Hoorcollege 1 – 7 februari 2025
Inleiding en Thema 1 (referentiekader)
Het domein
Onderwijswetenschappen wordt beschouwd als een wetenschap die leren, opleiden en
ontwikkelen in onderwijs en bedrijfsleven wil beschrijven, begrijpen en verklaren. Deze
wetenschap levert daarmee een bijdrage aan de verbetering van onderwijssysteem en
opleidings- en leertrajecten.
De onderwijswetenschappen wil een wetenschap zijn die leerprocessen helpt ondersteunen,
organiseren en ontwikkelen.
Internationaal gezien bestaat iets als pedagogiek of orthopedagogiek niet, dat valt allemaal
onder educational sciences.
Men wilde weten wat er op school gebeurde, was een soort black box vroeger.
Referentiekader en actoren
Aggregatieniveaus
- Micro: bijv. het schooladvies. Op individueel niveau. Gaat om concrete leersituaties of
specifieke lerende.
- Meso: hoe organiseer je het onderwijs in de school. School, faculteit, organisatie.
- Macro: hoe werkt basisbeurs etc. Invloed op het hele schoolsysteem, vooral vanuit de
politiek.
Hebben allemaal invloed op elkaar. Grenzen zijn niet heel helder. Hoe college wordt ingericht,
heeft invloed op hoe studenten gaan studeren.
Hangt af van de personen en hun rol en plaats in de discussie voor wat voor standpunt ze
hebben. De rolpositie die iemand inneemt is erg belangrijk. Belangengroepen zullen zich bij een
probleem, afhankelijk van belangen anders opstellen.
Organisatiedimensies
Actoren
= iedereen betrokken bij het geven van onderwijs. Niet alleen leerlingen en ouders, maar ook
decanen, politici, onderzoekers, vakbonden. Concrete personen, organisaties die worden
vertegenwoordigt of de organisaties zelf.
Probleem: niemand van hen staat neutraal in het onderwijs. Iedereen vindt er wat anders van.
Studenten krijgen alles voorgeschoteld en denken niet meer zo kritisch na. Dit is een probleem
voor na het afstuderen, want ze kunnen niet meer zelfstandig nadenken.
Tegenwoordig zit overal wel begeleiding, van studiebegeleiders tot leergemeenschappen van
docenten.
Processen: zaken die over de tijd heen verlopen
Variabelen: kenmerken die verschillende waarden kunnen hebben.
Alles hier beïnvloedt door de context.
Organisatie
= hoe het onderwijs is georganiseerd. Impact van actoren, variabelen en processen bij leren en
instructie is beïnvloed door organisatieaspecten, zoals tijd, ruimtes, budget en infrastructuur.
Formeel onderwijs is ingewikkeld georganiseerd. Veel verdeling per onderwijslaag.
Onderwijsstelsel is in NL heel anders als in andere landen, daar zijn vaak minder
doorstroommogelijkheden.
Kwestie van kijken hoeveel tijd, geld en infrastructuur nodig is.
,Didactisch handelen
= concrete activiteiten die actoren opzetten om leeractiviteiten uit te lokken, soort
instructieactiviteit.
Afhankelijk van op welk niveau je kijkt, is er verschil in het didactisch handelen.
Vaak vanuit de docent/organisatie vastgesteld: doelstellingen, leerstof, werkvormen, media,
toetsing.
Leeractiviteiten
Hoe we het onderwijs vormgeven en wat voor leeractiviteiten worden meegegeven.
Wat meer in de handen ligt van de lerende:
- Spaced practice versus blokken: heel gespreid studeren of blokken?
- Zelfregulatie
- Oefentoetsen of niet
- Gezamenlijk leren of niet
Context
Alles buiten het reguliere onderwijs dat invloed heeft op het onderwijs.
Vaak politiek: bijv. Nederlands als voertaal universiteiten. Dat mag, maar er zijn ook bachelors in
het Engels opengesteld.
- Kabinet heeft veel bezuinigd, wat leidt tot mensen die stoppen met wetenschap. Zij
voelen zich niet meer gewaardeerd door de maatschappij.
Wetenschap: bijv. lees en rekenniveaus.
Referentiekader
De aggregatieniveaus leiden uiteindelijk tot een referentiekader.
Een referentiekader werkt. Het is gebaseerd op wetenschappelijke data en is daarmee evidence-
based. Hier zijn de niveaus in verwerkt.
(hoeft niet precies de pijltjes te weten, maar wel waar wat ongeveer zit)
- Is voorstel van ordening actoren, processen en variabelen
- Helpt focus op onderwijskunde als wetenschapsgebied versterken
- Is beslissingsmodel om keuzes te maken bij ontwerpen van onderwijs
Effect sizes
Bij statistische vakken wordt er dieper op ingegaan.
Hoe groter de effect size, hoe groter het verschil tussen 2 groepen.
Significantie heeft er mee te maken hoe groot je groep is. Effect size kijkt hoe groot het verschil
is.
Meta-analyse: optelsom van artikelen die min-of-meer hetzelfde gemeten hebben om zo
uitspraken te kunnen doen op niet slechts 1 studie. Maar dat wil niet zeggen dat alle of zelfs de
meeste studies ook een degelijke kwaliteit hebben.
Referentiekader microniveau
Aantal tabellen die laten zien welke factoren (los van elkaar) een effect laten zien. Werkt het wel
of werkt het niet?
Moet weten dat er een grote verscheidenheid is in activiteiten en instrumenten die je kunt
gebruiken die allemaal hun eigen effect size hebben. Context is hierbij heel belangrijk.
Wat hieruit blijkt:
- Microteaching en helderheid zijn heel goed vanuit de docent. Leiden tot goede prestaties
op lange termijn. Microteaching = heel gericht doceren op 1 specifiek ding - heel goed
uitleggen
, - Training van leerkrachten en verbeteren van kennis van docenten zijn veel minder sterk.
Maar een getrainde docent met veel vakkennis kan misschien ook helderder
communiceren?
Persoonlijkheidsconstruct:
Eigen inschatting van leerlingen en
stimuleringsprogramma’s ook positief. Als een leraar
die onzeker voor de klas staat, vraagt of hij het wel goed
doet, vormt dat een oordeel bij de leerlingen.
Ziekte en persoonlijkheid doen er eigenlijk veel minder
toe.
OCEAN (hoeveel ben je van elk van deze)
- Openness
- Conscientioness
- Extraverious
- Agreeableness
- Neuroticism: hoe neurotisch je bent.
Dit vormt samen je persoonlijkheid.
Maar een leerling die erg consciëntieus werkt, is wellicht beter in staat het eigen leren in te
schatten?
Conflict: grote effectsize: de eigen inschattingen van de leerling, en kleine effectsize:
persoonlijkheid.
Referentiekader mesoniveau
Op organisatorisch niveau weten we dat versnellingsprogramma’s en op gedrag gerichte
interventies het goed lijken te doen. Houdt in dat je mensen motiveert om hard door bezig te
blijven doen. Gedrag van mensen stimuleren zodat ze consistent doorgaan met hard werken en
betere prestaties leveren.
Prestatiegroeperingen en inclusief onderwijs doen het veel minder goed. Prestatiegroeperingen
zijn groepen leerlingen die op basis van hun prestaties of niveau bij elkaar worden geplaatst.
Inclusief onderwijs richt zich op het integreren van leerlingen. Deze hebben dus verschillende
doelen: prestatiegroeperingen focust op maximaliseren van prestaties en inclusief onderwijs is
gericht op gelijke kansen en ondersteunen van diversiteit.
Wat als interventies zich richten op gedrag van een prestatiegroep? Dus niet alleen op
individuele leerlingen, maar op dynamiek en gedrag van groep als geheel. Het idee is dat door
het gedrag en de interactie van de groep positief te beïnvloeden, je niet alleen de individuele
prestaties verbetert, maar ook de prestaties van de groep als geheel.
, Op instruerend niveau:
- Aanleren metacognitie en formatieve evaluatie doen het goed: zorgen dat je weet wat
goed plannen en evalueren is, feedback kunnen ontvangen.
- Mentoren en bevorderen studentcontrole doen het veel minder goed.
Maar, dat betekent dat de vaardigheden en ruimte om zelf dingen te doen goed zijn, maar het
daadwerkelijke controle geven aan leerlingen niet. Zit dus tegenstrijdigheid in.
Referentiekader macroniveau
Geen meta-analyse mogelijk op dit niveau.
De politiek geeft eigenlijk alle invulling, zoals ook bij de leerlinge centraal. Is onvoorspelbaar.
Het kader lijkt vooral om kwalificaties en competenties te draaien, maar daarbij gaat het ook
elke zoveel jaar om zelf soortige vaardigheden met weer andere namen.
Tussentijdse conclusie
Er zijn duidelijke interventies die meer effect laten zien dan andere interventies. Kan liggen aan:
- Potentiële impact: de mogelijke impact die het kan hebben
- Gerealiseerde impact: de kwaliteit van de interventie, het ligt eraan wat je met welke
leerling doet.
De faux pas die vaak gemaakt wordt, is het vooral inzetten op de hoog-scorende aspecten en de
laag-scorende aspecten negeren, zonder daarbij het geheel te bekijken binnen de context.
Dit soort bevindingen zijn voor de grote gemene deler, niet voor elke situatie.
Tegelijk is dit de wetenschappelijke evidentie die er is en moet niet genegeerd worden.
Rapport: de leerling centraal?
Moeten leerlingen in groep 8 hun advies krijgen van een docent of op basis van een toets, of van
beide?
Het is een verkenning naar het centraal stellen van de leerling vanuit het perspectief van het
publieke belang van onderwijs.
Is een adviesrapport van de onderwijsraad. Het gaat hier om politiek en minder om
wetenschappelijk bewijs.
Aanleiding leerling centraal
One size fits all zou niet werken en flexibiliteit in onderwijs is belangrijk. Flexibiliteit: vakken
volgen op havo niveau en andere vakken op vwo niveau. Dat dit niet lukt komt vooral door
organisatie.
Goed aansluiten bij de individuele leerling zou diens motivatie verhogen wat leidt tot hogere
prestaties en dat leidt uiteindelijk tot meer gelijke kansen in het onderwijs.
Vanuit pedagogen komt deze wens tot meer leerling-centraal onderwijs steeds terug. Dat het
vanuit deze bepaalde vakgroep komt, maakt uit. Vrijwel 90% van de tijd als een expert in beeld
verschijnt om iets over onderwijs te zeggen, is het een pedagoog.
Differentiatie
Het idee om rekening te houden met de individuele verschillen en daar het onderwijs op aan te
passen.
In de praktijk zie je dat vaak terug in prestatiegroepen. Maar dan maak je dus veel verschillen
tussen die groepen, is niet altijd goed.
Maar als je kijkt naar effecten op meso-niveau: blijkt dat prestatiegroepering en inclusiviteit de
laagste effecten behaalden.
Prestatiegroepering werkt ook vooral voor de slechtst-presterende, maar doen niets voor de
goed of excellent presterende, omdat deze heel de les hun eigen ding al aan het doen zijn.