Dit oefententamen bestaat uit 20 vragen over de volgende hoofdstukken:
H1 t/m H4, H6 t/m H11, H13 t/m H16, H19, H24
Voor dit oefententamen kan in totaal 50 punten worden behaald.
Je cijfer kan als volgt worden berekend: (Aantal behaalde punten/ 50) x 10
De uitwerkingen bevinden zich op de laatste pagina
Door het heffen van een accijns maakt de overheid de marktprijs van een product
hoger.
1. Wat is het meest waarschijnlijke gevolg van de invoering van zo’n accijns? 2pt
A. De vraaglijn zal naar rechts verschuiven.
B. De aanbodlijn zal naar links verschuiven.
C. De aanbodlijn zal naar rechts verschuiven.
D. De vraaglijn zal naar links verschuiven.
De producenten van een bepaald type product weten door marktonderzoek dat de
vraag naar hun product prijselastisch is. Zij streven naar een verhoging van hun
omzet.
1. Wat kunnen ze in dat geval het beste doen? 2pt
A. Meer producten produceren en te koop aanbieden.
B. De verkoopprijs verhogen.
C. Bezuinigen op de productiekosten.
D. De verkoopprijs verlagen.
Op een markt met volledige mededinging heeft het maken van reclame door een
individuele aanbieder geen zin.
1. Welk kenmerk van een markt met volledige mededinging is daarvoor de
belangrijkste verklaring? 2pt
A. Het aantal aanbieders is zeer groot.
B. De toetreding tot de markt is vrij.
C. Alle marktpartijen zijn volledig geïnformeerd.
D. De aangeboden goederen zijn homogeen.
Veronderstel dat de verkoopprijzen van bedrijf A ten opzichte van het vorige jaar
gemiddeld met 10% zijn gestegen, terwijl de totale afzet met 4% is gestegen.
1. Hoeveel bedroegen de reële en de nominale stijging van de omzet bij
benadering?2pt
A. De reële omzetstijging: 10%
De nominale omzetstijging: 10%
B. De reële omzetstijging: 6%
De nominale omzetstijging: 10%
C. De reële omzetstijging: 6%
De nominale omzetstijging: 14%
D. De reële omzetstijging: 14%
De nominale stijging: 6%
1