Inhoudsopgave
Colleges TOE..................................................................................................1
Kwalitatief................................................................................................................... 2
Experimenteel........................................................................................................... 13
Kwalitatief................................................................................................................. 29
,Kwalitatief
College 2.
Operationaliseren:
Hoe weten we of een meetinstrument een goed instrument is?
- Begripsvaliditeit: Correctheid vd meting: Hoe goed je meting
overeenkomt met het theoretische begrip waarin je geïnteresseerd
bent (nauwkeurigheid)
- Betrouwbaarheid: Consistentie vd meting: de meting varieert niet
door de kenmerken van de manier waarop je hebt gemeten of het
meetinstrument (precisie)
Begripsvaliditeit
- Indruk: lijkt de meting in orde?
- Inhoud: meet het alle aspecten van het construct?
- Convergent: correleert het met een andere meting van hetzelfde
construct?
- Divergent: correleert het met een andere meting van hetzelfde
construct?
- Criterium: Correleert het met een andere meting waarvan we weten
dat de relatie er is?
Sterkte relatie meten met correlatiecoefficient: een meet voor het meten
vd sterkte en de richting van ene lineaire relatie tussen 2 interval/ratio
variabelen
, - Aangegeven met r
- Waarden tussen -1 en +1
kan gebruikt worden om validiteit te meten. Hoge correlatie geeft een
sterke relatie weer, en dus een hoge (convergente) validiteit
Betrouwbaarheid
- Test-hertest
- Interbeoordelaar
- Interne: wordt gemeten adhv conbrach’s alfa.
sterkte weer meten adhv correlatie. Hoge correlatie geeft hoge
betrouwbaarheid weer
Cronbach’s Alpha: meet interne betrouwbaarheid
- Interne consistentie: in welke mate zijn de items in een vragenlijst met
elkaar gecorreleerd?
o Elke vraag meet dus een klein stukje van die ptss. Iemand die
heel veel ptss heeft zal dus hoog scoren op de vragenlijst.
o Weinig correlatie, dan is het dus geen goeie vragenlijst
- 0 = geen relatie, 1 = perfecte relatie
- Hoe hoger de waarde, hoe beter die items met elkaar correleren
- Alle items moeten in dezelfde richting zijn gecodeerd!
- Alpha < 0.7 slechte betrouwbaarheid
Alpha 0.7-0.7 medium betrouwbaarheid
Alpha > 0,8 goede betrouwbaarheid
o Maar, dit is ongeveer. Afhankelijk van het gebruik vd enquete
Item-rest correlatie/item-total correlatie: meet in elke rij de correlatie
tussen die vraag en een schaalscore gemaakt uit alle andere vragen.
- Correlatie tussen item 1 en schaalscore van 2 tm 12. 0.54 is heel
hoog, correleert heel sterk met de rest van die schaal.
- Kijkend naar vraag 10. Correlatie tussen vraag 10 en schaal vd rest =
correlatie van 0.047. Vraag 10 hangt dus niet zo goed samen met de
rest vd schaal.
If item dropped, Cronbachs alfa: wat zou de interne betrouwbaarheid zijn
als die ene vraag niet in de Schaal zou zitten. Kijken of verwijderen van
vraag de betrouwbaarheid omhoog drukt.
Betrouwbaarheidsanalyse: de schaal verbeteren
, Variabele creëren
1. Ompolen van items
2. Betrouwbaarheidsanalyse
3. Schaalscore berekenen dan pas analyseren
o Kunnen gebruikt worden als grafieken, beschrijvende
statistieken, correlatie, t-toets etc.
Nulhypothese toetsen:
Correlatie wordt gebruikt om:
- De sterkte vd lineaire relatie te meten
- De richting van het lineair verband te meten
Regressie wordt gebruikt om: