Week 1 – college 1 d.d. 3 maart 25.................................................................................2
P.A.M. Mevis, Strafrechtelijke rechtsvervolging in de gezondheidszorg, in: Q. Amelink,
C. Bol en L. Postma (red), Tuchtrechtelijke toetsing en strafrechtelijke vervolging in
de gezondheidszorg, Den Haag: Boom Juridisch 2025.................................................2
Handboek Gezondheidsrecht, par. 9.5.........................................................................4
Week 1- college 2, d.d. 6 maart 2025.............................................................................9
M.Buijsen, 'Human Dignity and the Concept of Health Law', European Health Law, p.
3-24 (zie Canvas)......................................................................................................... 9
Week 2, college 1, d.d. 10 maart 2025.........................................................................13
P.A.M. Mevis & L. Postma, ‘Een verkenning van nut, noodzaak en wenselijkheid van
art. 96 Wet BIG’, in: Goed gezondheidsrecht. De maat van Legemaate 2024, p. 253-
260 (zie Canvas)........................................................................................................ 13
E.N. van Zelm, P.A.M. Mevis & L. Postma, 'Strafrechtelijke ontzetting uit het
beroep', DD 2025 (2), p. 149-181..............................................................................14
Rb. Zeeland-West-Brabant 25 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:358. ...................20
HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4858, NJ 2013/423 (m. nt. J. Legemaate).....21
Week 2, college 2, d.d. 13 maart 2025.........................................................................23
Vierde evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding,
Hoofdstuk 2 Juridische Ontwikkelingen......................................................................23
Stcrt 2024, 99............................................................................................................ 35
HR 21 April 2020, ECLI:NL:HR:2020:712, NJ 2020/428 m.nt. Mevis (Zaak Arends).....38
Week 3 – college 1, d.d. 17 maart 2025........................................................................40
Tuchtrecht en strafrecht in de zorg: een voorkeursroute?.........................................40
De samenwerking tussen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en het Openbaar
Ministerie. Een integrale benadering bij het gelijktijdig onderzoeken van eenzelfde
feitencomplex?.......................................................................................................... 43
EVRM en medisch tuchtrecht.....................................................................................47
Week 3, college 2, d.d. 20 maart 2025.........................................................................51
Rb. Gelderland 4 juli 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:4093..............................................51
Rb. Den Haag 24 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:724.........................................53
HR 16 april 2019, NJ 2019/336 m.nt. Mevis...............................................................54
Week 4 – college 2, d.d. 27 maart 2025........................................................................56
M. Buijsen, 'On Interpretation and Appreciation. A European Human Rights
Perspective on Dobbs', Cambridge Quarterly of Healthcare Ethics............................56
Consultatieversie wetsvoorstel Wet abortus is zorg...................................................61
Memorie van toelichting Wet abortus is zorg.............................................................61
L. Postma & M. Buijsen, 'Abortus: strafrecht of zorg?', NTS 2024 (1), p. 33-44. ........67
Week 5 – college 1, d.d. 31 maart 2025........................................................................72
Algemene Rekenkamer, Een zorgelijk gebrek aan daadkracht. Onderzoek naar de
effectiviteit van zorgfraudebestrijding, 14 april 2022.................................................72
Hoofdstuk 2 M. Fenger e.a., Naar rechtmatige zorg in het gemeentelijke domein,
2016.......................................................................................................................... 85
Aanbevolen: A.G.H. Klaassen & M.L.E. Simonis, 'Bestrijding van zorgfraude: vele
haken en ogen', TBS&H 2024 (1), p. 13-21................................................................90
Week 5 – college 2, d.d. 3 april 2025............................................................................96
P.A.M. Mevis & L. Postma, 'Het (medisch) verschoningsrecht in de
strafvordering', TvGR 2025 (1), p. 95-107..................................................................96
,Week 1 – college 1 d.d. 3 maart 25
P.A.M. Mevis, Strafrechtelijke rechtsvervolging in de
gezondheidszorg, in: Q. Amelink, C. Bol en L. Postma
(red), Tuchtrechtelijke toetsing en strafrechtelijke vervolging in
de gezondheidszorg, Den Haag: Boom Juridisch 2025
Par. 2 Het typische van strafrechtelijke handhaving
Artikel 2 Wkkgz benoemt ‘goede zorg’. Die doelstelling staat haaks op het strafrecht voor het geval er
iets misgaat. In het strafrecht is de bestraffing gericht op bevordering van nonconform gedrag. hierbij
zijn strikte regels van toepassing.
- Legaliteit
- Uitsluitend op basis van feiten en omstandigheden blijkende redelijke vermoeden, art. 27 Sv
deze koppeling benadrukt dat zowel het formele als materiële recht in onderlinge
samenhang gericht is op rechtshandhaving en niet op normstelling, zoals bij tuchtrecht en
civiel recht meer het geval is
- Eerlijk proces voor verdachte
- Er komen rechten toe aan verdachte, zoals zwijgen (6 EVRM)
- Inzet van dwangmiddelen is beperkt als daarbij inbreuken worden gemaakt
- Voortzetting heeft geen zin, als verdachte is overleden of ne bis in idem, geldt niet bij tucht
Oftewel een systeem van checks and balances in de fase van opsporing, vervolging en berechting
Par 3. Opvattingen over strafrecht in de gezondheidszorg
De ultimum remedium gedachte in het strafrecht zorgt ervoor dat niet altijd gekozen hoeft te
worden voor het strafrecht. de vervolgingsbeslissing van het OM ook. Het OM kan afzien, op grond
van het algemeen belang, art. 167 en 242 Sv. een grond daarvoor kan natuurlijk zijn dat er al
tuchtrecht is toegepast. Hierbij kunnen alle relevante belangen worden afgewogen.
Strafrecht moet soms wijken voor tuchtrecht, omdat het niet altijd de meest aangewezen oplossing
is.
Par. 4. Relevante strafbepalingen voor de medische beroepsoefenaar
Strafrechtelijke rechtsvervolging is niet mogelijk als dat niet meer gebeurt op grond van het
(redelijke) vermoeden van enig strafbaar feit. Soms gaat er niet iets in de zorg zelf mis, maar worden
er handelingen verricht of nagelaten die op zichzelf strafbaar kunnen zijn. zowel het Sr als tuchtrecht
kunnen oplossing bieden vanwege het ontzetten van het beroep.
De omschrijving van calamiteit in art. 1 Wkkgz lijkt opvallend veel op een strafbare bepaling. En
vertoont overlap met de artikelen 287, 300-302 en 307-308 Sr.
Artikel 96 Wet BIG: zonder papiertje, ongekwalificeerden. Maar ook de arts die binnen de grenzen
van de behandeling een beroepsfout begaat, zoals een WKKGZ calamiteit, en daardoor de
gezondheid van een ander benadeeld. Het gevolg is vaak al strafbaar via het Sr. Het artikel wordt dan
ook niet vaak toegepast. De wetgever ziet het wel als een ruimere bepaling. De bepaling bevat
immers ook preventieve gedragingen.
Mogelijk is deze strafbepaling wel te ruim en te veel omvattend. Een regel werd getrokken dat het Sr
wordt gebruikt voor het daadwerkelijk toebrengen van pijn of letsel. En de Wet BIG voor handelingen
die op het gebied van de individuele gezondheidszorg door andere (alternatieve) behandelaars.
,Par. 5. Delictsomschrijving als regel – de strafuitsluitingsgrond als uitzondering: de medische exceptie
De rechter moet eerst vaststellen dat het feit wettig en overtuigend bewezen is, om vervolgens te
kijken of er sprake is van een strafuitsluitingsgrond. Een uitvoering van een medisch beroep betreft
niet direct een medische exceptie. Er moet rekening worden gehouden met dat de beroepsoefenaar
heeft gehandeld volgens de eigen beroepsregels. Hiervoor moet er sprake zijn van:
- Medisch geïndiceerd
- Met het oog op concreet en toegelaten behandelingsdoel
- Handeling is volgens de regels der kunst verricht
- Met toestemming dan wel zonder toestemming volgens Wet BIG
Als hierover te veel twijfels zijn, kan de zaak aan de rechter worden voorgelegd. Je kan je voorstellen
dat soms eerst de tuchtrechter wordt afgewacht.
De medische exceptie bij mishandeling, kan leiden tot vrijspraak
De medische exceptie bij het toebrengen van ZLL bij culpa, kan leiden tot vrijspraak
De medische exceptie bij het toebrengen van ZLL bij opzet, geen wederrechtelijkheid dus
strafuitsluitingsgrond.
Par. 6. Strafbaarheid van de rechtspersoon; niet de arts maar het ziekenhuis als dader
Art. 51 Sr strafbaar feit kan ook worden begaan door een rechtspersoon. Wordt beperkt gebruik van
gemaakt. Kan dan ook via 96 Wet Big, indien een zorginstelling het niet op orde heeft en er daardoor
aansprakelijkheid valt te halen doordat hierdoor fouten optreden.
xf
Par. 7 Beperking van de strafvordering
Het functioneel verschoningsrecht vormt een beperking van de strafrechtelijke handhaving omdat
het belang daarvan moet wijken voor het maatschappelijk belang van hulpverlening. Het gaat om het
belang dat de patiënt ervan uit moet kunnen gaan dat de arts geheimhoudt wat zij hem heeft
toevertrouwd.
Indien er wel wordt gekeken naar de informatie, taak van de RC.
Par.8. Aspecten betreffende de vervolgingsbeslissing
De vervolgingsbeslissing van de officier van justitie is beslissend voor het verdere verloop van die
zaak. Er zit veel ruimte voor afweging en daarmee voor afstemming met tuchtrechtelijke
rechtsvervolging. Voor deze vervolging in medische zaken bestaat de OM aanwijzing. De beslissing
wordt genomen door of in afstemming met het OM-expertisecentrum Medische zaken.
terughoudendheid is geboden. Er kan ook een strafbeschikking volgen. Hierbij worden alle belangen
betrokken. Er kan ook geklaagd worden bij niet verdere vervolging.
Par. 9. Beroepsontzetting als straf
Art. 28 lid 1 sub 5 Sr. Belangrijke ontmoeting tussen strafrecht en gezondheidsrecht. Kan maar voor
specifieke delicten die boek 2 en 3 mogelijk maken. art. 31 Sr bepaalt de minimale en maximale duur.
Kan ook naast andere straffen worden opgelegd. kan ook voorwaardelijk.
, Handboek Gezondheidsrecht, par. 9.5
9.5
Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid moet zijn voldaan aan drie voorwaarden:
1. Er moet sprake zijn van een handelen of nalaten dat valt binnen de wettelijke
delictsomschrijving (art. 1 Sr).
2. Het strafbare feit moet wederrechtelijk zijn gepleegd.
3. De dader moet schuld kunnen worden verweten.
Ook een beroepsbeoefenaar kan in een strafrechtelijke procedure persoonlijk aansprakelijk
worden gesteld, ook door een rechtspersoon, art. 51 Sr.
9.5.2
Over de relatie tussen medisch-professionele handelingen en mishandeling zijn de voorbije decennia
verschillende theorieën verdedigd.
1. Zo is gesteld dat het medisch-professioneel handelen wordt gerechtvaardigd door de
wettelijke bevoegdheid (beroepsrechttheorie). Onttrokken aan art. 300 Sr.
2. Een andere theorie volgt de redenering dat medisch-professioneel handelen door de
wetgever niet is gezien als mishandelen. Voor deze theorie pleit dat het doel van de medisch-
professionele behandeling niet mishandeling is. Het gaat niet om verstoring, maar om herstel
van verstoring. In de geschiedenis van de totstandkoming van art. 300 Sr zijn voor deze
theorie aanwijzingen te vinden. Zo is bijvoorbeeld het woord mishandeling gekozen opdat de
chirurgische operatie niet onder het artikel zou vallen. Toepassing van art. 300 Sr is niet
uitgesloten.
3. Een derde theorie gaat ervan uit dat bij medisch-professioneel handelen de opzet tot
mishandelen ontbreekt. Ook deze theorie vindt steun in de parlementaire geschiedenis van
het tot stand komen van art. 300 Sr. Hierbij staat centraal dat de arts bij het verrichten van
de medisch-professionele handeling niet het veroorzaken van pijn, letsel of leed beoogt. Men
moet opzet verstaan in de zin van oogmerk. De theorie gaat, anders gezegd, voorbij aan de
vraagstelling met betrekking tot de delictsomschrijving en richt zich primair op factoren
gelegen in de persoon van de dader.
4. Volgens de vierde theorie is medisch-professioneel handelen niet strafbaar wegens het
ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Deze theorie heeft de meeste aanhang. Zij
gaat uit van de gedachte dat de strafbaarstelling in de wet berust op de veronderstelling dat
de betrokken gedraging in strijd is met het recht. Dat is echter niet steeds het geval, zoals bij
medisch-professionele handelingen als aan de gestelde eisen is voldaan. Binnen de theorie
van de materiële niet-wederrechtelijkheid van medisch-professionele handelingen worden
twee benaderingen onderscheiden.
1) In de eerste vervult de arts de delictsomschrijving, maar is zijn handelen materieel
niet-wederrechtelijk;
2) Terwijl in de tweede benadering de wederrechtelijkheid wordt gezien als
bestanddeel van het strafbare feit, dat dan dus moet worden bewezen.
Toestemming en de grenzen van is medisch-professioneel handelen hebben in de
rechtsontwikkeling een veel sterker accent gekregen. De toestemming van de patiënt – op
zichzelf geen voldoende grond voor straffeloosheid – is voorwaarde naast de rechtvaardiging
van het medisch handelen op zichzelf. In beide benaderingen betekent het ontbreken van
wederrechtelijkheid dat de arts, om strafrechtelijk gedekt te zijn, moet zorgen dat hij een
recht heeft om te handelen. In beide benaderingen ontleent hij dat recht aan de
toestemming van de patiënt, zijn bevoegdheid als arts, de medische indicatie en uitvoering
van de handeling volgens de regels van de kunst. Omdat voor het al dan niet aanwezig zijn
van de wederrechtelijkheid in beide gevallen aan dezelfde eisen moet zijn voldaan, is feitelijk
het verschil tussen beide benaderingen niet groot.