Samenvatting inleiding in de onderwijssociologie (aantekeningen
college’s)
Hoorcollege 1
Sociologie is studie van menselijke sociale leven, groepen en maatschappijen
(breed belangstellingsveld, veel macroniveau) – Giddens, ook wel de wetenschap
van het samenleven.
Microprocessen; gedrag van individuen (vooral gebruikt om machtsprocessen te
begrijpen)
Macroprocessen; processen in (grote) groepen, instituties en systemen.
Weinig consensus over “de sociologie” is het is een “jonge” wetenschap, breed
vakgebied, uiteenlopende aanpak van onderzoek en niet onderscheidend
genoeg. Daarom focus op de werkdefinitie, het centrale uitgangspunt “alles is
contingent, maar daarmee niet arbitrair”, het vraagstuk van sociale orde en de
taken en houding van een socioloog.
Ontstaan; industriële revolutie (18-19e eeuw) en de verlichting (Franse revolutie),
zorgden ervoor dat we van een agrarische naar een industriële samenleving
gingen en veranderden van standen naar klassenmaatschappij. Modernisering
zorgt voor urbanisatie, arbeidsdifferentiatie, toename in productiviteit en
welvaart, secularisering, maar ook kinderarbeid en nieuwe ongelijkheid>
toenemende behoefte aan kennis over de samenleving.
Onderzoeken hoe mensen samenleven en hoe het komt dat ze juist zo
samenleven> het vraagstuk van de niet-arbitraire contingentie en van de sociale
orde.
Welke eigenschappen van een samenleving zijn niet willekeurig? En wat ligt
daaraan ten grondslag? “Legitimerende derden” (natuur, geschiedenis,
samenhang)=non-contingentie.
Hoe kan het dat men de sociale orde accepteert? > Geheel van
machtsverhoudingen, wetten, regels, gewoonten en instituties. Voorspelbaarheid
en leefbaarheid.
Hoe kan men de mensen ertoe brengen de wet te eerbiedigen, hoe zijn de
rechtstaat en de sociale orde mogelijk als iedereen zich ervan bewust is dat het
allemaal conventies en constructies zijn? – Rousseau
Auguste Comte (1798-1857); “Sociale orde door wetenschap”, waarneembare
feiten als kennisbasis (empirie), sociale wetmatigheden, theorieën toetsen aan de
werkelijkheid. Filosofische stroming: Positivisme
Jürgen Habermas (1929- ); “Sociale orde door de rede (communicatie)”,
wetenschap verrijkt kennis, geeft geen richting. Door communicatie kan sociale
orde ontstaan.
Filosofische stroming: Verlichting
Niklas Luhmann (1927-1998); “Sociale orde door het arbitraire te aanvaarden”,
meerderheidsregels en wetten noodzakelijk. Door geloof in een bestaande orde
(bijv. godsdienst) kan sociale orde ontstaan. Filosofische stroming: Tegen-
verlichting
college’s)
Hoorcollege 1
Sociologie is studie van menselijke sociale leven, groepen en maatschappijen
(breed belangstellingsveld, veel macroniveau) – Giddens, ook wel de wetenschap
van het samenleven.
Microprocessen; gedrag van individuen (vooral gebruikt om machtsprocessen te
begrijpen)
Macroprocessen; processen in (grote) groepen, instituties en systemen.
Weinig consensus over “de sociologie” is het is een “jonge” wetenschap, breed
vakgebied, uiteenlopende aanpak van onderzoek en niet onderscheidend
genoeg. Daarom focus op de werkdefinitie, het centrale uitgangspunt “alles is
contingent, maar daarmee niet arbitrair”, het vraagstuk van sociale orde en de
taken en houding van een socioloog.
Ontstaan; industriële revolutie (18-19e eeuw) en de verlichting (Franse revolutie),
zorgden ervoor dat we van een agrarische naar een industriële samenleving
gingen en veranderden van standen naar klassenmaatschappij. Modernisering
zorgt voor urbanisatie, arbeidsdifferentiatie, toename in productiviteit en
welvaart, secularisering, maar ook kinderarbeid en nieuwe ongelijkheid>
toenemende behoefte aan kennis over de samenleving.
Onderzoeken hoe mensen samenleven en hoe het komt dat ze juist zo
samenleven> het vraagstuk van de niet-arbitraire contingentie en van de sociale
orde.
Welke eigenschappen van een samenleving zijn niet willekeurig? En wat ligt
daaraan ten grondslag? “Legitimerende derden” (natuur, geschiedenis,
samenhang)=non-contingentie.
Hoe kan het dat men de sociale orde accepteert? > Geheel van
machtsverhoudingen, wetten, regels, gewoonten en instituties. Voorspelbaarheid
en leefbaarheid.
Hoe kan men de mensen ertoe brengen de wet te eerbiedigen, hoe zijn de
rechtstaat en de sociale orde mogelijk als iedereen zich ervan bewust is dat het
allemaal conventies en constructies zijn? – Rousseau
Auguste Comte (1798-1857); “Sociale orde door wetenschap”, waarneembare
feiten als kennisbasis (empirie), sociale wetmatigheden, theorieën toetsen aan de
werkelijkheid. Filosofische stroming: Positivisme
Jürgen Habermas (1929- ); “Sociale orde door de rede (communicatie)”,
wetenschap verrijkt kennis, geeft geen richting. Door communicatie kan sociale
orde ontstaan.
Filosofische stroming: Verlichting
Niklas Luhmann (1927-1998); “Sociale orde door het arbitraire te aanvaarden”,
meerderheidsregels en wetten noodzakelijk. Door geloof in een bestaande orde
(bijv. godsdienst) kan sociale orde ontstaan. Filosofische stroming: Tegen-
verlichting