Leerdoelen week 5
Kennisclips dementie:
De student kan:
benoemen dat dementie een neurodegeneratief beeld is en welke
klinische manifestaties daarop duiden.
Een neurodegeneratief ziektebeeld betekent dat het wordt gekenmerkt
door progressieve schade aan de zenuwcellen in de hersenen. Dit leidt tot
een geleidelijke achteruitgang van cognitieve functies en andere
hersenactiviteiten. Klinische manifestaties die hierop wijzen zijn onder
andere:
Geheugenverlies: Moeite met het onthouden van recente
gebeurtenissen of informatie.
Veranderingen in gedrag en persoonlijkheid: Dit kan variëren van
apathie tot agressie.
Problemen met taal: Moeite met het vinden van woorden of het
begrijpen van gesprekken.
Visuospatiële beperkingen: Problemen met het herkennen van
gezichten, plaatsen of het inschatten van afstanden.
Uitvoerende functies: Moeite met plannen, organiseren of het
uitvoeren van complexe taken.
Motorische symptomen: Loopstoornissen of andere fysieke
veranderingen kunnen ook voorkomen.
Fysiotherapeutisch handelen bij mensen dementie begrijpen
vanuit zowel gevolgen van het neurologisch syndroom als
gevolgen voor het maatschappelijk functioneren
Gevolgen van het neurologisch syndroom
Motorische beperkingen: Door schade aan de hersenen kunnen
bewegingen trager worden, de coördinatie verminderen en
spierspanning toenemen (zoals bij paratonie). Fysiotherapie richt
zich op het verbeteren van mobiliteit, balans en kracht.
Cognitieve achteruitgang: Dit kan leiden tot verminderde motivatie
en begrip van oefeningen. De fysiotherapeut past de behandeling
hierop aan door eenvoudige, herhalende en gestructureerde
oefeningen te gebruiken.
Valpreventie: Door verminderde balans en spierkracht is er een
verhoogd risico op vallen. Fysiotherapie kan helpen met oefeningen
die gericht zijn op stabiliteit en valpreventie.
Gevolgen voor het maatschappelijk functioneren
Zelfredzaamheid: Fysiotherapie ondersteunt bij dagelijkse
activiteiten zoals lopen, opstaan en traplopen, zodat mensen langer
zelfstandig kunnen blijven.
Sociale interactie: Beweging kan worden geïntegreerd in
groepsactiviteiten, wat sociale betrokkenheid stimuleert.
Mantelzorgers: Fysiotherapeuten werken vaak samen met
mantelzorgers om hen te begeleiden in het ondersteunen van de
patiënt, bijvoorbeeld bij transfers of het stimuleren van beweging.
,De stadia van dementie en bijbehorende verlies aan vaardigheden
benoemen.
Vroeg stadium
Cognitieve achteruitgang: Moeite met het onthouden van recente
gebeurtenissen, het vinden van woorden en het maken van plannen.
Zelfstandigheid: Mensen functioneren grotendeels zelfstandig, maar
merken kleine veranderingen die hen kunnen frustreren.
Sociale impact: Afname van interesse in sociale activiteiten door
onzekerheid of schaamte.
Midden stadium
Geheugenverlies verergert: Vaak vergeten wie mensen zijn of waar
men is.
Dagelijkse activiteiten: Moeilijkheden met complexe taken zoals
koken, boodschappen doen of financiën beheren.
Gedragsveranderingen: Verhoogde verwarring, irritatie, of zelfs
wanen en hallucinaties.
Mobiliteit: Mogelijke vermindering van coördinatie en toenemende
valrisico's.
Laat stadium
Ernstig geheugenverlies: Geen herkenning van familie of vrienden.
Taalproblemen: Bijna volledig verlies van spraak, slechts enkele
woorden of geluiden.
Afhankelijkheid: Volledige afhankelijkheid van zorgverleners voor alle
activiteiten, zoals eten, wassen en aankleden.
Lichamelijke achteruitgang: Bedlegerigheid, verlies van controle
over blaas en darmen, en uiteindelijk slikproblemen.
MCI als mogelijk voorstadium van dementie benoemen.
Milde cognitieve stoornis (MCI, Mild Cognitive Impairment) wordt vaak
gezien als een mogelijk voorstadium van dementie. Het wordt gekenmerkt
door een merkbare achteruitgang in cognitieve functies, zoals geheugen,
taal of probleemoplossend vermogen, die echter nog niet ernstig genoeg
is om het dagelijks functioneren sterk te belemmeren.
Belangrijke kenmerken van MCI zijn:
Geheugenproblemen: Mensen merken vaak dat hun
kortetermijngeheugen achteruitgaat.
Beperkte invloed op dagelijks leven: Hoewel er veranderingen zijn,
zijn de meeste mensen met MCI nog in staat om hun dagelijkse
activiteiten zelfstandig uit te voeren.
Verhoogd risico op dementie: Mensen met MCI hebben een
verhoogde kans om later een vorm van dementie te ontwikkelen,
zoals de ziekte van Alzheimer.
Het is echter belangrijk te benadrukken dat niet iedereen met MCI
uiteindelijk dementie ontwikkelt. Sommige mensen blijven stabiel, terwijl
anderen zelfs enige verbetering kunnen laten zien, afhankelijk van de
oorzaak.
Het effect van behoud van fitheid in vroege stadia van
dementie relateren aan effect op cognitieve capaciteit en
vertragen van het dementieproces.
Effect op cognitieve capaciteit
, Verbetering van hersenfunctie: Regelmatige lichaamsbeweging
stimuleert de doorbloeding van de hersenen en bevordert de groei
van nieuwe zenuwcellen, wat de hersenplasticiteit ondersteunt.
Cognitieve voordelen: Aerobe oefeningen en andere fysieke
activiteiten kunnen specifieke cognitieve functies verbeteren, zoals
geheugen, aandacht en probleemoplossend vermogen.
Stabilisatie van executieve functies: Beweging helpt bij het
behouden van vaardigheden zoals plannen en initiatief nemen, die
essentieel zijn voor het dagelijks functioneren.
Vertraging van het dementieproces
Langzamere progressie: Fysieke activiteit kan de achteruitgang van
hersenfuncties vertragen en symptomen stabiliseren.
Preventieve werking: Regelmatige beweging vermindert het risico op
verdere cognitieve achteruitgang en kan bijdragen aan een betere
kwaliteit van leven.
Gedragsmatige voordelen: Naast cognitieve effecten kan beweging
ook gedragsproblemen verminderen, zoals agitatie en depressie.
De diverse benaderingswijzen/ Beweeg-/ leerstrategieën in
dementiezorg in 0e en 1e lijn benoemen.
Benaderingswijzen
1. Validation: Hierbij wordt de beleving van de persoon met dementie
erkend en gerespecteerd. Zorgverleners gaan mee in de
gedachtewereld van de patiënt, wat gevoelens van veiligheid en
eigenwaarde versterkt.
2. Reminiscentie: Het ophalen van positieve herinneringen uit het
verleden om sociale interactie en eigenwaarde te stimuleren.
3. Belevingsgerichte zorg: De zorg wordt afgestemd op de individuele
behoeften en beleving van de cliënt, met als doel stress te
verminderen en positieve ervaringen te creëren.
Beweegstrategieën
1. Dagelijkse activiteiten integreren: Beweging wordt gestimuleerd
door dagelijkse taken zoals wandelen, tuinieren of huishoudelijke
activiteiten.
2. Beweegprogramma's: Specifieke oefeningen gericht op kracht,
balans en flexibiliteit, vaak ondersteund door muziek.
3. Belevingstuinen: Een omgeving die beweging en sociale interactie
stimuleert, bijvoorbeeld door herkenbare muziek of sensorische
prikkels.
Leerstrategieën
1. Foutloos leren: Taken worden in kleine stappen aangeleerd, zodat
fouten worden voorkomen en het leerproces wordt vergemakkelijkt.
2. Emotieleren: Het koppelen van positieve emoties aan nieuwe
gewoontes om het leerproces te ondersteunen.
3. Operant leren: Gedrag wordt gestimuleerd door beloningen, wat
helpt bij het aanleren van nieuwe vaardigheden.
De cognitieve capaciteit benutten in het beweegplan voor mensen
met dementie in 0e en 1e lijn.
1. Taken combineren met cognitieve stimulatie
Herkenningsoefeningen: Laat patiënten tijdens wandelingen
objecten identificeren, bijvoorbeeld bomen, kleuren of gebouwen.
, Op volgorde zetten: Oefeningen waarbij beweging wordt
gecombineerd met een volgorde zoals trappen beklimmen met een
specifiek ritme of patroon.
Puzzel en beweging: Bewegingsactiviteiten integreren met
eenvoudige puzzels of het ordenen van kaarten.
2. Foutloos leren
Eenvoudige en herhalende structuren: Bewegingen worden
aangeleerd zonder fouten, zodat de focus blijft op positieve
herhaling en succes.
Stapsgewijze instructies: Beweegplannen maken gebruik van kleine,
duidelijke stappen die eenvoudig te volgen zijn voor patiënten.
3. Geheugenoefeningen tijdens beweging
Muziek en ritme: Gebruik liedjes die mensen herkennen om
bewegingen te begeleiden, wat zowel het geheugen als motorische
vaardigheden stimuleert.
Routinegerichte oefeningen: Activiteiten die aansluiten bij dagelijkse
routines (bijv. opstaan en zitten), zodat cognitieve betrokkenheid
wordt geïntegreerd.
4. Sociale interactie
Groepsactiviteiten: Samen bewegen in een groep biedt zowel sociale
als cognitieve prikkels, zoals het onthouden van namen en
gesprekken tijdens de activiteit.
Spelvormen: Bewegingsspelletjes zoals balgooien met vragen,
waarbij patiënten antwoord geven tijdens het spel.
5. Adaptieve benadering
Individuele verschillen: Het beweegplan wordt afgestemd op de
specifieke cognitieve mogelijkheden van de persoon, waarbij het
behoud van vaardigheden centraal staat.
Positieve feedback: Zorgverleners ondersteunen voortdurend met
complimenten en beloningen om motivatie hoog te houden.
Klinimetrie: NEADL
De Nottingham Extended Activities of Daily Living Index (NEADL) wordt
gescoord op een schaal van 0 tot 66 punten, waarbij hogere scores wijzen
op een grotere mate van zelfstandigheid. De normwaarden kunnen
variëren afhankelijk van de populatie en de context waarin de test wordt
afgenomen.
De scores worden als volgt geïnterpreteerd:
0-22 punten: Ernstige beperkingen in dagelijkse activiteiten.
23-44 punten: Matige beperkingen, waarbij enige zelfstandigheid
behouden blijft.
45-66 punten: Relatief hoge mate van zelfstandigheid.
Leerstrategiën trial and error en foutloos leren bij patiënten met
CNA.
1. Trial-and-error
Kenmerken: Bij deze methode probeert de patiënt een taak uit te
voeren en leert hij van de fouten die hij maakt. Het proces is
gebaseerd op het vermogen om fouten te herkennen en te
corrigeren.
Toepassing: Geschikt voor patiënten met relatief intacte executieve
functies en een goed werkend expliciet geheugen.
Kennisclips dementie:
De student kan:
benoemen dat dementie een neurodegeneratief beeld is en welke
klinische manifestaties daarop duiden.
Een neurodegeneratief ziektebeeld betekent dat het wordt gekenmerkt
door progressieve schade aan de zenuwcellen in de hersenen. Dit leidt tot
een geleidelijke achteruitgang van cognitieve functies en andere
hersenactiviteiten. Klinische manifestaties die hierop wijzen zijn onder
andere:
Geheugenverlies: Moeite met het onthouden van recente
gebeurtenissen of informatie.
Veranderingen in gedrag en persoonlijkheid: Dit kan variëren van
apathie tot agressie.
Problemen met taal: Moeite met het vinden van woorden of het
begrijpen van gesprekken.
Visuospatiële beperkingen: Problemen met het herkennen van
gezichten, plaatsen of het inschatten van afstanden.
Uitvoerende functies: Moeite met plannen, organiseren of het
uitvoeren van complexe taken.
Motorische symptomen: Loopstoornissen of andere fysieke
veranderingen kunnen ook voorkomen.
Fysiotherapeutisch handelen bij mensen dementie begrijpen
vanuit zowel gevolgen van het neurologisch syndroom als
gevolgen voor het maatschappelijk functioneren
Gevolgen van het neurologisch syndroom
Motorische beperkingen: Door schade aan de hersenen kunnen
bewegingen trager worden, de coördinatie verminderen en
spierspanning toenemen (zoals bij paratonie). Fysiotherapie richt
zich op het verbeteren van mobiliteit, balans en kracht.
Cognitieve achteruitgang: Dit kan leiden tot verminderde motivatie
en begrip van oefeningen. De fysiotherapeut past de behandeling
hierop aan door eenvoudige, herhalende en gestructureerde
oefeningen te gebruiken.
Valpreventie: Door verminderde balans en spierkracht is er een
verhoogd risico op vallen. Fysiotherapie kan helpen met oefeningen
die gericht zijn op stabiliteit en valpreventie.
Gevolgen voor het maatschappelijk functioneren
Zelfredzaamheid: Fysiotherapie ondersteunt bij dagelijkse
activiteiten zoals lopen, opstaan en traplopen, zodat mensen langer
zelfstandig kunnen blijven.
Sociale interactie: Beweging kan worden geïntegreerd in
groepsactiviteiten, wat sociale betrokkenheid stimuleert.
Mantelzorgers: Fysiotherapeuten werken vaak samen met
mantelzorgers om hen te begeleiden in het ondersteunen van de
patiënt, bijvoorbeeld bij transfers of het stimuleren van beweging.
,De stadia van dementie en bijbehorende verlies aan vaardigheden
benoemen.
Vroeg stadium
Cognitieve achteruitgang: Moeite met het onthouden van recente
gebeurtenissen, het vinden van woorden en het maken van plannen.
Zelfstandigheid: Mensen functioneren grotendeels zelfstandig, maar
merken kleine veranderingen die hen kunnen frustreren.
Sociale impact: Afname van interesse in sociale activiteiten door
onzekerheid of schaamte.
Midden stadium
Geheugenverlies verergert: Vaak vergeten wie mensen zijn of waar
men is.
Dagelijkse activiteiten: Moeilijkheden met complexe taken zoals
koken, boodschappen doen of financiën beheren.
Gedragsveranderingen: Verhoogde verwarring, irritatie, of zelfs
wanen en hallucinaties.
Mobiliteit: Mogelijke vermindering van coördinatie en toenemende
valrisico's.
Laat stadium
Ernstig geheugenverlies: Geen herkenning van familie of vrienden.
Taalproblemen: Bijna volledig verlies van spraak, slechts enkele
woorden of geluiden.
Afhankelijkheid: Volledige afhankelijkheid van zorgverleners voor alle
activiteiten, zoals eten, wassen en aankleden.
Lichamelijke achteruitgang: Bedlegerigheid, verlies van controle
over blaas en darmen, en uiteindelijk slikproblemen.
MCI als mogelijk voorstadium van dementie benoemen.
Milde cognitieve stoornis (MCI, Mild Cognitive Impairment) wordt vaak
gezien als een mogelijk voorstadium van dementie. Het wordt gekenmerkt
door een merkbare achteruitgang in cognitieve functies, zoals geheugen,
taal of probleemoplossend vermogen, die echter nog niet ernstig genoeg
is om het dagelijks functioneren sterk te belemmeren.
Belangrijke kenmerken van MCI zijn:
Geheugenproblemen: Mensen merken vaak dat hun
kortetermijngeheugen achteruitgaat.
Beperkte invloed op dagelijks leven: Hoewel er veranderingen zijn,
zijn de meeste mensen met MCI nog in staat om hun dagelijkse
activiteiten zelfstandig uit te voeren.
Verhoogd risico op dementie: Mensen met MCI hebben een
verhoogde kans om later een vorm van dementie te ontwikkelen,
zoals de ziekte van Alzheimer.
Het is echter belangrijk te benadrukken dat niet iedereen met MCI
uiteindelijk dementie ontwikkelt. Sommige mensen blijven stabiel, terwijl
anderen zelfs enige verbetering kunnen laten zien, afhankelijk van de
oorzaak.
Het effect van behoud van fitheid in vroege stadia van
dementie relateren aan effect op cognitieve capaciteit en
vertragen van het dementieproces.
Effect op cognitieve capaciteit
, Verbetering van hersenfunctie: Regelmatige lichaamsbeweging
stimuleert de doorbloeding van de hersenen en bevordert de groei
van nieuwe zenuwcellen, wat de hersenplasticiteit ondersteunt.
Cognitieve voordelen: Aerobe oefeningen en andere fysieke
activiteiten kunnen specifieke cognitieve functies verbeteren, zoals
geheugen, aandacht en probleemoplossend vermogen.
Stabilisatie van executieve functies: Beweging helpt bij het
behouden van vaardigheden zoals plannen en initiatief nemen, die
essentieel zijn voor het dagelijks functioneren.
Vertraging van het dementieproces
Langzamere progressie: Fysieke activiteit kan de achteruitgang van
hersenfuncties vertragen en symptomen stabiliseren.
Preventieve werking: Regelmatige beweging vermindert het risico op
verdere cognitieve achteruitgang en kan bijdragen aan een betere
kwaliteit van leven.
Gedragsmatige voordelen: Naast cognitieve effecten kan beweging
ook gedragsproblemen verminderen, zoals agitatie en depressie.
De diverse benaderingswijzen/ Beweeg-/ leerstrategieën in
dementiezorg in 0e en 1e lijn benoemen.
Benaderingswijzen
1. Validation: Hierbij wordt de beleving van de persoon met dementie
erkend en gerespecteerd. Zorgverleners gaan mee in de
gedachtewereld van de patiënt, wat gevoelens van veiligheid en
eigenwaarde versterkt.
2. Reminiscentie: Het ophalen van positieve herinneringen uit het
verleden om sociale interactie en eigenwaarde te stimuleren.
3. Belevingsgerichte zorg: De zorg wordt afgestemd op de individuele
behoeften en beleving van de cliënt, met als doel stress te
verminderen en positieve ervaringen te creëren.
Beweegstrategieën
1. Dagelijkse activiteiten integreren: Beweging wordt gestimuleerd
door dagelijkse taken zoals wandelen, tuinieren of huishoudelijke
activiteiten.
2. Beweegprogramma's: Specifieke oefeningen gericht op kracht,
balans en flexibiliteit, vaak ondersteund door muziek.
3. Belevingstuinen: Een omgeving die beweging en sociale interactie
stimuleert, bijvoorbeeld door herkenbare muziek of sensorische
prikkels.
Leerstrategieën
1. Foutloos leren: Taken worden in kleine stappen aangeleerd, zodat
fouten worden voorkomen en het leerproces wordt vergemakkelijkt.
2. Emotieleren: Het koppelen van positieve emoties aan nieuwe
gewoontes om het leerproces te ondersteunen.
3. Operant leren: Gedrag wordt gestimuleerd door beloningen, wat
helpt bij het aanleren van nieuwe vaardigheden.
De cognitieve capaciteit benutten in het beweegplan voor mensen
met dementie in 0e en 1e lijn.
1. Taken combineren met cognitieve stimulatie
Herkenningsoefeningen: Laat patiënten tijdens wandelingen
objecten identificeren, bijvoorbeeld bomen, kleuren of gebouwen.
, Op volgorde zetten: Oefeningen waarbij beweging wordt
gecombineerd met een volgorde zoals trappen beklimmen met een
specifiek ritme of patroon.
Puzzel en beweging: Bewegingsactiviteiten integreren met
eenvoudige puzzels of het ordenen van kaarten.
2. Foutloos leren
Eenvoudige en herhalende structuren: Bewegingen worden
aangeleerd zonder fouten, zodat de focus blijft op positieve
herhaling en succes.
Stapsgewijze instructies: Beweegplannen maken gebruik van kleine,
duidelijke stappen die eenvoudig te volgen zijn voor patiënten.
3. Geheugenoefeningen tijdens beweging
Muziek en ritme: Gebruik liedjes die mensen herkennen om
bewegingen te begeleiden, wat zowel het geheugen als motorische
vaardigheden stimuleert.
Routinegerichte oefeningen: Activiteiten die aansluiten bij dagelijkse
routines (bijv. opstaan en zitten), zodat cognitieve betrokkenheid
wordt geïntegreerd.
4. Sociale interactie
Groepsactiviteiten: Samen bewegen in een groep biedt zowel sociale
als cognitieve prikkels, zoals het onthouden van namen en
gesprekken tijdens de activiteit.
Spelvormen: Bewegingsspelletjes zoals balgooien met vragen,
waarbij patiënten antwoord geven tijdens het spel.
5. Adaptieve benadering
Individuele verschillen: Het beweegplan wordt afgestemd op de
specifieke cognitieve mogelijkheden van de persoon, waarbij het
behoud van vaardigheden centraal staat.
Positieve feedback: Zorgverleners ondersteunen voortdurend met
complimenten en beloningen om motivatie hoog te houden.
Klinimetrie: NEADL
De Nottingham Extended Activities of Daily Living Index (NEADL) wordt
gescoord op een schaal van 0 tot 66 punten, waarbij hogere scores wijzen
op een grotere mate van zelfstandigheid. De normwaarden kunnen
variëren afhankelijk van de populatie en de context waarin de test wordt
afgenomen.
De scores worden als volgt geïnterpreteerd:
0-22 punten: Ernstige beperkingen in dagelijkse activiteiten.
23-44 punten: Matige beperkingen, waarbij enige zelfstandigheid
behouden blijft.
45-66 punten: Relatief hoge mate van zelfstandigheid.
Leerstrategiën trial and error en foutloos leren bij patiënten met
CNA.
1. Trial-and-error
Kenmerken: Bij deze methode probeert de patiënt een taak uit te
voeren en leert hij van de fouten die hij maakt. Het proces is
gebaseerd op het vermogen om fouten te herkennen en te
corrigeren.
Toepassing: Geschikt voor patiënten met relatief intacte executieve
functies en een goed werkend expliciet geheugen.