd is ontdekt en aangekaart bij de schuldenaar.
b. Wat is het rechtsgevolg als verweer 1 slaagt?
Als verweer 1 slaagt, is de schuldenaar niet meer aansprakelijk. Dat betekent dat Komijn
geen schadevergoeding meer kan eisen voor de kazen en geen recht heeft op vergoeding
van de kosten voor herstel van het dak.
N.B. Over hoe een dergelijk verweer inhoudelijk te beoordelen, leert u meer in hoorcollege 4.
Vraag 3
a. Wat is de wettelijke grondslag van verweer 2?
De wettelijke grondslag van verweer 2 ligt in art. 6:82 BW. In dit artikel is de
ingebrekestelling als voorwaarde voor verzuim vastgelegd. Als Hamer niet in gebreke is
gesteld, kan hij stellen dat hij niet in verzuim is geraakt en daardoor niet aansprakelijk is
voor de schade.
b. Wat is het rechtsgevolg als verweer 2 slaagt?
Als verweer 2 slaagt, dan is Hamer (de schuldenaar) niet in verzuim geraakt en daarom
niet aansprakelijk voor de schadevergoeding van de kazen en heeft Komijn geen recht op
vergoeding van de kosten voor het herstel van het dak.