Inhoud
Week 1................................................................................................................................ 2
Kooiman (2003) – Governing as governance...................................................................2
Week 2.............................................................................................................................. 12
Durant, Thornton (2018) – Categorizing institutional logics, institutionalizing categroies
...................................................................................................................................... 12
Ouchi (1980) – Markets, bureaucracies, and clans.........................................................16
Week 4.............................................................................................................................. 18
Van Witteloostuijn (1992) – Theories of competition and market performance.............18
Williamsom (2000) – The New Institutional Economics: tacking stock, looking ahead. . .19
Week 5.............................................................................................................................. 21
Downs (1964) – Inside bureaucracy...............................................................................21
Olsen (2006) – Maybe it is time to rediscover bureaucracy...........................................23
Week 6.............................................................................................................................. 26
Porter (1990) - The Competitive Advantage of Nations..................................................26
Thornton (1999) - The sociology of entrepreneurship....................................................28
Week 7.............................................................................................................................. 30
Adler & Borys (1996) – Two types of bureaucracy.........................................................30
Kaufmann & van Witteloostuijn (2018) – Do rules breed rules? Vertical rule-making
cascades at the supranational, national and organizational level..................................32
Week 8.............................................................................................................................. 35
Besharov & Smith (2014) – Multiple institutional logics in organizations: explaining their
varied nature and implications......................................................................................35
Brandson et al. (2005) – Griffins or chameleons? Hybridity as a permanent and
inevitable characteristic of the third sector...................................................................37
Week 9.............................................................................................................................. 39
Doherty et al. (2014) – Social enterprises as hybrid organizations: a review and
research agenda............................................................................................................ 39
Pache & Santos (2013) – Inside the hybrid organization: selective coupling as a
response to competing institutional logics.....................................................................41
Week 10............................................................................................................................ 42
Opkomende voedselveiligheidsrisico’s..........................................................................42
Week 11............................................................................................................................ 42
Ansell & Gash (2008) – Collaborative governance in theory and practice......................42
Bovaird (2004) – Public-private partnerships. From contested concepts to prevalent
practice.......................................................................................................................... 44
Week 12............................................................................................................................ 47
CBS – Regionale monitor Brede Welvaart......................................................................47
, Putters (2024) – Navigeren op het smalle pad naar brede welvaart: maatschappelijke
transitie en ons poldermodel......................................................................................... 47
Week 13............................................................................................................................ 49
Stolk et al (2021) – De jacht op publieke waarde. Hoe overheden opgaven formuleren
en realiseren.................................................................................................................. 49
WEEK 1
KOOIMAN (2003) – GOVERNING AS GOVERNANCE
Hoofdstuk 1 – Setting the stage
Governance wordt beschouwd als een maatschappelijke kwaliteit, bestaande uit zowel
publieke als private ‘governors’. Dit betekent dat governance een mix is van
uiteenlopende bestuursinspanningen door verschillende sociaal-politieke actoren, zowel
publiek als privaat, die plaatsvinden op diverse niveaus en in verschillende governance
vormen.
De veranderende maatschappelijke diversiteit, dynamiek en complexiteit zorgen ervoor
dat governance niet langer alleen een taak van de overheid is, maar gedeeld wordt met
andere actoren. De traditionele rol van de overheid verschuift van een uitsluitend
regelgevende naar een faciliterende en samenwerkende rol. Er is sprake van een
herverdeling van taken en verantwoordelijkheden.
Om complexe maatschappelijke vraagstukken aan te pakken, is samenwerking en
interactie met de markt en civiele samenleving/ middenveld en verschillende
actoren vereist. Want:
- Overheden zijn niet de enige actoren die maatschappelijke uitdagingen
aanpakken.
- Nieuwe vormen van governance zijn nodig om deze uitdagingen het hoofd te
bieden.
- Bestuurlijke arrangementen verschillen per sector en op verschillende niveaus.
Governing omvat de totaliteit van interacties waarin publieke en private actoren
samenwerken om maatschappelijke problemen op te lossen en kansen te creëren. Het
gaat niet alleen om beleid en regels, maar ook om de institutionele context waarin deze
interacties plaatsvinden en de normen die eraan ten grondslag liggen. Governance wordt
beschouwd als de theoretische conceptualisatie van bestuur, waarbij interactie een
sleutel concept is.
Sociaal-politieke governance-> duidt op een gedeelde verantwoordelijkheid tussen de
publieke en private sectoren. Dit kan in die governancevormen worden onderverdeeld:
1. Zelfbestuur (self-governance): actoren reguleren en organiseren zichzelf.
2. Co-governance: samenwerking tussen publieke en private partijen.
3. Hiërarchisch bestuur: regelgeving en controle staan centraal.
Interactieve governance-> benadrukt de wederzijdse beïnvloeding tussen actoren.
Interactie kan worden beschouwd als een ‘linking pin’ tussen maatschappelijke
kenmerken en governancekwaliteiten. De effectiviteit en kwaliteit van sociaal-politieke
governance hangen af van de kwaliteit van deze interacties.
Kernconcepten van governance
1. Intentionele niveau/ intentional level: bevat elementen zoals beelden,
instrumenten en acties die actoren gebruiken om hun doelen te bereiken.
2. Structurele niveau/ structural level: omvat governancevormen als zelfbestuur, co-
governance en hiërarchisch bestuur.
3. Governance orden: eerste-orde governance (dagelijkse probleemoplossing),
tweede-orde governance (institutioneel ontwerp) en derde-orde/ meta-governance
(normatieve kaders).
2
, Hoofdstuk 2 – Interaction
In het governance-perspectief staat het concept van interactie centraal.
Governancevraagstukken ontstaan uit interacties tussen ‘het politieke’ en ‘het sociale’ en
worden ook in dergelijke interacties behandeld. Het betreft dus relaties tussen sociale en
politieke actoren en entiteiten zoals individuen, organisaties en instituties.
Analyseren van deze interacties helpt om de samenhang en tegenstellingen
binnen maatschappelijke vraagstukken beter te begrijpen.
Bestuurlijke interacties zijn complexe, gelaagde processen waarbij uiteenlopende
actoren met verschillende belangen betrokken zijn. Hierbij komen spanningen en
conflicten naar voren.
Doordat geen enkele actor, publiek of privaat, alle benodigde kennis, informatie of
middelen heeft om complexe maatschappelijke uitdagingen alleen op te lossen, is
samenwerking en interdependentie dus onvermijdelijk.
In de analyse van interacties kunnen drie stappen worden onderscheidt
1. Een introductie over het begrip interactie: interactie wordt gedefinieerd als een
wederzijdse beïnvloeding tussen actoren of entiteiten, waarbij zowel het
intentionele als het structurele niveau een rol spelen.
2. Het onderscheiden van een intentioneel (actorgericht) en structureel (contextueel)
niveau.
- Intentionele niveau-> hierin spelen doelen, belangen en intenties van
actoren een rol. Actoren streven naar bepaalde uitkomsten en opereren vanuit
hun eigen identiteit en ervaring. Dit niveau wordt beïnvloed door factoren
zoals perceptie, vertrouwen, identiteit en communicatie.
- Structurele niveau-> omvat de materiële, sociale en culturele context
waarin interacties plaatsvinden. Deze context omvat institutionele kaders,
sociale normen en machtsverhoudingen die de interactie sturen en beperken.
Door deze onderscheiding wordt duidelijk dat bestuurlijke acties en governance-
structuren onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Governance draait niet alleen
om beleid en regelgeving, maar ook om de sociale en culturele context waarin
deze beleidsmaatregelen worden uitgevoerd en ervaren.
3. Het introduceren van drie vormen van maatschappelijke interacties:
interferenties, interplays en interventies. Elk van deze interactievormen
heeft specifieke kenmerken en implicaties voor governance.
Drie bestuurlijke interacties om governance te analyseren
1. Interferenties: spontante en informele interacties, zoals in gezinnen en
werkplekken, zonder hiërarchische structuren.
2. Interplays: horizontale interacties waarbij actoren samenwerken op basis van
gelijkwaardigheid en gedeelde doelen.
3. Interventies: formele en hiërarchische interacties waarin regels en procedures
worden opgelegd en nageleefd.
Dit 3 onderscheid helpt om de complexiteit, diversiteit en dynamiek van governance
beter te begrijpen.
Individuele actoren-> burgers, beleidsmakers en professionals die direct
deelnemen aan bestuurlijke processen.
Corporate actoren-> organisaties en bedrijven die collectief optreden en
strategische keuzes maken op basis van gedeelde doelen en middelen.
Actoren handelen binnen specifieke situaties en wisselen voortdurend tussen stabiliteit
en verandering, afhankelijk van de context waarin zij opereren. Intentie en identiteit
spelen hierin een cruciale rol, waarbij actoren zichzelf en anderen constant positioneren
binnen de interactie.
Interactie vindt plaats binnen een bepaalde structurele context die bestaat uit:
3