Behaviorisme
Begin 1900 begonnen mensen te denken dat introspectie (mensen vragen wat ze
denken en voelen) te subjectief was, waardoor er werd nagedacht over een
objectievere manier om leren te meten. Gedrag was objectief meetbaar en
makkelijk te beschrijven. Dit vormde de basis van het behaviorisme.
Beginselen binnen het behaviorisme
- equipotentiality leren gaat grofweg hetzelfde bij mensen en dieren, wat
betekent dat verschillende leerprincipes op zowel mensen als dieren toepasbaar
zijn. Om deze reden is veel onderzoek bij dieren uitgevoerd
- s-r psychologie fenomenen kunnen het beste objectief bestudeerd worden
door naar de stimulus-response relatie te kijken
- omdat we mentale, interne processen niet direct kunnen meten, zijn deze niet
relevant voor onderzoek. Het brein wordt ook wel als black box gezien; er gaat
iets in en er komt iets uit, maar we weten niet wat erin gebeurt
sommige behavioristen geloofden wel dat aspecten als motivatie of
concentratie een rol konden spelen bij het leren en werden daarom ook wel
neobehavioristen of s-o-r (stimulus-organisme-response) psychologen genoemd
- leren gaat over een verandering in gedrag (en dus niet om mentale
representaties zoals nu vanuit gegaan wordt). Feit is dat we alleen door een
verandering in gedrag kunnen waarnemen of iemand iets geleerd heeft
- organismen worden geboren als een blank slate (tabula rasa). We worden
geboren met niks en leren door onze omgeving. Doordat de omgeving voor
iedereen uniek is, ontwikkelt iedereen zijn eigen karaktereigenschappen
- leren komt grotendeels door de omgeving en wordt daarom eerder
conditionering genoemd (je hebt er zelf geen controle over)
- determinisme als we iemands gedragingen, voorgaande ervaringen en
huidige omgevingsfactoren kennen, kunnen we iemands gedrag met 100%
zekerheid voorspellen
- parsimony zowel simpele als complexe gedragingen moeten worden
verklaard aan de hand van zo min mogelijk leerprincipes
Klassieke conditionering
Pavlov was de eerste die klassieke conditionering onderzocht. Het begon met een
onderzoek naar de mate waarin het speeksel van een hond effect had op de
vertering van een stuk vlees, maar kwam er achter dat na een aantal keer meten
de hond al begon te kwijlen toen de laborant aankwam, zonder dat hij nog vlees
bij zich had.
Hij ging hier verder onderzoek naar doen. Eerst toonde hij een stimulus (bv. een
bel) en controleerde of de hond hierbij geen speeksel produceerde. Vervolgens
toonde hij dezelfde stimulus in combinatie met een stuk vlees. Dit herhaalde hij
een aantal keer en telkens produceerde de hond speeksel. Tot slot toonde hij
, enkel de stimulus, zonder het stuk vlees. Er kwam een reactie op een stimulus
die eerst niks deed, dus had de hond iets geleerd.
unconditioned stimulus (UCS) vlees
unconditioned response (UCR) kwijlen na vlees (natuurlijke reactie, heeft de
hond niet hoeven leren)
conditioned stimulus (CS) bel
conditioned response (CR) kwijlen na bel (onvrijwillige reactie)
neutral stimulus (NS) bel voordat het gecombineerd werd met het vlees
(neutraal omdat er geen reactie optreedt)
De principes van klassieke conditionering zijn toepasbaar op veel verschillende
organismen in veel verschillende stadia in hun leven. Het treedt vaak al snel op,
soms al na een aantal herhalingen.
De kans dat klassieke conditionering optreedt is het grootst wanneer de CS vlak
voor de UCS wordt getoond (contiguity). Daarom wordt het ook wel signaal leren
genoemd, omdat de CS een signaal is dat de UCS gaat komen. Toch kan het ook
optreden als de CS en de UCS tegelijkertijd werden getoond, of zelfs daarna,
bijvoorbeeld bij het eten van bepaald voedsel en de misselijkheid die soms pas
uren daarna optreedt. Daarom wordt er ook wel uitgegaan van het belang van
contingency, conditionering treedt op wanneer de CS enkel wordt getoond als de
UCS met zekerheid ook wordt getoond. Wanneer dit niet consequent gebeurd, is
de kans op conditionering veel kleiner.
Klassieke conditionering kan angsten, houdingen en aversies verklaren, ook als
deze niet logisch zijn. Het bekendste voorbeeld is ‘little Albert’, een kind van 11
maanden die geen angst had voor ratten of andere dieren en ze zelfs wilde
aanraken als er een in de buurt kwam. Iedere keer als hij naar de rat greep, klonk
er een hard, vervelend geluid, waar Albert erg van schrok. Na een paar keer
begon hij ook al te huilen bij het zien van de rat en uiteindelijk zelfs bij andere
harige dieren. Verder wordt er veel gebruik van gemaakt in reclames, door
bijvoorbeeld schattige puppy’s of kinderen te koppelen aan het product.
Veel voorkomende fenomenen bij klassieke conditionering:
- associatie bias verbindingen tussen bepaalde soorten stimuli komen vaker
voor dan verbindingen tussen andere soorten stimuli. Misselijkheid zal
bijvoorbeeld eerder gekoppeld worden aan eten dan aan een geluidje of
verandering in licht. Dit komt waarschijnlijk door de evolutie en de overervingen
van onze voorouders. Het zorgt ervoor dat de kans groter wordt dat de
verbindingen die we maken juist zijn
- extinction wanneer de CS vaak genoeg wordt getoond zonder de UCS, zal de
CR afzwakken en uiteindelijk zelfs verdwijnen. Het probleem bij angsten is vaak
dat de UCS vermeden wordt, waardoor het organisme niet meemaakt dat de UCS
ook zonder de CS kan voorkomen
- spontaneous recovery de CR zal zelfs na extinction toch vaak optreden
wanneer er opnieuw de verbinding wordt gemaakt tussen de UCS en de CS. Dit
gebeurt vaak wanneer extinction in de ene context wel verdwenen is, maar in
een andere of nieuwe context toch niet. De CR is wel vaak zwakker en de kans op
extinction is groter