Hoorcollege 1 – Overzicht macro-economie – Hoofdstuk 21, 22, 24………………………………………………..……………………………………………3
Hoorcollege 2 – Economische groei op lange termijn – Hoofdstuk 24……………………………………………………………………………………………5
Hoorcollege 3 – conjunctuur en inflatie – Hoofdstuk 26, 27 en 31…………………………………………………………………………………………………7
Hoorcollege 4 – Ongelijkheid en staatschuld – Hoofstuk 12 en 28……………………………………………………………………………………………….13
Hoorcollege 5 – Internationale economische betrekkingen – Hoofdstuk 33………………………………………………………………………………..17
2
,HOORCOLLEGE 1 – OVERZICHT MACRO-ECONOMIE – HOOFDSTUK 21, 22, 24
1. Meten omvang van de economie (bbp)
Bbp: de totale waarde van alle eindproducten en einddiensten die in een bepaalde periode in een economie zijn geproduceerd.
▪ Goederen: fysieke producten die je koopt
▪ Diensten: immaterieel
▪ Eindproduct: een product dat wordt verkocht aan de eindgebruiker.
Voorbeeld Het kopen van een auto. Als een autofabrikant staal koopt om een auto te produceren, wordt dit niet als een eindproduct
beschouwd, maar het is een onderlinge levering van de staalproducent aan de autofabrikant.
▪ Bij de berekening van het bbp nemen we deze onderlinge leveringen niet mee (anders krijg je dubbeltellingen).
Voorbeeld
Een boer produceert 1 kg tarwe en verkoopt dit voor €2,- aan de bakker.
- Omzet van de boer is €2,-
Een bakker koopt deze tarwe en produceert twee broden die hij voor €3,- per stuk verkoopt.
- Omzet van de bakker is €6,-
Wat is de totale bbp in deze economie?
- Optie 1 – Tel de waarde van het eindproduct: €6,-
- Optie 2 – Bereken de toegevoegde waarde = omzet – onderliggende leveringen
- Toegevoegde waarde van de boer is €2 – €0 = €2,-
- Toegevoegde waarde van de bakker is €6 – €2 = €4,-
Totale waarde eindproducten en einddiensten = Σ toegevoegde waarde
Door de toegevoegde waarde op te tellen, hoeven we niet te definiëren welke producten eindproducten zijn en welke niet, en vermijden we
toch dubbeltellingen.
Drie manieren om bbp te meten:
1) Productie Σ toegevoegde waarden van bedrijven
2) Inkomen Σ primaire inkomens: loon, winst, rente, huur en winst
3) Bestedingen Y=C+I+O+E–M
2. Inflatie / deflatie
Nominaal vs. reëel bbp
Nominaal bbp: bbp uitgedrukt in de huidige marktprijzen. Voorbeeld 1 Voorbeeld 2
Reëel bbp: nominaal bbp / prijsniveau. (koopkracht) Een boer produceert 1 kg tarwe Een boer produceert 1 kg tarwe
en verkoopt dit voor € 2,- aan en verkoopt dit voor € 4,- aan
Voorbeeld In welke economie is de productie groter? een bakker. een bakker.
Een bakker produceert twee Een bakker produceert twee
- Voorbeeld 1 €6 / €3 = 2 (broden)
broden die hij voor € 3,- per stuk broden die hij voor € 6,- per stuk
- Voorbeeld 2 €12 / €6 = 2 (broden) verkoopt. verkoopt.
Het reële bbp is in beide economieën gelijk. Nominaal bbp is € 6,- Nominaal BBP is € 12,-
Voorbeeld Berekening reëel bbp
- Bereken het bbp in constante prijzen, bijvoorbeeld van 2021. Appel Peren
- Bbp 2021 20 x €3 + 10 x €4 = €100 Prijs Hoeveel Prijs Hoeveel
- Bbp 2022 15 x €3 + 20 x €4 = €125 2021 €3 20 €4 10
Groei in reëel bbp = ((125-100)/100) x 100% = 25% 2022 €4 15 €3 20
Voorbeeld Berekening consumentenprijsindex (CPI)
- Basisjaar 2021, dus dat jaar bepaalt het mandje. (behoud dus dezelfde hoeveelheid appels en peren!)
- Prijsniveau 2021 20 x €3 + 10 x €4 = €100
- Prijsniveau 2022 20 x €4 + 10 x €3 = €110
Inflatie = (110-100)/(100) x 100 % = 10%
3
,Recente inflatieontwikkeling Nederland
▪ Tot 2021 was de inflatie in Nederland erg laag.
▪ Na 2021 sterke stijging door Coronacrisis en oorlog in de Oekraïne.
▪ Recent inflatie weer gedaald door rentestijging ECB.
Goed voor armen met schulden, slecht voor rijken met spaargeld.
Onzekerheid → prijsniveau is met hoge inflatie moeilijker te schatten. (variabeler)
Loon-prijsspiraal
3. Structuur / conjunctuur
▪ Economie ontwikkelt zich in praktijk niet gestaag zoals Y*.
▪ ∆Y*/Y* Structurele groei, trendmatige groei, lange-termijn
groei, potentiële groei.
▪ De feitelijke economische groei is soms hoger (expansie) en
soms lager (recessie) dan de trendmatige economische groei:
▪ Y>Y* Expansie, positieve output gap, overbesteding,
hoogconjunctuur.
▪ Y<Y* Regressie, negatieve output gap, onderbesteding
laagconjunctuur.
▪ Verschil tussen Y en Y* = conjunctuur.
Adam Smith: 1776 The Wealth of Nations
▪ Klassieken: geloof in marktwerking, ‘de onzichtbare hand’. Als
deze goed werkt, schept elk aanbod zijn eigen vraag. Daardoor geldt: Y = Y*
▪ Marktwerking is – als aan bepaalde voorwaarden is voldaan – een heel succesvol economisch mechanisme.
▪ Verklaart het succes van de EU (interne markt, vrijhandel tussen EU-landen bevordert marktwerking).
John Maynard: 1936 The General Theory
▪ Markten werken niet altijd perfect, waardoor Y ≠ Y*
▪ Negatieve vertrouwensschok (bijvoorbeeld corona-crisis) → gezinnen gaan meer sparen en bedrijven gaan minder
investeren → minder bestedingen → lagere productie → lagere werkgelegenheid → nog minder vertrouwen → consumptie
en investeringen verder omlaag etc.
▪ Cruciale rol van vertrouwen (‘animal spirits’)
▪ Als mensen optimistisch zijn, geven ze meer uit en investeren ze meer → economische groei.
▪ Als mensen pessimistische zijn, houden ze hun geld vast → recessie of economische krimp.
Macro-economische kringloop
1) Gezinnen: Y = C + B + S
2) Bedrijven: Y = C + I + O + E – M (Effectieve Vraag)
Vormt samen:
3) (S – I) + (B – O) = E – M
Nationaal spaarsaldo = Saldo op de lopende rekening
4
, 4. Meten welvaart
▪ In 2019 waren mensen in Nederland ruim drie keer zo rijk als in 1960!
▪ Bbp relatief makkelijk te meten. En er is vaak ook een positieve relatie
tussen bbp en bredere welvaart.
Bbp-groei is exponentieel
Bbpt = bbp0 * (1 + g)t
Een vuistregel is dat het aantal jaren dat nodig is om het bbp te
70
verdubbelen gelijk is aan
𝑔𝑟𝑜𝑤𝑡ℎ 𝑟𝑎𝑡𝑒
Kleine verschillen in bbp-groei hebben een groot effect op het niveau.
Bbp en brede welvaart
Het lijkt erop dat er een positieve relatie is tussen het bbp en maatstaven van welzijn (‘brede welvaart’).
Maar bbp-maximalisatie is niet automatisch gelijk aan welvaartmaximalisatie.
Het CBS publiceert sinds 2028 de monitor brede welvaart: Monitor Brede Welvaart 2023.
Nadeel → heel veel indicatoren en daardoor geen eenduidig beeld.
HOORCOLLEGE 2 – ECONOMISCHE GROEI OP LANGE TERMIJN – HOOFDSTUK 24
Data over bbp-groei / inkomensverschillen
Economische groei op lange termijn bepaalt welvaartsverschillen tussen landen → maatstaf: reëel bbp/hoofd van de bevolking
Groei bbp op lange termijn
2 componenten: 𝒀 = 𝑵 × 𝒀/𝑵 𝑁 de omvang van de bevolking
𝑌/𝑁 reëel bbp per hoofd van de bevolking
Nederlandse data
▪ In Nederland was het reële bbp per hoofd van de bevolking in 2022 ongeveer €43.000.
▪ Nederland is daarmee één van de rijkste landen binnen de EU.
▪ Ter vergelijking: één van de armste landen ter wereld is Sierra Leone met een reëel bbp per hoofd van €1.700.
▪ Gemiddelde Nederlander is 25 keer zo rijk als gemiddelde persoon in Sierra Leone.
▪ Wat een Nederlander (die niet spaart) in ruim 2 weken consumeert, is wat iemand in Sierra Leone in 1 jaar consumeert!
Bronnen van economische groei
A. Arbeid en kapitaal
Solow groeimodel 𝒀 = 𝑨(𝑲, 𝑳)
Om de productie 𝑌 te creëren:
𝐿 Hoeveelheid arbeid
𝐾 Hoeveelheid kapitaal
𝐴 Totale factor productiviteit
Productiefactor arbeid (𝑳):
▪ Op lange termijn groeit 𝐿 ongeveer even snel als de bevolking 𝑁.
▪ Welvaart afgemeten aan bbp per hoofd van de bevolking. Dus verhogen bevolkingsgroei leidt niet tot hogere welvaart.
Voor welvaart is niet de hoogte van 𝑌 maar de arbeidsproductiviteit 𝒀/𝑳 relevant.
▪ Verhogen van de kwaliteit van arbeid (human capital↑) is wel effectief. Dit is een onderdeel van 𝐴, de totale
factorproductiviteit.
5