Algemene informatie
Bindweefsel
Bindweefsel is het meest verspreide weefsel in het lichaam in alle organen
Het kent zeer veel subtypes, dus de grootste variatie van alle weefssels
Bindweefsel bevat relatief weinig cellen en relatief veel extracellulaire matrix
Bindweefseltypen:
1. Bindweefsel in engere zin (strictu sensu (s.s.))
2. Bindweefsels met speciale eigenschappen (bijvoorbeeld vetweefsel, bloed)
3. Steunweefsels: kraakbeen en botweefsel (beenweefsel)
Onderscheid tussen bindweefsel strictu sensu, kraakbeen en bot maak je op basis van de
eigenschappen van de extracellulaire matrix.
1. Zijn alle cellen mooi afgelijnd?
Ja > dit zijn lacunes! Zie vraag 2
Nee > bindweefsel s.s.
2. Zijn er isogene groepen?
Ja > kraakbeen
Nee > bot
Kraakbeen (chondro-)
De matrix van kraakbeen is relatief hard maar flexibel
Kraakbeen heeft een steunfunctie, zorgt voor de verbinding van botten, vormt het oppervlak in
gewrichten en zorgt voor chondrale verlenging
Cellen liggen in lacunes. De cellen die hierin liggen noemen we chondrocyten.
Extracellulaire matrix is de tussencellige stof, dat om de lacunes heen ligt.
Wat je in kraakbeen terug kan vinden is: chondrocyten in lacunes, isogene groepen,
kraakbeenmatrix, chondroblasten in lacunes en perichondrium met fibroblasten
Links: L/oranje: lacunes, IT: interterritoriale matrix, TM: territoriale matrix, IG: isogene groepjes,
Groen: extracellulaire matrix
Typering van kraakbeen
Onderzoek de matrix op zichtbare eiwitvezels.
Bij kraakbeen bestaat de extracellulaire matrix voor het grootste gedeelte uit collageen type II vezels,
die niet goed zichtbaar zijn in de LM omdat ze te fijn zijn. Je kan zoeken naar eventueel zichtbare
collageenvezels type I en elastinevezels. Collageenvezels type I zijn dikkere vezels die je wel kan
waarnemen, in bundels gerangschikt. Elastinevezels kan je alleen bij orceïnekleuring zien.
1. Hyalien kraakbeen: collageen type II vezels, egaal uitzicht. Meest voorkomende type.
Bijvoorbeeld in de luchtpijp.
, 2. Elastisch kraakbeen: elastische vezels. Grote hoeveelheid elastinevezels. Let op, hier is een
specifieke kleuring voor nodig. Bijvoorbeeld kraakbeen van oorschelp.
3. Vezelig kraakbeen: stevige bundels van collageen type I vezels, deze zijn zichtbaar. Isogene
groep ligt in een rij. Chondrocyten liggen parallel met de vezels en chondrocyten binnen 1
isogene groep liggen in rijen. Bijvoorbeeld schaambeenverbinding.
Cellen
1. Chondrocyten: rond, volumnieus, isogene groepen
2. Chondroblasten: afgeplat, ovaal, perifeer gelegen, individueel, lengteas parallel aan
oppervlak
Botweefsel (osteo-)
Zeer harde verkalkte matrix
Verschillende functies: steunfunctie, aanhechting van spieren, bescherming van vitale organen,
reservoir voor mineralen, bescherming beenmerg (voor aanmaak bloedcellen)
Cellen in lacunes zijn osteocyten. De extracellulaire matrix is verkalkt.
Ook kan je canaliculi terugvinden.
Links: Oranje: cellen in lacunes; osteocyten. Groen: verkalkte extracellulaire matrix
Rechts: Blauw: canaliculi. Oranje: cellen in lacunes; osteocyten. Groen: verkalkte extracellulaire
matrix
Typering van botweefsel
Bot komt voor in onrijpe (plexiform) en rijpe vorm (lamellair bot) De lamellaire vorm van botweefsel
wordt gekenmerkt door een evenwijdige rangschikking van collagene vezels in parallele of
concentrische lamellen. Doordat de matrix is verkalkt liggen de osteocyten in lacunes. Osteoblasten
vind j eterug aan de rand van een botstukje. Doordat er geen diffusie van weefselvloeistoffen plaats
kan vinden door de verkalkte matrix, staan de uitlopers van osteocyten met elkaar in contact via
canaliculi. Deze kanaaltjes verbinden lacunes onderling met elkaar.
,Onderscheid tussen plexiform en lamellair bot
1. Plexiform bot: ‘primair; bot; collagene vezels hebben geen specifieke orientatie
2. Lamellair bot: ‘secundair’ bot; dit is het volwassen bot
Ook kan je een onderscheid maken tussen spongieus bot waarin je mergholten terugvindt tussen de
verschillende botstukjes en compact bot waarin je geen mergholten terugvindt.
Onderscheid tussen spongieus en compact bot
1. Spongieus bot: mergholte met beenmerg
2. Compact bot: kanaal van havers; zonder beenmerg
Botvorming
Osteoblasten
Desmale botvorming: differentiatie vanuit bindweefsel
Chondrale botvorming: afbraak van kraakbeen en opbouw van bot. Is ook van belang tijdens de
ontwikkeling. Ontstaan van een primair en secundair botvormingscentrum.
Cellen
Voornaamste celtypen:
1. Osteoblasten: botvormende cellen
2. Osteocyten: volwassen botcellen
3. Osteoclasten: botafbrekende cellen
- Grote onregelmatige cellen
- Veel kernen
- Familie van de macrofagen
, - Lacune van Howship
Enchondrale botvomring
Bij bot is het verder van belang om een zeer goed inzicht te hebben in de botvorming. Deze kan
(en)desmaal zijn, door differentiatie van osteoblasten uit bindweefsel, of (en)chondraal door afbraak
van kraakbeen en opbouw van bot oftewel de vervanging van kraakbeen door bot.
Enchondrale botvorming kan je het best bestuderen ter hoogte van de epifysaire groeischijf, die
zorgt voor de lengtegroei van het botstuk. De epifysaire groeischijf ebstaat uit verschillende zones,
startend van de rustzone aan de epifysekant naar de verbeningszone ter hoogte van de diafyse. Let
op! Je vertrekt vanuit een kraakbeenstructuur, waarvan de cellen worden afgebroken en de
overblijvende matrix zal dienen om bot tegen aan te leggen
1. Rustzone: gewoon kraakbeen, zonder periost. Dit wijst dus op een enchondrale botvorming.
Groepjes chondrocyten die in lacunes gelegen zijn vormen isogene groepen. Hierin zal de
secundaire verbeningskern ontstaan.
2. Vermenigvuldigingszone of proliferatiezone: chondrocytkernen, in lacunes gelegen. Liggen
in rijen achter elkaar en vormen zo langgerekte isogene groepen
3. Zwellingszone: lacunes worden groter te gevolge van zwelling van de chondrocyten.
4. Verkalkingszone: de interterritoriale matrix verkalkt, wat zich uit in het donker voorkomen
van de matrix in vergelijking met de matrix in de rustzone en proliferatiezone. Verkalkte
kraakbeenbalkjes zijn gevormd. Daartussen zijn ruimtes die in feite holle cilinders zijn en
waarin bloedvaten en beenmerg zich kunnen uitstrekken. Tegen de verkalkte
kraakbeenbalkjes kunnen zich osteoblasten aanleggen.
5. Verbeningszone: rond een centrale kern van verkalkt kraakbeen liggen osteocyten, het
betreft hier osteoblasten die zich volledig hebben ingesloten met botmatrix, het osteoid.
Rond het osteoid kunnen zich nieuwe osteoblasten aanleggen. Als er geen verkalkte
kraakbeenkern te zien is spreken we van botbalkjes, met daarin lacunes die de kernen van
osteocyten omvatten. Rond het bot liggen de osteoblasten voor nieuwe botaanmaak. In de
verbeningszone zien we (soms) de lacunes van Howship, waarin de osteoclasten zitten. Een
osteoclast kan meerdere kernen vertonen
Er heerst een continue remodellering van het bot. De cellen verantwoordelijk voor de afbraak zijn de
osteoclasten. Deze zijn gelegen in een lacune van Howship.
C14/2 Symphysis pubica – HE