Week 1.......................................................................................................................................................... 3
H1. Het jeugdstrafrecht en jeugdspecialisme......................................................................................................3
H2. Leeftijdsgrenzen en het adoloscentenstrafrecht.........................................................................................10
Week 2........................................................................................................................................................ 19
H3. Buitengerechtelijke afdoening van jeugdstrafrecht....................................................................................19
H4. Jeugdige verdachten op het politiebureau..................................................................................................25
Aanvullende literatuur week 1 & 2............................................................................................................... 30
Y.N. van den Brink en E.M. Mijnarends, General Comment No. 24 - nieuw elan voor het jeugdstrafrecht?
Over leeftijdsgrenzen, ‘diversion’ en de bredere implicaties voor het jeugdstrafrecht, Boom Strafblad 2020,
p. 7-15.................................................................................................................................................................30
J. uit Beijerse, De strafwetgever en kinderrechten: nog te veel een opgedrongen ideaal? Boom Strafblad
2020, p. 16-19.....................................................................................................................................................34
I. Weijers en J. uit Beijerse, Een eeuw jeugdstrafrechter. Hoog tijd voor herbezinning op zijn rol, Nederlands
Juristenblad 2022, p. 897-903............................................................................................................................36
J. uit Beijerse en G.J. Koops-Geuze, Lange gevangenisstraffen voor jongeren die zich laten inzetten bij
liquidaties? Voorstellen tot herziening van artikel 77b Sr op basis van juridische en empirische
argumenten, Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht 2023/71, p. 257-265......................................................39
J. uit Beijerse, T. Fischer e.a., De politie-reprimande voor minderjarige first offenders van lichte feiten.
Evaluatie van de landelijke Pilot Reprimande, Erasmus School of Law, 2022, p. 55-74....................................41
Week 3........................................................................................................................................................ 46
H.5. De voorlopige hechtenis van jeugdige verdachten....................................................................................46
H6. Procedurele waarborgen voor de berechting..............................................................................................51
Aanvullende literatuur week 3..................................................................................................................... 61
Ik was op de terugweg/ Linda Dubbelman – Lessen van Ad de Beer, jeugdofficier in
Rotterdam, PROCES 2023, p. 271-274...............................................................................................................61
Tramlijn 2, Melvin van Kuilenburg – Tramlijn 2: wegens omstandigheden omgeleid, PROCES 2023..............61
McFluffy en zijn vriendje, Amanda de Nijs – Met zo’n officier heb je geen advocaat nodig!, PROCES 2023, p.
298-301...............................................................................................................................................................61
Zwijgrecht en pedagogisch bejegenen/Ido Weijers – Geen routineus beroep op zwijgrecht, PROCES 2023. .61
Week 4........................................................................................................................................................ 63
H7. Strafrechtelijke jeugdsancties......................................................................................................................63
H8. De rechtspositie in de justitiële jeugdinrichting..........................................................................................69
Aanvullende literatuur week 4..................................................................................................................... 78
Ad de Beer – Joey en de Flintstone-auto/ Marjolein Rietbergen – Flintstone-auto en gettoblaster. Oftwel:
kijken naar wat wél kan, PROCES 2023, p. 302-306 (5 p.).................................................................................78
Ad de Beer – De ogen van de kinderrechter/ Sonja de Pauw Gerlings-Dörhn – Jeugdstrafzitting met Ad de
Beer. Vaak verrassend en altijd zinvol! PROCES 2023, p. 294-298 (5 p.)...........................................................78
, Ad de Beer – Het einde van de PIJ/Carlo Dronkers, Onze jongens worden zelden modelburgers, PROCES
2023, p. 275-290 (16 p.).....................................................................................................................................78
Ad de Beer – De Jeugdwet 2015 en PIJ-ers/ Soraya Beumer – Nazorg voor PIJ-ers: een weeffout in de
Jeugdwet 2015, PROCES 2023, p. 321-326 (6 p.)...............................................................................................80
Ad de Beer – Dwars, Christa de Beer van Staveren – Anthony, een knappe, jonge man van ondertussen in de
dertig, PROCES 2023, p. 365-367 (3 p.)..............................................................................................................80
Week 5........................................................................................................................................................ 81
Ido Weijers - Jonge veelplegers en hun worsteling om te stoppen met criminaliteit. Een
vierfasenmodel, Tijdschrift voor Criminologie 2020, p.228-246 (19 p.)............................................................81
Ido Weijers, Henk Ferwerda & Robby Roks, Verharding van de jeugdcriminaliteit Het probleem van de
potentiële doorgroeiers, NJB 2021/3 (10 p.).....................................................................................................85
Y. N. van den Brink, Geschorst onder voorwaarden. Meningen van jeugdige verdachten, ouders en
jeugdreclasseerders, DD 2013/26 (19 p.)..........................................................................................................87
Jolande uit Beijerse en Sanne Struijk - De justitiële carrière van de jongvolwassen ‘blingbling’-veelpleger: van
ITB naar ISD? In: P.A.M. Mevis e.a. (red.), Omzwervingen tussen psychiatrie en recht. Liber Amicorum
Hjalmar van Marle, 2015, p. 227-239 (13 p.).....................................................................................................92
J. uit Beijerse, De waarde van gesprekken met gedetineerde jongeren, In: J.P. van der Leun e.a. (red.), De
vogel vrij? Liber Amicorum Martin Moerings, 2011, p. 159-169 (11 p.)...........................................................96
J. uit Beijerse, De positie van de maandcommissaris in de justitiële jeugdinrichting, Sancties 2017, p. 307-
310 (4 p.)...........................................................................................................................................................100
,Week 1.
H1. Het jeugdstrafrecht en jeugdspecialisme
1.1
VN-Kinderrechtencomité, dat toeziet op de naleving van het IVRK, heeft de bepalingen die betrekking
hebben op het jeugdstrafrecht toegelicht in General Comment nr. 24 on children’s rights in the child
justice system.
- Voor volledige implementatie van het verdrag is een effectieve organisatie van de
jeugdrechtspleging nodig: gespecialiseerde jeugdunits van de politie, jeugdofficieren van
justitie, jeugdrechtadvocaten, kinderrechtbanken enzovoort.
- Speciale aandacht voor gespecialiseerde gemeenschapsgerichte voorzieningen voor
kinderen.
- Voor de kwaliteit van de jeugdrechtspleging moet alle betrokken professionals adequaat en
multidisciplinair worden getraind op de inhoud en betekenis van het verdrag.
Paragraaf 2
1.2.1 en 1.2.2
Zie videocollege 1
Kinderwetje van Van Houten: 1874 kinderarbeid tot 12 jaar verboden. Om gezinnen die afhankelijk
waren van de fabrieksarbeid van hun kinderen, tegemoet te komen, konden kinderen van 10 tot 12
jaar daar wel werken, maar alleen op basis van een vergunning voor maximaal zes uur per dag
gecombineerd met drie uur onderwijs per dag. Tevens kregen gemeenteraden de mogelijkheid om
een leerplicht in te voeren voor kinderen van 8 tot 12 jaar en de overtreding daarvan strafbaar te
stellen. Deze voorstellen werden in de loop van de parlementaire behandeling echter volledig
uitgehold. De mogelijkheid om leerplicht in te voeren, werd geschrapt. Het verbod op kinderarbeid
ging niet gelden voor huiselijke of persoonlijke diensten en bij fabrieksarbeid verviel de mogelijkheid
om korter te werken in combinatie met onderwijs. Wel Kinderwetje van Van Houten ingevoerd in
1874.
1.2.3 – Het Wetboek van Strafrecht en het rijksopvoedingsgesticht
1868: Volgens de nieuwe regeling in het wetboek kon een kind niet strafrechtelijk worden vervolgd
voor een feit begaan voordat het de leeftijd van 10 jaar had bereikt (art. 38 Sr). Voor kinderen van 10
tot 16 jaar moest nog steeds worden vastgesteld of ze met het ‘oordeel des onderscheids’ hadden
gehandeld. Wanneer daar geen sprake van was, werd geen straf toegepast. Ging het in dat geval om
een misdrijf waarop gevangenisstraf was gesteld of bedelarij, wat destijds nog strafbaar was (art. 432
Sr), dan kon de rechter plaatsing in een rijksopvoedingsgesticht gelasten en daar kon de rechter ook
de kinderen tot 10 jaar plaatsen. De plaatsing daar kon tot maximaal het 18de jaar duren en de
rechter kon ook tussentijds ontslag verlenen. Minister Modderman had nog verder willen gaan en de
duur van het verblijf in lengte willen beperken tot maximaal zes jaar, omdat een langer verblijf in
straf zou ontaarden en een kind dat na zes jaar niet was verbeterd ook daarna niet meer zou
verbeteren. De Tweede Kamer stemde daar echter niet mee in, maar wel met de mogelijkheid van
tussentijds ontslag.
1.2.4 – De oprichting van Pro Juventute en de NJV-vergaring van 1895
In 1889 richtten strafrechtsgeleerden Franz von Liszt (Duitsland), Adolphe Prins (België) en Gerard
Anton van Hamel (Nederland) de Internationale Kriminalistischen Vereinigung (IKV) op. Deze
vereniging ontwikkelde de strafrechtswetenschap verder door ook sociale wetenschappen zoals
psychologie, pedagogiek en criminologie te betrekken. De behandeling van jeugdige verdachten en
verwaarloosde kinderen was daarbij een belangrijk thema, omdat crimineel gedrag bij jongeren vaak
, voortkwam uit een problematische thuissituatie. Van Hamel, hoogleraar strafrecht aan de
Universiteit van Amsterdam en medeoprichter van de IKV, speelde een sleutelrol in de ontwikkeling
van het jeugdstrafrecht. In 1896 richtte hij naar Belgisch voorbeeld de vereniging ‘Pro Juventute’ op,
die jeugdcriminaliteit bestreed via een patronagestelsel. Dit hield in dat jeugdige verdachten tot 18
jaar een advocaat kregen die probeerde strafvervolging te voorkomen, mits de jongere onder
toezicht werd gesteld van een patroon – een welgestelde vrijwilliger die begeleiding bood als
alternatief voor strafrechtelijk ingrijpen.
De voorstellen van Van Hamel werden besproken op een vergadering van de Nederlandse Juristen
Vereniging (NJV) op 31 augustus 1895. De aanwezigen stemden unaniem voor het schrappen van het
criterium ‘oordeel des onderscheids’ en grotendeels in met het verhogen van de ondergrens naar 12
jaar en deels met de verhoging van de bovengrens naar 18 jaar. Ook de invoering van nieuwe
jeugdstraffen – berisping, schoolstraf en dwangopvoeding – kreeg brede steun. Daarnaast werd
ingestemd met voorstellen buiten het strafrecht, zoals de mogelijkheid ouders uit de ouderlijke
macht te ontzetten en de invoering van een leerplichtwet.
Paragraaf 3
1.3.1 – De Kinderwetten: jeugdstrafrecht en jeugdbeschermingsrecht
De NJV-vergadering van 1895 vormde de basis voor het huidige jeugdstraf- en
jeugdbeschermingsrecht. Minister van Justitie Van der Kaay woonde de vergadering bij en diende
kort daarna een wetsvoorstel in om in te grijpen in het ouderlijk gezag. Voorheen kon ontzetting uit
de vaderlijke macht alleen als bijkomende straf worden opgelegd, maar de nieuwe regeling in het
Burgerlijk Wetboek maakte ingrijpen mogelijk zonder strafrechtelijke veroordeling. Raadsadviseur
Pieter Cort van der Linden breidde dit ontwerp later uit en diende het in samen met de
Strafrechtelijke Kinderwet en de Kinderbeginselenwet. Deze wetten kregen prioriteit en werden in
1901 aangenomen en in 1905 ingevoerd. Daarnaast werd de leerplicht geregeld met een wet voor
kinderen van 6 tot 12 jaar, mede als middel tegen criminaliteit.
De Strafrechtelijke Kinderwet introduceerde aparte jeugdsancties en procedureregels voor
jeugdigen. De rechter hoefde niet langer vast te stellen of een kind ‘oordeel des onderscheids’ had.
Er werd erkend dat kinderen nog in ontwikkeling zijn en vatbaar voor zowel slechte als goede
invloeden, waardoor snelle en doeltreffende interventies noodzakelijk werden geacht.
De Civielrechtelijke Kinderwet verving de vaderlijke macht door gezamenlijk ouderlijk gezag en
verlaagde de meerderjarigheidsgrens van 23 naar 21 jaar. Ingrijpen in het ouderlijk gezag werd
mogelijk door ontzetting (bij misbruik) of ontheffing (bij onmacht tot opvoeden). De minister
benadrukte dat het ouderlijk gezag een fundamenteel recht was, maar dat bij misbruik grenzen
moesten worden gesteld. Civielrechtelijke maatregelen kregen voorrang boven strafrechtelijke
ingrepen als verwaarlozing de oorzaak was van strafbaar gedrag. Tijdens de parlementaire
behandeling werd opgemerkt dat verwaarlozing vaak de oorzaak van criminaliteit was.
In 1922 werd de ondertoezichtstelling ingevoerd als kinderbeschermingsmaatregel. Het kind bleef in
het gezin, terwijl een gezinsvoogd toezicht hield. Dit was een geformaliseerde variant van het
patronagestelsel van Pro Juventute. Tegelijkertijd werd de kinderrechter ingesteld, die zowel
jeugdstraf- als jeugdbeschermingszaken behandelde, wat de band tussen beide rechtsgebieden
verstevigde. De herziening van het jeugdstrafrecht in 1965 was gebaseerd op een rapport uit 1951
van de commissie onder leiding van kinderrechter Overwater. Dit rapport adviseerde een logische
samenhang tussen jeugdstrafrecht en jeugdbeschermingsrecht. Hoewel een apart jeugdwetboek of
een gezamenlijke ministeriële verantwoordelijkheid niet haalbaar werd geacht, werd de
ondertoezichtstelling vanaf 1965 ook als strafrechtelijke maatregel mogelijk. Deze kon worden
opgelegd wanneer een straf of andere maatregel niet passend werd geacht, met nadruk op
ambulante begeleiding en toezicht op behandeling door deskundigen.