HUIDTHERAPIE LEERJAAR 1
Inhoudsopgave
Hoorcollege 1 – Weerstand basis..........................................................................................................................................................2
Hoorcollege 2 – Farmacologie; crèmes, pasta’s en andere vehicula....................................................................................................6
Hoorcollege 3 – Zon en de huid..........................................................................................................................................................10
hoorcollege 4 – allergie.......................................................................................................................................................................13
Hoorcollege 5 – Kleurenleer................................................................................................................................................................16
Hoorcollege 6 – Indifferente middelen...............................................................................................................................................18
Hoorcollege 7 – Eczemen deel I en II..................................................................................................................................................19
hoorcollege 8 – Weerstand en infecties.............................................................................................................................................20
Hoorcollege 9 – Pigmentstoornissen..................................................................................................................................................21
,HOORCOLLEGE 1 – WEERSTAND BASIS
Hoe ontstaat ziekte?
Ons lichaam wordt de hele dag blootgesteld aan prikkels, waarvan meerdere potentieel schadelijk. Bijv. hondenbeten,
uitlaatgassen, influenzavirus en E. Coli.
Noxe/noxa = schadelijke prikkel ziekteoorzaak
Nocisensoren = pijnzintuigen gevoelig voor beschadiging.
Exogene noxe: van buiten
Afwijkende genen of chromosomen
Anatomische afwijkingen
Bij de embryo in de baarmoeder (drugs, zuurstoftekort, virusinfecties)
Endogene noxe: van binnen
Fysisch (druk, thermisch, elektrisch, straling, geluid, zuurstoftekort)
Chemisch (etsende stoffen, gif)
Biologisch (infecties)
Voedingsoorzaken (besmet, ziekmakende bestanddelen, onjuiste samenstelling, sporenelementen)
Ziekte ontstaat aan de hand van de aard en intensiteit van de noxe en de tijd dat je eraan wordt blootgesteld. Ook de afweer
speelt een rol de constitutie (erfelijke eigenschappen) en de conditie (bijv. leeftijd en voedingstoestand).
De oorzaak van ziekte kan monocausaal of multicausaal zijn:
Monocausaal 1 oorzaak
Multicausaal meerdere oorzaken
Normaal kunnen cellen op prikkels reageren en zich aan de prikkel aanpassen. De cel blijft dan in evenwicht met zijn omgeving
en er vind geen verandering in structuur en functie plaats.
Waar hangt het aanpassingsvermogen van de cel vanaf?
Soort cel
Celdelingsfase
Celleeftijd
Celconditie
Wanneer een cel zich niet kan aanpassen kunnen er veranderingen gaan optreden:
Groeistoornis/structuur
Hypertrofie = de cel wordt groter
Hyperplasie = het aantal cellen neemt toe
Metaplasie = cellen gaan zich in een andere richting differentiëren
Neoplasie = autonome celgroei; bijv. oncogene virussen
Regressieve veranderingen
Een achteruitgang (regressie) in de functie en de structuur van de cel.
Door het inwerken van de noxe kunnen er verschillende dingen gebeuren: de cel herstelt, verandert of gaat
dood (necrose).
Een achteruitgang in functie en structuur op cel en weefselniveau
Degeneratie
Atrofie
Necrose
Degeneratie = ophoping van abnormale substanties in of tussen de cellen
Hydropische degeneratie
Vettige degeneratie
Hyaliene verandering
Mucoïde verandering
Dystrofische calcificaties
, Necrose = celdood. Na de celdood kunnen 3 dingen gebeuren:
Regeneratie = cellen worden vervangen door gelijkwaardige cellen
Reparatie = cellen worden vervangen door bindweefsel
Dood = teveel cellen zijn doodgegaan
Aspecifieke immuniteit (innate defenses):
Fysieke barrières/verdedigingsmechanisme:
Huid
Slijmvliezen
Interne verdediging:
Bacteriedodende stoffen: zweet, talg, maagzuur
Trilhaar epitheel luchtwegen
Fagocyterende cellen
NK cellen
Ontstekingsreactie
Complement/interferon
Koort
Specifieke immuniteit (adaptive defenses)
Humorale immuniteit: B-lymfocyten (B-cellen)
In beenmerg ontwikkelde immuuncompetente cellen, verspreiden naar lymfeklieren, darmwand, tonsillen.
Vormen zich tijdens de primaire immuunrespons om tot plasmacellen
Plasmacellen produceren immunoglobulines (humorale immuniteit)
Cellulaire immuniteit: T-lymfocyten (T-cellen)
Ontstaan in thymus gaan naar lymfeklieren
Zijn als cellen direct betrokken bij onschadelijk maken van stoffen
2 typen:
T-regulator cellen: helper/suppressor
T-effector cellen: killer/geheugen
Verworven immuniteit, deze ontstaat pas nadat het lichaam in contact is geweest met een bepaalde ziekteverwekker.
Immunoglobulines = eiwitten die zich specifiek binden aan het membraan van een bacterie of virus, waardoor die eenvoudig
door macrofagen kan worden getraceerd en vernietigd.
Verschillende soorten: IgA, IgD, IgE, IgG, IgM
Cellen betrokken bij de afweer
Witte bloedcellen (leukocyten), onderverdeeld in granulocyten aspecifieke afweer
Neutrofiele granulocyten
Eosinofiele granulocyten
Basofiele granulocyten
Monocyten (macrofagen) aspecifieke afweer
Lymfocyten
T-lymfocyten
B-lymfocyten
Monocyten (macrofagen)
Ontstaan in het beenmerg, na enkele dagen in de bloedbaan nestelen zij zich als macrofagen in het weefsel. Macrofagen zijn
aanwezig in bindweefsel in de huid, darmwand en longblaasjes.
Werking:
Fagocytose
Afscheiden cytokine: aantrekken granulocyten en monocyten
Antigeen presenteren aan specifieke immuunsysteem
Afgifte interleukine: lymfocyten lokken naar geïnfecteerd weefsel