Positieve Gezondheid = Positieve Gezondheid is een bredere kijk op gezondheid, uitgewerkt in zes
dimensies. Met die bredere benadering draag je bij aan het vermogen van mensen om met de fysieke,
emotionele en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. Én om zo veel mogelijk eigen regie te voeren.
6 dimensies positieve gezondheid:
1. Lichaamsfunctie: Je gezond voelen, klachten en pijn, conditie, fitheid, bewegen.
2. Mentaal welbevinden: Onthouden, concentreren, communiceren, jezelf accepteren.
3. Zingeving: Zinvol leven, levenslust, vertrouwen hebben, idealen willen bereiken.
4. Kwaliteit van leven: Genieten, gelukkig zijn, rondkomen met je geld, lekker in je vel zitten.
5. Meedoen: Sociale contacten, steun van anderen, erbij horen, zinvolle dingen doen.
6. Dagelijks functioneren: Zorgen voor jezelf, kennis en gezondheid, werken.
Competentiegebieden (CanMEDS-rollen):
1. De zorgverlener = Je onderzoekt welke vragen en problemen een zorgvrager heeft en wat hij of zij
zelf nog kan. Je stelt vast welke verpleegkundige zorg nodig is. daarnaast ben je bevoegd om het
verpleegkundige proces in de richten en vorm te geven in samenwerking met andere
zorgprofessionals.
2. De communicator = Je geeft de zorgvragen informatie over zijn/haar ziekteproces. Je houdt
rekening met culturele achtergrond, taalbeheersing, begripsniveau en draagkracht van de
zorgvrager diens naasten. ‘Communiceren op maat’ staat hierbij centraal. Je past technologische
zorgondersteuning toe en biedt zorg op afstand als aanvulling op het persoonlijk contact met de
zorgvrager.
3. De samenwerkingspartner = Je werkt samen met de zorgvrager diens naasten, en andere
disciplines. Je bent er op gericht dar alle betrokkenen over de juiste informatie beschikken zodat de
zorg optimaal kan plaatsvinden.
4. De reflectieve EBP-professional = Je gaat opzoek naar de best beschikbare onderbouwing van je
handelen, deze kennis pas je toe in de praktijk. Je werkt mee in onderzoek van specialisten en
onderzoekers. Je werk permanent aan de ontwikkeling van je eigen deskundigheid en die van je
collega’s.
5. De gezondheidsbevorderaar = In de maatschappij verschuift de aandacht van ‘zorg en ziekte’ naar
‘gedrag en gezondheid’. Je bent meer en meer bezig met het bevorderen van de gezondheid van
mensen waarbij de wens van de zorgvrager centraal staat.
6. De organisator = Als verpleegkundige kun je werkzaam zijn in uiteenlopende organisaties: grote
ziekenhuizen, kleinschalige teams of als zelfstandig beroepsbeoefenaar. Wat je toekomstige
werkveld ook zal zijn, je hebt een coördinerende rol rond de zorgvragers binnen jouw organisatie.
Je bent actief bij het bevorderen van de patiëntveiligheid en hebt een leidende rol bij
veranderingen.
7. De kwaliteitsbevorderaar = Je levert zorg die past binnen de geldende wet- en regelgeving. Je
onderzoekt of de zorg die je verleent aan alle kwaliteitseisen voldoet. Waar nodig zorg je ervoor dat
de kwaliteit wordt verbeterd. Daarbij vind je het een uitdaging om met mensen te werken en heb je
aandacht voor ieder uniek individu.
WLZ = Wet langdurige zorg → voor langdurige intensieve zorg.
Wordt ingezet op indicatie door ciz.
─ Chronisch zieke, kwetsbare ouderen, ernstige geestelijke/lichamelijke beperking.
WMO = Wet maatschappelijke ondersteuning ( aanvraag loopt via gemeente ).
Doel: Burgers helpen, zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen wonen en deel kunnen
nemen aan de maatschappij.
ZVW = Zorgverzekeringswet. Regelt de verplichte basisverzekering voor verzekerde.
Gericht op behandelen en genezen.
,Verschillende soorten verpleegkundige visies:
Behoefte gestuurde zorg = De behoefte van de cliënt wordt als uitgangspunt genomen voor de zorg.
Vraaggerichte zorg = Zorg die uitgaat van de wensen en behoefte van de zorgvrager.
Vraag gestuurde zorg = Het mogelijk maken van vraaggerichte zorg (structuur en financiering).
Shared decision making = De arts en de patiënt besluiten gezamenlijk over wat in een bepaalde situatie het
beste past bij de patiënt.
Belevingsgerichte zorg = De beleving van de cliënt staat centraal. De zorg houdt rekening met individuele
behoefte, waarbij negatieve ervaringen worden omgezet in een positieve beleving.
Geïntegreerde belevingsgerichte zorg = Vooral gericht op ouderen met een cognitieve stoornis.
Familiezorg = Familie neemt de zorg op zich (mantelzorg).
Presentietheorie = Vooral een vertrouwensrelatie opbouwen en er zijn voor een ander (acceptatie).
Diagnose gestuurde zorg Behoefte gestuurde zorg
Systematisch verpleegkundig handelen Vraaggerichte/Vraag gestuurde zorg.
Classificaties zoals NANDA, NIC en NOC Shared decision making.
Classificaties zoals ICF. Belevingsgerichte zorg.
Geïntegreerde belevingsgerichte zorg.
Familiezorg/Presentietheorie.
Kwaliteitskader (wijk)verpleging
Gezondheidsbevordering, preventie, brede blik.
Werkt vanuit 4 kernwaarden (generalistisch, persoonsgericht, continue, in nabijheid van cliënt).
Vertrouwde en gelijkwaardige relatie met cliënt staat centraal.
Positieve gezondheid = Gericht op kwaliteit van leven en versterken van de zelfredzaamheid.
Zorg van hoog niveau + stimuleren zelfredzaamheid.
Algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) = Eten, drinken, naar het toilet gaan, uit bed komen, lopen,
bewegen, sociale contacten etc.
Instrumentele activiteiten in het dagelijkse leven (IADL) = Maaltijden bereiden, telefoneren,
boodschappen doen, huishoudelijk taken verrichten, administratie.
Kern van verplegen
- Versterken van zelfmanagement. Klinisch redeneren.
- Doel: Het bevorderen van gezondheid, herstel, groei en ontwikkeling. Het voorkomen van ziekte,
aandoening of beperking.
- Lijden en pijn minimaliseren.
- Ondersteuning in het leren omgaan met ziekte, handicap, behandelingen en de gevolgen daarvan.
- Handhaven best mogelijke kwaliteit van leven.
ABCD-model
a) Voorzorg.
─ Bevorderen van gezond leven.
─ Collectief en individueel.
b) Gemeenschapszorg.
─ Zorg wordt geregeld vanuit de buurt/wijk.
c) (laag)complexe zorg.
─ Basiszorg en gespecialiseerde zorg.
─ Hoge mate van voorspelbaarheid.
d) (hoog)complexe zorg.
─ Zeer complex.
─ Lage mate van voorspelbaarheid.
Transmurale zorg = Dynamische vorm waarbij zorg wordt aangeboden door meerdere zorgverleners.
Goede samenwerking tussen de intramurale en de extramurale zorgverleners is van belang.
, Klinisch redeneren = Het continue proces van gegevensverzameling en analyse gericht op vragen en
problemen van een individu en diens naasten, in relatie tot ziekte en gezondheid.
- Door klinisch redeneren kan de verpleegkundige beslissingen beargumenteren en daarover
communiceren en besluiten welke vervolgstappen nodig zijn.
Klinisch redeneer proces:
1) Risicoinschatting
De verpleegkundige weet op basis van kennis welke mensen een verhoogd risico hebben op het
ontstaan van bepaalde problemen.
Op basis van het risico maakt een verpleegkundige bepaalde keuzes.
2) Vroeg signaleren
De verpleegkundige kijkt naar eventuele voortekenen of vroege symptomen. En kan hierdoor tijdig
een probleem signaleren, en daarop anticiperen.
3) Probleem herkenning
Op basis van vroege symptomen andere symptomen op het spoor komen.
Door middel van aanvullend onderzoek meer te weten komen, en probleem vaststellen.
4) Resultaatbepaling
Kijken welk doel/resultaat belangrijk is, hoe gaat de patiënt zich weer beter voelen? Bijv. antibiotica
en meedenken met de patiënt, hierdoor gaat de koorts naar beneden, geen verdere complicaties.
5) Interventies
Op basis van het doel zet de verpleegkundige in samenspraak met patiënt en omgeving interventies
in. Bijv. extra deken, rust, genoeg drinken etc.
6) Monitoring
De verpleegkundige monitort de werkzaamheid van de interventies en stelt ze eventueel bij.
Relatie orgaansystemen en ADL
Door verstoring in orgaansystemen kunnen de ADL-activiteiten worden belemmerd. Door een verstoring in
het cardiovasculair systeem kan er bijvoorbeeld oedeem ontstaan waardoor er steunkousen nodig zijn en
iemand minder zal lopen. Ook kunnen er ritmestoornissen ontstaan waardoor iemand kan flauwvallen. Bij
verstoringen in het brein kan een depressie, delier of dementie ontstaan en zullen de ADL-activiteiten
moeilijker worden.
Anamnese = Een gesprek tussen de patiënt en verpleegkundige waarbij doelgericht informatie aan de
patiënt wordt gevraagd. Een anamnese wordt afgenomen aan het begin van het zorgproces, met als doel
basisinformatie verzamelen en een kennismaking.
Speciële anamnese = Het in kaart brengen en afstemmen van de zorg op de actuele klacht op dat moment
(bijv. pijn).
Probleemgerichte anamnese = Verzamelen van informatie binnen een probleem (dagopname).
Spoed anamnese = Verkorte anamnese in een spoed situatie (eerste hulp).
Heteroanamnese = Informatie aan familie gevraagd (dementie, kinderen).