Strafprocesrecht literatuur
Probleem 1
is de rol van de officier van justitie en wie zijn opsporingsambtenaren?
H2.6.2 Opsporing
Strafvordering begint met de opsporing. Voorheen was opsporing niet meer dan opstap naar echte
onderzoek dat door R-C werd verricht. Er was nog steeds belangrijke taak voor R-C (= het gerechtelijk
onderzoek).Het gerechtelijk vooronderzoek is in 2013 afgeschaft. De kern van het vooronderzoek
bestaat tegenwoordig in alle gevallen uit een opsporingsonderzoek. Dat onderzoek wordt verricht
onder gezag van de officier van justitie art. 132a Sv. De rechter-commissaris heeft hierbij nog wel
een rol, maar niet meer als leider van het onderzoek. Zijn optreden maakt deel uit van de checks and
balances waarmee het opsporingsonderzoek is omgeven. De positie van de RC ontleent hij
tegenwoordig aan zijn hoedanigheid van rechter, aan zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid:
checks and balances.
Van opsporing kan worden gesproken vanaf het moment waarop het vermoeden rijst dat een
strafbaar feit is begaan. Dit vermoeden kan op verschillende manieren rijzen; feit is onder de
aandacht van autoriteiten gebracht door aangifte burger of de autoriteiten ontdekken het feit zelf.
Artt. 141 en 142 Sv geven een opsomming van personen die met de opsporing zijn belast. De
belangrijkste categorie zijn de ambtenaren en politie. Art. 127 Sv bepaalt dat alle
personen die met de opsporing van het strafbare feit zijn belast,
opsporingsambtenaren zijn. Dus telkens als van opsporingsambtenaren wordt
gesproken, heeft dat betrekking op de mensen uit art. 141 en 142 Sv.
o Art. 141 Sv noemt als eerste de officieren van justitie: verwezenlijken hun opsporingstaak
vooral door, zoals art. 148 lid 2 Sv bepaalt, het daartoe geven van bevelen aan de overige
personen met de opsporing belast.
a. Heeft een bevelsbevoegdheid.
b. Opsporing kan ook door de OvJ persoonlijk gebeuren uitzonderljk
c. Leidinggeven aan het opsporingsonderzoek. Zijn betrokkenheid verschilt per zaak,
maar is vaak wel verantwoordelijk voor de opsporing zelf (niveau hiervan).
o Opsporingsambtenaren hebben bevoegdheden zoals arrestatie van verdachten (art. 53 en 54
Sv), voorwerpen in beslag nemen en plaatsen betreden (Art. 95 Sv ev), stelselmatige
observatie (art. 126g en 126o Sv) en afluisteren van de telefoon (art. 126m en 126t) De
uitoefening van deze bevoegdheden is door de wet met waarborgen tegen machtsmisbruik
omkleed:
a. Kan niet allemaal op eigen initiatief worden uitgevoerd, bij stelselmatige observatie is
tussenkomst van de officier van justitie vereist.
b. Bij ingrijpende bevoegdheden is tussenkomst van rechterlijk toezicht vereist,
bijvoorbeeld bij het afluisteren van een telefoon is toestemming RC nodig.
o Hulpofficier van justitie heeft ook een belangrijke rol (art. 146a Sv). Hij maakt geen deel uit
van het OM en heeft een aanvullende rol bij de bewaking van de kwaliteit en de
behoorlijkheid van het opsporingsonderzoek.
Als de OvJ de verdachte ook na afloop van de periode van inverzekeringstelling wenst vast te houden,
dient hij tijdig de voorlopige hechtenis te vorderen. Daarover beslist steeds de rechter: de RC gaat
over bewaring (art. 63 Sv) en de rechtbank over gevangenhouding (art. 65 Sv). Dit zie je ook bij het
horen van getuigen.
Opsporing beperkt zich niet tot het voorbereidend onderzoek. Art. 148c Sv bepaalt namelijk dat de
officier van justitie de advocaat-generaal op diens verzoek bijstand verleent bij het
opsporingsonderzoek in zaken die in hoger beroep aanhangig zijn.
,Art. 315 Sv geeft rechter ter terechtzitting bevoegdheid de overlegging van (nieuwe) bescheiden
stukken van overtuiging te bevelen. Dit zijn bijv. aanvullende processen-verbaal waarin verslag wordt
gedaan van alsnog door OvJ – overeenkomstig de wens van de rechtbank – bevolen nader
opsporingsonderzoek.
Hoofdstuk 9: het vooronderzoek
Art 132 Sv definitie voorbereidend onderzoek: het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter
terechtzitting voorafgaat ofwel vooronderzoek. Zij drukt anders dan de in art 132 Sv gebezigde term
niet uit dat het doel van het voorafgaande onderzoek het voorbereiden van de zitting is.
De voorkeur voor vooronderzoek weerspiegelt een aantal ontwikkelingen:
1. De verschuiving die is opgetreden in de verhouding tussen het vooronderzoek en het
eindonderzoek op de zitting
a. Vroeger: was dat het eigenlijke onderzoek naar de waarheid op de terechtzitting werd
gedaan. Het vooronderzoek diende slechts om dat onderzoek voor te bereiden.
b. Tegenwoordig is het uitgangspunt dat de zaak in het vooronderzoek zoveel mogelijk tot
klaarheid moet worden gebracht. Alles is daardoor in beginsel al in het vooronderzoek
onderzocht. Resultaten van dat onderzoek staan vervolgens op de terechtzitting ter
discussie. Zij worden daar op waarde geschat. Aanvullend onderzoek kan wel op de
zitting plaatsvinden
2. Het gerechtelijke vooronderzoek is afgeschaft ingesteld door RC waarin voorbereiding van
zitting voorop. De zaak moest klaar worden gemaakt voor de zitting.
3. De verbreding van de taak van opsporingsambtenaar niet alleen optreden nav een gerezen
verdenking maar ook actief opzoek naar mogelijk gepleegde strafbare feiten. Hier is verkennend
onderzoek dat door opsporingsambtenaren op bevel van de Ovj kan worden ingesteld centraal.
Het doel van een verkennend onderzoek is aldus art 126gg Sv de voorbereiding van opsporing.
Van een zitting die moet worden voorbereid is geen sprake. Toch wordt het verkennend
onderzoek tot het vooronderzoek gerekend
4. De hoge vlucht die de buitengerechtelijke afdoening heeft genomen Van een onderzoek dat
aan de zitting voorafgaat is dus vaak geen sprake, wel kan je zeggen dat het onderzoek
voorafgaat aan de beslissing van de OvJ tot buitengerechtelijke sanctionering. Die beslissing is
daarbij op dat voorafgaande onderzoek gebaseerd.
Samenvatting: de term vooronderzoek kent een brede lading. Daaronder valt alle onderzoek naar
mogelijke gepleegde strafbare feiten dat voorafgaat aan de terechtzitting of aan de
buitengerechtelijke sanctionering. Het onderzoek kan ook uitmonden in de beslissing dat van
vervolging wordt afgezien of dat een al begonnen vervolging niet wordt voortgezet.
Derhalve kan gezegd worden dat tot het vooronderzoek alle onderzoek wordt gerekend dat
voorafgaat aan de beslissing van de OvJ mbt de wijze van afdoening van de zaak en de eventueel
daaropvolgende zitting. Dus het gaat niet meer om het voorbereiden van het onderzoek ter zitting
maar om het leggen van een deugdelijke basis voor gerechtelijke of buitengerechtelijke afdoening.
Daarnaast is het doel van het onderzoek te bezien of strafrechtelijk ingrijpen aangewezen.
Precieze afbakening van het vooronderzoek is geen doel:
Het vooronderzoek eindigt ex art 132 Sv op het moment waarop de behandeling ter terechtzitting
aanvangt maar heeft geen grote gevolgen want ook na de aanvang van de zitting kan nog aanvullend
opsporingsonderzoek plaatsvinden. Ook kan de rechtbank de stukken in handen stellen van de RC,
voor het verrichten van nader onderzoek (art 316 Sv). Dat onderzoek verschilt niet wezenlijk van de
onderzoekshandelingen die de RC tijdens het vooronderzoek kan verrichten. Dezelfde bepalingen zijn
daarop van toepassing ex art 316 lid 3 Sv.
,Op een punt is afbakening wel gewenst:
Wetsovertredingen kunnen ook aanleiding geven tot bestuursrechtelijke sanctionering. Het
onderzoek dat daarvoor nodig is valt onder de afdeling 5.2 Awb. Het verschil met vooronderzoek is
gelegen in het doel van het onderzoek:
• Toezicht is gericht op bestuurlijk ingrijpen e
• Vooronderzoek is gericht op strafrechtelijke sanctionering komt tot uitdrukking in art
132a Sv ‘strafvorderlijke beslissingen’
9.2 de opsporing: taken en verantwoordelijkheden
Art 1 Sv legaliteitsbeginsel, maar dit beginsel is geen exclusief strafvorderlijk beginsel want het
beheerst het gehele publiekrecht. Het betekent dat alle overheidsoptreden dat belastend is voor
burgers, direct of indirect dient te berusten op een wet in formele zin.
Wanneer van opsporing wordt gesproken, wordt daarmee de opsporing bedoeld die door of
vanwege de overheid wordt verricht in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de wet. Die
opsporing moet op de wet berusten, wanneer kan je spreken van een toereikende grondslag in de
wet:
• Ten minste is vereist dat de wet aanwijst welke personen of instanties met opsporing zijn
belast, want zonder attributie van taken en bevoegdheden zou het legaliteitsbeginsel worden
uitgehold.
9.2.2 personen met opsporing belast
Opsporingsactiviteiten zijn belastend voor de burgers op wie de activiteiten betrekking hebben, drie
redenen:
1. Bij opsporing wordt vaak gebruik gemaakt van methoden (dwangmiddelen) die diep ingrijpen
in de rechten van burgers: afgeluisterde telefoons, woningen doorzocht
2. Het systematisch verzamelen en registreren door de overheid van gegevens omtrent
personen op zich al een privacygevoelige aangelegenheid is: het ekele feit dat over burgers
dossiers worden aangelegd waarin hun handel en wandel worden gedocumenteerd maakt
dat het inbreuk maakt op informationele privact
3. Het doel van het onderzoek, de strafrechtelijke sanctionering van wetsovertredingen, kan
verstrekkende consequenties hebben voor de burger tegen wie dat onderzoek zich richt.
Ofwel de oplegging van strafrechtelijke sanctie maakt soms een vergaande inbreuk op de
rechten en vrijheden van de betrokken burger
Hierom speelt het legaliteitsbeginsel een grote rol: opsporing die door of vanwege de overheid wordt
verricht om de strafwet te handhaven, moet steeds berusten op een wet in formele zin.
Personen met opsporing belast, limitatieve artikelen
In art. 141 Sv worden personen genoemd die als ‘gewoon opsporingsambtenaar’ kunnen worden
aangemerkt. Hiertoe behoren officieren van justitie, politie, bepaalde militairen van de KM en sinds
kort ook de opsporingsambtenaren van vier bijzondere opsporingsdiensten. Onder deze gewoon
opsporingsambtenaren nemen de ambtenaren van politie het leeuwendeel van opsporing voor hun
rekenig.
De ‘buitengewoon opsporingsambtenaren’ zijn neergelegd in art. 142 Sv. Deze worden gevormd
door een bonte verzameling van personen en kunnen hun opsporingsbevoegdheid ontlenen aan een
bijzondere wet, of aan een akte.
Tussen de gewoon en de buitengewoon opsporingsambtenaren bestaat een belangrijk verschil tot
betrekking van hun opsporingstaak:
De taak van een gewoon opsporingsambtenaar is algemeen, dus niet beperkt tot bepaalde
categorieën strafbare feiten. De taak van buitengewone opsporingsambtenaren is wel
, beperkt tot bepaalde strafbare feiten (lid 1 onder c). Hierop kan een uitzondering worden
gemaakt (lid 3).
De politie en de Koninklijke Marechaussee zijn belast met politietaken. De vier in art. 141
onder d Sv zijn niet belast met politietaken. Ten aanzien van de buitengewoon
opsporingsambtenaren ontbreekt dergelijke organisatorische wetgeving.
Als de overheid de opsporing zou mogen overdragen aan andere personen dan genoemd in art 141
en 142, dan kunnen de waarborgen die in de wet staan omzeild worden.
Wel worden, volgens art. 127 Sv, de gewoon en buitengewoon opsporingsambtenaren voor de
toepassing van het Wetboek over één kam geschoren.
Leiding en verantwoordelijkheid
Opsporing wordt onder gezag van de officier van justitie verricht (art. 132a Sv). Art. 148 Sv omschrijft
de opsporingstaak nader, lid 2 legt neer wat opsporing door de officier van justitie in de kern inhoudt:
het geven va bevelen aan de overige personen die met opsporing zijn belast. De OvJ heeft dus
zeggenschap over alle opsporingsactiviteiten, door welke opsporingsdienst of buitengewoon
ambtenaar ook ondernomen. Maar kan dan ook verantwoordelijk worden gehouden voor alles wat
aan opsporing geschiedt.
Reden leiding OvJ opsporingsonderzoek:
a. Bewaken van de juridische kwaliteit van het onderzoek.
b. Het opsporingsbeleid moet worden afgestemd op het vervolgingsbeleid. Het is aan de OvJ om
te beslissen waar de prioriteiten liggen.
c. Bewaken van de rechtmatigheid of de rechtsstatelijkheid van het opsporingsonderzoek. De
OvJ houdt in de gaten of de opsporingsambtenaren hun boekje niet te buiten gaan.
De OvJ heeft dus een belangrijke waarborgfunctie. Dit vindt nadere uitwerking in de regeling van de
dwangmiddelen en de bijzondere opsporingsbevoegdheden omdat de tussenkomst is
voorgeschreven.
De OvJ maakt als lid van het OM deel uit van een hiërarchische organisatie. Boven de OvJ staat de
hoofdofficier die bevoegd is tot het geven van algemene en bijzondere maatregelen ex art 136 lid 3
RO. Aan het hoofd van OM staat het college van procureurs-generaal dat ook algemene en bijzondere
aanwijzingen kan geven ex art 130 RO. Die aanwijzingen moeten taken van OM bevatten zoals
opsporing. Deze bevoegdheid van het college kan je ook vinden in art 140 Sv in de vorm van een
opdracht.
• ‘richtige opsporing’ dat strafbare feiten daadwerkelijk worden opgespoord,
overeenkomstig te stellen prioriteiten van OM + juridische kwaliteit van onderzoek en
behoorlijkheid van de wijze van opsporing
• Het gezag van OvJ over opsporing is ook in politiewet vastgelegd, de taak van de politie staat
in art 3, verder over politie op blz 287
Dat de opsporing van de overheid uitgaat van een basis te hebben in WIFZ betekent niet dat burgers
niet aan opsporing zouden mogen doen. Op zuivere particuliere vormen van opsporing heeft het
legaliteitsbeginsel geen betrekking. Het betekent ook niet dat burgers niet mogen worden
ingeschakeld bij opsporing die van de overheid uitgaat. Die inschakeling dient wel een wettelijke basis
te hebben.
• Maar waar wordt de grens getrokken tussen particuliere opsporing en inschakeling van
burgers bij opsporing van overheidswege uitspraak EHRM blz 288
Probleem 1
is de rol van de officier van justitie en wie zijn opsporingsambtenaren?
H2.6.2 Opsporing
Strafvordering begint met de opsporing. Voorheen was opsporing niet meer dan opstap naar echte
onderzoek dat door R-C werd verricht. Er was nog steeds belangrijke taak voor R-C (= het gerechtelijk
onderzoek).Het gerechtelijk vooronderzoek is in 2013 afgeschaft. De kern van het vooronderzoek
bestaat tegenwoordig in alle gevallen uit een opsporingsonderzoek. Dat onderzoek wordt verricht
onder gezag van de officier van justitie art. 132a Sv. De rechter-commissaris heeft hierbij nog wel
een rol, maar niet meer als leider van het onderzoek. Zijn optreden maakt deel uit van de checks and
balances waarmee het opsporingsonderzoek is omgeven. De positie van de RC ontleent hij
tegenwoordig aan zijn hoedanigheid van rechter, aan zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid:
checks and balances.
Van opsporing kan worden gesproken vanaf het moment waarop het vermoeden rijst dat een
strafbaar feit is begaan. Dit vermoeden kan op verschillende manieren rijzen; feit is onder de
aandacht van autoriteiten gebracht door aangifte burger of de autoriteiten ontdekken het feit zelf.
Artt. 141 en 142 Sv geven een opsomming van personen die met de opsporing zijn belast. De
belangrijkste categorie zijn de ambtenaren en politie. Art. 127 Sv bepaalt dat alle
personen die met de opsporing van het strafbare feit zijn belast,
opsporingsambtenaren zijn. Dus telkens als van opsporingsambtenaren wordt
gesproken, heeft dat betrekking op de mensen uit art. 141 en 142 Sv.
o Art. 141 Sv noemt als eerste de officieren van justitie: verwezenlijken hun opsporingstaak
vooral door, zoals art. 148 lid 2 Sv bepaalt, het daartoe geven van bevelen aan de overige
personen met de opsporing belast.
a. Heeft een bevelsbevoegdheid.
b. Opsporing kan ook door de OvJ persoonlijk gebeuren uitzonderljk
c. Leidinggeven aan het opsporingsonderzoek. Zijn betrokkenheid verschilt per zaak,
maar is vaak wel verantwoordelijk voor de opsporing zelf (niveau hiervan).
o Opsporingsambtenaren hebben bevoegdheden zoals arrestatie van verdachten (art. 53 en 54
Sv), voorwerpen in beslag nemen en plaatsen betreden (Art. 95 Sv ev), stelselmatige
observatie (art. 126g en 126o Sv) en afluisteren van de telefoon (art. 126m en 126t) De
uitoefening van deze bevoegdheden is door de wet met waarborgen tegen machtsmisbruik
omkleed:
a. Kan niet allemaal op eigen initiatief worden uitgevoerd, bij stelselmatige observatie is
tussenkomst van de officier van justitie vereist.
b. Bij ingrijpende bevoegdheden is tussenkomst van rechterlijk toezicht vereist,
bijvoorbeeld bij het afluisteren van een telefoon is toestemming RC nodig.
o Hulpofficier van justitie heeft ook een belangrijke rol (art. 146a Sv). Hij maakt geen deel uit
van het OM en heeft een aanvullende rol bij de bewaking van de kwaliteit en de
behoorlijkheid van het opsporingsonderzoek.
Als de OvJ de verdachte ook na afloop van de periode van inverzekeringstelling wenst vast te houden,
dient hij tijdig de voorlopige hechtenis te vorderen. Daarover beslist steeds de rechter: de RC gaat
over bewaring (art. 63 Sv) en de rechtbank over gevangenhouding (art. 65 Sv). Dit zie je ook bij het
horen van getuigen.
Opsporing beperkt zich niet tot het voorbereidend onderzoek. Art. 148c Sv bepaalt namelijk dat de
officier van justitie de advocaat-generaal op diens verzoek bijstand verleent bij het
opsporingsonderzoek in zaken die in hoger beroep aanhangig zijn.
,Art. 315 Sv geeft rechter ter terechtzitting bevoegdheid de overlegging van (nieuwe) bescheiden
stukken van overtuiging te bevelen. Dit zijn bijv. aanvullende processen-verbaal waarin verslag wordt
gedaan van alsnog door OvJ – overeenkomstig de wens van de rechtbank – bevolen nader
opsporingsonderzoek.
Hoofdstuk 9: het vooronderzoek
Art 132 Sv definitie voorbereidend onderzoek: het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter
terechtzitting voorafgaat ofwel vooronderzoek. Zij drukt anders dan de in art 132 Sv gebezigde term
niet uit dat het doel van het voorafgaande onderzoek het voorbereiden van de zitting is.
De voorkeur voor vooronderzoek weerspiegelt een aantal ontwikkelingen:
1. De verschuiving die is opgetreden in de verhouding tussen het vooronderzoek en het
eindonderzoek op de zitting
a. Vroeger: was dat het eigenlijke onderzoek naar de waarheid op de terechtzitting werd
gedaan. Het vooronderzoek diende slechts om dat onderzoek voor te bereiden.
b. Tegenwoordig is het uitgangspunt dat de zaak in het vooronderzoek zoveel mogelijk tot
klaarheid moet worden gebracht. Alles is daardoor in beginsel al in het vooronderzoek
onderzocht. Resultaten van dat onderzoek staan vervolgens op de terechtzitting ter
discussie. Zij worden daar op waarde geschat. Aanvullend onderzoek kan wel op de
zitting plaatsvinden
2. Het gerechtelijke vooronderzoek is afgeschaft ingesteld door RC waarin voorbereiding van
zitting voorop. De zaak moest klaar worden gemaakt voor de zitting.
3. De verbreding van de taak van opsporingsambtenaar niet alleen optreden nav een gerezen
verdenking maar ook actief opzoek naar mogelijk gepleegde strafbare feiten. Hier is verkennend
onderzoek dat door opsporingsambtenaren op bevel van de Ovj kan worden ingesteld centraal.
Het doel van een verkennend onderzoek is aldus art 126gg Sv de voorbereiding van opsporing.
Van een zitting die moet worden voorbereid is geen sprake. Toch wordt het verkennend
onderzoek tot het vooronderzoek gerekend
4. De hoge vlucht die de buitengerechtelijke afdoening heeft genomen Van een onderzoek dat
aan de zitting voorafgaat is dus vaak geen sprake, wel kan je zeggen dat het onderzoek
voorafgaat aan de beslissing van de OvJ tot buitengerechtelijke sanctionering. Die beslissing is
daarbij op dat voorafgaande onderzoek gebaseerd.
Samenvatting: de term vooronderzoek kent een brede lading. Daaronder valt alle onderzoek naar
mogelijke gepleegde strafbare feiten dat voorafgaat aan de terechtzitting of aan de
buitengerechtelijke sanctionering. Het onderzoek kan ook uitmonden in de beslissing dat van
vervolging wordt afgezien of dat een al begonnen vervolging niet wordt voortgezet.
Derhalve kan gezegd worden dat tot het vooronderzoek alle onderzoek wordt gerekend dat
voorafgaat aan de beslissing van de OvJ mbt de wijze van afdoening van de zaak en de eventueel
daaropvolgende zitting. Dus het gaat niet meer om het voorbereiden van het onderzoek ter zitting
maar om het leggen van een deugdelijke basis voor gerechtelijke of buitengerechtelijke afdoening.
Daarnaast is het doel van het onderzoek te bezien of strafrechtelijk ingrijpen aangewezen.
Precieze afbakening van het vooronderzoek is geen doel:
Het vooronderzoek eindigt ex art 132 Sv op het moment waarop de behandeling ter terechtzitting
aanvangt maar heeft geen grote gevolgen want ook na de aanvang van de zitting kan nog aanvullend
opsporingsonderzoek plaatsvinden. Ook kan de rechtbank de stukken in handen stellen van de RC,
voor het verrichten van nader onderzoek (art 316 Sv). Dat onderzoek verschilt niet wezenlijk van de
onderzoekshandelingen die de RC tijdens het vooronderzoek kan verrichten. Dezelfde bepalingen zijn
daarop van toepassing ex art 316 lid 3 Sv.
,Op een punt is afbakening wel gewenst:
Wetsovertredingen kunnen ook aanleiding geven tot bestuursrechtelijke sanctionering. Het
onderzoek dat daarvoor nodig is valt onder de afdeling 5.2 Awb. Het verschil met vooronderzoek is
gelegen in het doel van het onderzoek:
• Toezicht is gericht op bestuurlijk ingrijpen e
• Vooronderzoek is gericht op strafrechtelijke sanctionering komt tot uitdrukking in art
132a Sv ‘strafvorderlijke beslissingen’
9.2 de opsporing: taken en verantwoordelijkheden
Art 1 Sv legaliteitsbeginsel, maar dit beginsel is geen exclusief strafvorderlijk beginsel want het
beheerst het gehele publiekrecht. Het betekent dat alle overheidsoptreden dat belastend is voor
burgers, direct of indirect dient te berusten op een wet in formele zin.
Wanneer van opsporing wordt gesproken, wordt daarmee de opsporing bedoeld die door of
vanwege de overheid wordt verricht in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de wet. Die
opsporing moet op de wet berusten, wanneer kan je spreken van een toereikende grondslag in de
wet:
• Ten minste is vereist dat de wet aanwijst welke personen of instanties met opsporing zijn
belast, want zonder attributie van taken en bevoegdheden zou het legaliteitsbeginsel worden
uitgehold.
9.2.2 personen met opsporing belast
Opsporingsactiviteiten zijn belastend voor de burgers op wie de activiteiten betrekking hebben, drie
redenen:
1. Bij opsporing wordt vaak gebruik gemaakt van methoden (dwangmiddelen) die diep ingrijpen
in de rechten van burgers: afgeluisterde telefoons, woningen doorzocht
2. Het systematisch verzamelen en registreren door de overheid van gegevens omtrent
personen op zich al een privacygevoelige aangelegenheid is: het ekele feit dat over burgers
dossiers worden aangelegd waarin hun handel en wandel worden gedocumenteerd maakt
dat het inbreuk maakt op informationele privact
3. Het doel van het onderzoek, de strafrechtelijke sanctionering van wetsovertredingen, kan
verstrekkende consequenties hebben voor de burger tegen wie dat onderzoek zich richt.
Ofwel de oplegging van strafrechtelijke sanctie maakt soms een vergaande inbreuk op de
rechten en vrijheden van de betrokken burger
Hierom speelt het legaliteitsbeginsel een grote rol: opsporing die door of vanwege de overheid wordt
verricht om de strafwet te handhaven, moet steeds berusten op een wet in formele zin.
Personen met opsporing belast, limitatieve artikelen
In art. 141 Sv worden personen genoemd die als ‘gewoon opsporingsambtenaar’ kunnen worden
aangemerkt. Hiertoe behoren officieren van justitie, politie, bepaalde militairen van de KM en sinds
kort ook de opsporingsambtenaren van vier bijzondere opsporingsdiensten. Onder deze gewoon
opsporingsambtenaren nemen de ambtenaren van politie het leeuwendeel van opsporing voor hun
rekenig.
De ‘buitengewoon opsporingsambtenaren’ zijn neergelegd in art. 142 Sv. Deze worden gevormd
door een bonte verzameling van personen en kunnen hun opsporingsbevoegdheid ontlenen aan een
bijzondere wet, of aan een akte.
Tussen de gewoon en de buitengewoon opsporingsambtenaren bestaat een belangrijk verschil tot
betrekking van hun opsporingstaak:
De taak van een gewoon opsporingsambtenaar is algemeen, dus niet beperkt tot bepaalde
categorieën strafbare feiten. De taak van buitengewone opsporingsambtenaren is wel
, beperkt tot bepaalde strafbare feiten (lid 1 onder c). Hierop kan een uitzondering worden
gemaakt (lid 3).
De politie en de Koninklijke Marechaussee zijn belast met politietaken. De vier in art. 141
onder d Sv zijn niet belast met politietaken. Ten aanzien van de buitengewoon
opsporingsambtenaren ontbreekt dergelijke organisatorische wetgeving.
Als de overheid de opsporing zou mogen overdragen aan andere personen dan genoemd in art 141
en 142, dan kunnen de waarborgen die in de wet staan omzeild worden.
Wel worden, volgens art. 127 Sv, de gewoon en buitengewoon opsporingsambtenaren voor de
toepassing van het Wetboek over één kam geschoren.
Leiding en verantwoordelijkheid
Opsporing wordt onder gezag van de officier van justitie verricht (art. 132a Sv). Art. 148 Sv omschrijft
de opsporingstaak nader, lid 2 legt neer wat opsporing door de officier van justitie in de kern inhoudt:
het geven va bevelen aan de overige personen die met opsporing zijn belast. De OvJ heeft dus
zeggenschap over alle opsporingsactiviteiten, door welke opsporingsdienst of buitengewoon
ambtenaar ook ondernomen. Maar kan dan ook verantwoordelijk worden gehouden voor alles wat
aan opsporing geschiedt.
Reden leiding OvJ opsporingsonderzoek:
a. Bewaken van de juridische kwaliteit van het onderzoek.
b. Het opsporingsbeleid moet worden afgestemd op het vervolgingsbeleid. Het is aan de OvJ om
te beslissen waar de prioriteiten liggen.
c. Bewaken van de rechtmatigheid of de rechtsstatelijkheid van het opsporingsonderzoek. De
OvJ houdt in de gaten of de opsporingsambtenaren hun boekje niet te buiten gaan.
De OvJ heeft dus een belangrijke waarborgfunctie. Dit vindt nadere uitwerking in de regeling van de
dwangmiddelen en de bijzondere opsporingsbevoegdheden omdat de tussenkomst is
voorgeschreven.
De OvJ maakt als lid van het OM deel uit van een hiërarchische organisatie. Boven de OvJ staat de
hoofdofficier die bevoegd is tot het geven van algemene en bijzondere maatregelen ex art 136 lid 3
RO. Aan het hoofd van OM staat het college van procureurs-generaal dat ook algemene en bijzondere
aanwijzingen kan geven ex art 130 RO. Die aanwijzingen moeten taken van OM bevatten zoals
opsporing. Deze bevoegdheid van het college kan je ook vinden in art 140 Sv in de vorm van een
opdracht.
• ‘richtige opsporing’ dat strafbare feiten daadwerkelijk worden opgespoord,
overeenkomstig te stellen prioriteiten van OM + juridische kwaliteit van onderzoek en
behoorlijkheid van de wijze van opsporing
• Het gezag van OvJ over opsporing is ook in politiewet vastgelegd, de taak van de politie staat
in art 3, verder over politie op blz 287
Dat de opsporing van de overheid uitgaat van een basis te hebben in WIFZ betekent niet dat burgers
niet aan opsporing zouden mogen doen. Op zuivere particuliere vormen van opsporing heeft het
legaliteitsbeginsel geen betrekking. Het betekent ook niet dat burgers niet mogen worden
ingeschakeld bij opsporing die van de overheid uitgaat. Die inschakeling dient wel een wettelijke basis
te hebben.
• Maar waar wordt de grens getrokken tussen particuliere opsporing en inschakeling van
burgers bij opsporing van overheidswege uitspraak EHRM blz 288