Werkcollege 1 – vestiging van aansprakelijkheid en causaliteit
Opdracht 1
Ella, Mariët, Kevin en Romy gaan geregeld samen stappen. Ze gaan dan tot in de late
uurtjes door. Geen van allen heeft een groot genoeg inkomen om deze avonden te
bekostigen. Ze hebben hier echter een ’prima’ plan voor bedacht. Geregeld gaan ze in
tweetallen verkleed als verpleegkundigen langs bij hoogbejaarden. Ze kletsen zich naar
binnen met de smoes dat ze een gezondheidscheck komen doen en terwijl de een
zogenaamd de bloeddruk meet, grist de ander de portemonnee, sierraden of iets anders
waardevols mee. Elke week bespreken de vier vrienden de planning en hun tactiek. De
diefstallen komen echter aan het licht als Kees Smolders, een van de slachtoffers, aangifte
doet en een pandjesbaas zich meldt bij de politie met de zegelring van Kees omdat hij
vermoedt dat die gestolen is. Via de pandjesbaas komen ze uit bij het groepje criminele
vrienden. Kees, van wie ook 350 euro aan contanten is gestolen, stelt Mariët hiervoor
aansprakelijk. Mariët verweert zich echter door te stellen dat zij net die avond dat Kees werd
bestolen niet mee was op dievenpad, dus dat zij de schade niet heeft veroorzaakt.
Vraag 1a
Op basis van welke grondslag kan Kees Mariët aansprakelijk stellen?
Groepsaansprakelijkheid, art. 6:166 BW. Dit artikel bepaalt dat als een groep personen
door gezamenlijk onrechtmatig handelen schade veroorzaakt, ieder lid van die groep
hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige schade, tenzij hij of zij kan aantonen dat
hem of haar geen verwijt treft.
Mariët kan dus aansprakelijk worden gesteld omdat zij deel uitmaakte van de groep
die de diefstallen pleegde, zelfs als zij op de specifieke avond van de diefstal bij Kees
niet aanwezig was. Haar betrokkenheid bij de planning en uitvoering van de andere
diefstallen maakt haar mede verantwoordelijk voor de schade die is veroorzaakt door
het gezamenlijke handelen van de groep.
Groepsaansprakelijkheid, art. 6:166 BW jo. 6:162 BW. Het gaat hierom een
buitencontractuele aansprakelijkheid, daarom val je terug op de onrechtmatige daad.
Mariët handelt in strijd met de ongeschreven zorgvuldigheidsplicht van art. 6:162 BW.
Art. 6:166 BW wordt erbij genoemd omdat Mariët bij art. 6:162 BW kan aangeven dat ze
niet degene is die wat gestolen heeft. De groep is niet aansprakelijk, maar je eigen
gedrag terwijl je deelneemt aan de groep. Het gedrag van de individuele deelnemer is
aansprakelijk.
Vraag 1b
Kan Kees de schade op Mariët met succes verhalen of heeft het verweer van Mariët kans
van slagen?
Het verweer van Mariët heeft weinig kans van slagen. Kees kan zijn schade op Mariët
verhalen omdat ze deel uitmaakte van de groep die gezamenlijk onrechtmatige
handelingen pleegde, namelijk het plegen van diefstallen bij ouderen. Zelfs als Mariët
op de specifieke avond niet aanwezig was, toont haar betrokkenheid bij de planning
en uitvoering van andere diefstallen aan dat ze deel uitmaakte van de criminele groep.
Groepsaansprakelijkheid, art. 1:166 lid 1 BW, vereisten uit dit artikel:
1. Concrete gedragingen in groepsverband die schade hebben veroorzaakt. Denk
aan HR Groepsaansprakelijkheid. De daders hebben samen een plan gemaakt,
beroven vaker bejaarden en bespreken voorafgaand de tactiek. Ondanks dat
, Mariët niet aanwezig was bij het beroven wil niet zeggen dat ze niet aanwezig
was bij de besprekingen.
2. Degene die de schade rechtstreeks toebrengt moet een onrechtmatige daad
hebben begaan. (Voldoende om te bespreken waarom er sprake is van een
onrechtmatige daad, je hoeft de vereiste niet na te lopen). De diefstal is in strijd
met een wettelijke plicht en het is in strijd met de maatschappelijke
zorgvuldigheid, dus er is hier sprake van een onrechtmatige daad, art. 6:162
BW.
3. De kans op het aldus toebrengen van schade had de personen behoren te
weerhouden van de gedragingen in groepsverband. Mariët wist dat er schade
zou ontstaan, ze wist dat ze goederen zou gaan stelen. Op basis daarvan had
Mariët zich moeten distantiëren van de groep. Mariët heeft meerdere keren aan
meegedaan.
4. De gedragingen in groepsverband moeten het aangesproken lid als een
onrechtmatige daad kunnen worden toegerekend. Het stelen van de goederen
moeten als een onrechtmatige daad aan Mariët kunnen worden toegerekend.
Toerekening op basis van schuld krachtens de wet of verkeersopvattingen. Hier
is sprake van schuld, er is sprake van verwijtbaar gedrag. Ze wist dat wat ze
deden niet goed was en er schade zou kunnen ontstaan. De schade is ontstaan
door haar handelen. Art. 6:162 lid 3 BW
Hoofdelijke aansprakelijkheid, art. 6;102 BW: Kees kan alle schade verhalen op Mariët.
Hij kan ieder van de personen aanspreken voor het schadebedrag van 350 euro. Kees
hoeft nu dus maar 1 iemand aansprakelijk te stellen.
Vraag 1c
Stel dat Mariët met succes aansprakelijk gesteld kan worden. Na lang aandringen van Kees
betaalt Mariët uiteindelijk de 350 euro. Mariët richt zich tot de anderen uit de groep. Ze wil
dat zij een deel van de 350 euro teruggeven. De anderen geven aan dat zij het bedrag dat zij
hebben overgehouden aan de succesvolle beroving inmiddels al hebben uitgegeven en dat
ze haar niet meer zullen terugbetalen. Heeft het verweer van de anderen uit de groep kans
van slagen?
In deze situatie kan Mariët zich beroepen op artikel 6:10 BW. Dit artikel handelt over
interne draagplicht, wat inhoudt dat als meerdere personen hoofdelijk aansprakelijk
zijn voor een bepaalde schuld, zij onderling naar evenredigheid moeten bijdragen aan
de betaling van deze schuld. In dit geval kan Mariët, nadat zij de volledige 350 euro
aan Kees heeft betaald, de anderen uit de groep aanspreken voor hun aandeel in de
schuld. Het verweer van de anderen, dat zij het bedrag al hebben uitgegeven en haar
niet meer zullen terugbetalen, heeft weinig kans van slagen.
Het verweer heeft geen kans van slagen. Mariët kan op grond van art. 6:166 lid 2 BW
regres nemen op de andere leden van de groep. Zij kan vragen of de andere leden van
de groep een deel van de schade meebetalen. De hoofdregel is dat ieder lid een gelijk
deel draagt van de schade.
Het kan zijn dat het onbillijk is. Dan kijk je naar art. 6:102 lid 1 jo. art. 6:101 jo. 6:10 BW
Opdracht 1
Ella, Mariët, Kevin en Romy gaan geregeld samen stappen. Ze gaan dan tot in de late
uurtjes door. Geen van allen heeft een groot genoeg inkomen om deze avonden te
bekostigen. Ze hebben hier echter een ’prima’ plan voor bedacht. Geregeld gaan ze in
tweetallen verkleed als verpleegkundigen langs bij hoogbejaarden. Ze kletsen zich naar
binnen met de smoes dat ze een gezondheidscheck komen doen en terwijl de een
zogenaamd de bloeddruk meet, grist de ander de portemonnee, sierraden of iets anders
waardevols mee. Elke week bespreken de vier vrienden de planning en hun tactiek. De
diefstallen komen echter aan het licht als Kees Smolders, een van de slachtoffers, aangifte
doet en een pandjesbaas zich meldt bij de politie met de zegelring van Kees omdat hij
vermoedt dat die gestolen is. Via de pandjesbaas komen ze uit bij het groepje criminele
vrienden. Kees, van wie ook 350 euro aan contanten is gestolen, stelt Mariët hiervoor
aansprakelijk. Mariët verweert zich echter door te stellen dat zij net die avond dat Kees werd
bestolen niet mee was op dievenpad, dus dat zij de schade niet heeft veroorzaakt.
Vraag 1a
Op basis van welke grondslag kan Kees Mariët aansprakelijk stellen?
Groepsaansprakelijkheid, art. 6:166 BW. Dit artikel bepaalt dat als een groep personen
door gezamenlijk onrechtmatig handelen schade veroorzaakt, ieder lid van die groep
hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige schade, tenzij hij of zij kan aantonen dat
hem of haar geen verwijt treft.
Mariët kan dus aansprakelijk worden gesteld omdat zij deel uitmaakte van de groep
die de diefstallen pleegde, zelfs als zij op de specifieke avond van de diefstal bij Kees
niet aanwezig was. Haar betrokkenheid bij de planning en uitvoering van de andere
diefstallen maakt haar mede verantwoordelijk voor de schade die is veroorzaakt door
het gezamenlijke handelen van de groep.
Groepsaansprakelijkheid, art. 6:166 BW jo. 6:162 BW. Het gaat hierom een
buitencontractuele aansprakelijkheid, daarom val je terug op de onrechtmatige daad.
Mariët handelt in strijd met de ongeschreven zorgvuldigheidsplicht van art. 6:162 BW.
Art. 6:166 BW wordt erbij genoemd omdat Mariët bij art. 6:162 BW kan aangeven dat ze
niet degene is die wat gestolen heeft. De groep is niet aansprakelijk, maar je eigen
gedrag terwijl je deelneemt aan de groep. Het gedrag van de individuele deelnemer is
aansprakelijk.
Vraag 1b
Kan Kees de schade op Mariët met succes verhalen of heeft het verweer van Mariët kans
van slagen?
Het verweer van Mariët heeft weinig kans van slagen. Kees kan zijn schade op Mariët
verhalen omdat ze deel uitmaakte van de groep die gezamenlijk onrechtmatige
handelingen pleegde, namelijk het plegen van diefstallen bij ouderen. Zelfs als Mariët
op de specifieke avond niet aanwezig was, toont haar betrokkenheid bij de planning
en uitvoering van andere diefstallen aan dat ze deel uitmaakte van de criminele groep.
Groepsaansprakelijkheid, art. 1:166 lid 1 BW, vereisten uit dit artikel:
1. Concrete gedragingen in groepsverband die schade hebben veroorzaakt. Denk
aan HR Groepsaansprakelijkheid. De daders hebben samen een plan gemaakt,
beroven vaker bejaarden en bespreken voorafgaand de tactiek. Ondanks dat
, Mariët niet aanwezig was bij het beroven wil niet zeggen dat ze niet aanwezig
was bij de besprekingen.
2. Degene die de schade rechtstreeks toebrengt moet een onrechtmatige daad
hebben begaan. (Voldoende om te bespreken waarom er sprake is van een
onrechtmatige daad, je hoeft de vereiste niet na te lopen). De diefstal is in strijd
met een wettelijke plicht en het is in strijd met de maatschappelijke
zorgvuldigheid, dus er is hier sprake van een onrechtmatige daad, art. 6:162
BW.
3. De kans op het aldus toebrengen van schade had de personen behoren te
weerhouden van de gedragingen in groepsverband. Mariët wist dat er schade
zou ontstaan, ze wist dat ze goederen zou gaan stelen. Op basis daarvan had
Mariët zich moeten distantiëren van de groep. Mariët heeft meerdere keren aan
meegedaan.
4. De gedragingen in groepsverband moeten het aangesproken lid als een
onrechtmatige daad kunnen worden toegerekend. Het stelen van de goederen
moeten als een onrechtmatige daad aan Mariët kunnen worden toegerekend.
Toerekening op basis van schuld krachtens de wet of verkeersopvattingen. Hier
is sprake van schuld, er is sprake van verwijtbaar gedrag. Ze wist dat wat ze
deden niet goed was en er schade zou kunnen ontstaan. De schade is ontstaan
door haar handelen. Art. 6:162 lid 3 BW
Hoofdelijke aansprakelijkheid, art. 6;102 BW: Kees kan alle schade verhalen op Mariët.
Hij kan ieder van de personen aanspreken voor het schadebedrag van 350 euro. Kees
hoeft nu dus maar 1 iemand aansprakelijk te stellen.
Vraag 1c
Stel dat Mariët met succes aansprakelijk gesteld kan worden. Na lang aandringen van Kees
betaalt Mariët uiteindelijk de 350 euro. Mariët richt zich tot de anderen uit de groep. Ze wil
dat zij een deel van de 350 euro teruggeven. De anderen geven aan dat zij het bedrag dat zij
hebben overgehouden aan de succesvolle beroving inmiddels al hebben uitgegeven en dat
ze haar niet meer zullen terugbetalen. Heeft het verweer van de anderen uit de groep kans
van slagen?
In deze situatie kan Mariët zich beroepen op artikel 6:10 BW. Dit artikel handelt over
interne draagplicht, wat inhoudt dat als meerdere personen hoofdelijk aansprakelijk
zijn voor een bepaalde schuld, zij onderling naar evenredigheid moeten bijdragen aan
de betaling van deze schuld. In dit geval kan Mariët, nadat zij de volledige 350 euro
aan Kees heeft betaald, de anderen uit de groep aanspreken voor hun aandeel in de
schuld. Het verweer van de anderen, dat zij het bedrag al hebben uitgegeven en haar
niet meer zullen terugbetalen, heeft weinig kans van slagen.
Het verweer heeft geen kans van slagen. Mariët kan op grond van art. 6:166 lid 2 BW
regres nemen op de andere leden van de groep. Zij kan vragen of de andere leden van
de groep een deel van de schade meebetalen. De hoofdregel is dat ieder lid een gelijk
deel draagt van de schade.
Het kan zijn dat het onbillijk is. Dan kijk je naar art. 6:102 lid 1 jo. art. 6:101 jo. 6:10 BW