met de sociologie (15e editie)
Sociologie : opleiding HBO sociaal werk
H1, H2, H3, H7, H8, H11, H13, H14, H15, H18
Samenvatting van Jada de Meijer
1
,Inhoudsopgave
H1 + H2:................................................................................................................................................................3
H1 – wat is sociologie...........................................................................................................................................6
H2: sociologische theorieën en methoden...........................................................................................................7
H3: cultuur............................................................................................................................................................9
H7 – economie, verzorgingsstaat en politiek.....................................................................................................13
H8 – sociale stratificatie.....................................................................................................................................18
H11 – deviant gedrag.........................................................................................................................................21
H13 – zorg en gezondheid (+ onderwijs)............................................................................................................24
H13 – onderwijs..................................................................................................................................................25
H14 – seksualiteit...............................................................................................................................................26
H15 – gezin en familie........................................................................................................................................27
H18 – sociale verandering: moderne en postmoderne samenlevingen.............................................................30
2
,H1 + H2:
Sociologie: bestuderen en onderzoeken van de samenleving
- Onderzoeken, beschrijven en verklaren van de manier waarop mensen samenleven.
- Niet alleen om cijfers, maar ook het verhaal erachter.
- Alles wat er in de samenleving gebeurt, roept bij een socioloog vragen op.
Sociologie en social work:
- Beseffen dat jij zelf al op een bepaalde manier de samenleving beziet.
- Het kunnen herkennen en begrijpen van andere denkwijzen.
- Het kunnen herkennen van fenomenen in de samenleving en verandering signaleren.
- Het kunnen herkennen van symbolen in gedrag (van groepen) en de achterliggende
cultuur kunnen begrijpen.
Sociologische verbeelding (voorstellingsvermogen): persoonlijke problemen zien we niet als
het probleem van een individu, maar als een probleem van de samenleving.
- Bewust worden van hoe de samenleving werkt.
- Manier van denken en manier van doen.
- Kritisch bekijken wat als vanzelfsprekend aangenomen wordt.
Drie grondleggers van sociologie:
- Karl Marx (1818-1883):
o Sociale veranderingen door economische conflicten die ongelijkheden
produceren.
o Hij zag dat er twee klassen ontstonden: rijkere (bourgeoisie: bezitten
fabrieken, land etc) en armere (bezitten niks, arbeiders etc).
o Volgens Marx zou er een revolutie komen, omdat arbeiders in de gaten
kregen dat ze werden uitgebuit.
- Émile Durkheim (1858-1917):
o Sociale veranderingen resulteren in verschillende onderliggende bindingen
tussen mensen (samenleven en solidariteit).
o In een traditionele samenleving had je een landheer en boeren die het land
bewerkten. Hierdoor krijg je samenleving die gebaseerd is op een
mechanische solidariteit was volgens hem niet positief leidde tot een
organische solidariteit (iedereen doet iets anders en worden daarom
afhankelijk van elkaar betere verbinding tussen mensen).
o Risico: anomalie er zijn geen waarden meer en iedereen kiest voor zichzelf.
- Max Weber (1864-1920):
o Sociale veranderingen door proces van rationalisering (manier van denken).
o Efficiëntie staat voorop, grotere bureaucratie (alles moet worden
opgeschreven, dezelfde regels voor iedereen etc.) het wordt een
onpersoonlijke samenleving. Alleen maar bezig met de eigen winst.
o Er ontstaat een vervreemding (moderne samenleving is volgens hem dus niet
leuk).
Drie hoofdvragen voor moderne samenleving:
- Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk? Marx
- Hoe is sociale (wan)orde mogelijk? Durkheim
- Hoe werkt het proces van rationalisering (modernisering) van de wereld? Weber
3
, Vier hoofdbenaderingen van sociologie:
- Conflictsociologie (Marx).
- Structureel functionalisme (Durkheim)
- Symbolisch interactionisme (weber)
- Rationele keuzebenadering
Structureel functionalisme (Durkheim): gaat over sociale functies
- Ziet samenleving als afhankelijke delen (instituten), die relatief stabiel gebaseerd zijn
op gedeelde consensus over wat moreel wenselijk is.
- Elk onderdeel heeft een functie voor de werking van de samenleving als geheel
(vergelijk lichaam).
o Alles moet goed werken, om de samenleving te laten functioneren.
- Belangrijke denkers: Durkheim, Comté, Spencer, Parson, Merton.
- Functioneel geheel:
o Kernbegrippen: sociale structuur, sociale functies en instituten.
- Merton: manifeste, latente en disfuncties.
o Manifeste: onderkende en beoogde gevolgen van een sociaal patroon.
Vb: leger bedoelt om bescherming te bieden.
o Latente: niet-onderkende en niet-bedoelde gevolgen van een sociaal patroon.
Vb: leger vriendschappen onderling opbouwen en hechte banden
krijgen (het is dus niet de bedoeling van het leger, maar het gebeurt
wel).
o Disfuncties: sociaal patroon dat het functioneren van de samenleving kan
verstoren.
Vb: leger vriendschappen worden te hecht en vinden dat de
maatschappij moet veranderen, ze komen in opstand.
- Kritiek:
o Weinig aandacht voor conflict, verandering en ontwikkeling
o Samenlevingen niet geordend en stabiel.
o Bestendigt de status quo
o Macroniveau
Conflictsociologie (Marx): gaat over sociale verschillen
- Sociale ongelijkheden zijn kenmerkend voor de samenleving.
- De samenleving biedt sommige groepen meer voordelen dan andere.
- Maatschappelijke verhoudingen zijn resultante van een voortdurende strijd tussen
partijen: soms openlijk, dan weer bedekt.
- Belangrijke denkers: Marx, C. Wright Mills.
- Arena van ongelijkheid/strijdtoneel
o Kernbegrippen: sociale ongelijkheid, stratificatie, macht en strijd.
- Sociale klasse, sekse/gender, ras/etniciteit, leeftijd
- Spanningen en conflict resulteren in verandering.
- Ingrijpen in sociale werkelijkheid.
- Conflictsociologen willen de samenleving veranderen.
- Kritiek:
o Weinig aandacht voor gedeelde waarden en normen en afhankelijkheden die
eenheid generen.
4