Week 1 – Waarheidsvinding en de wettelijke bewijsregeling
Begrippen
Redengevendheid Motiveringsvereiste (359 lid 3 Sv). Bewijsmiddelen moeten een
logisch verband hebben met de bewezenverklaring. We hebben het
alleen over redengevendheid in relatie tot bewezenverklaring, niet
vrijspraak.
Relevantie Is het bewijsmateriaal relevant? à dit is een ja / nee vraag.
Relevantie ziet op zowel ontlastend als belastend materiaal. Het is
dus breder dan ‘redengevendheid’.
Bewijswaarde Hoeveel een bewijsstuk bijdraagt aan het vaststellen van wat er is
gebeurd. Het gaat erom hoe sterk een bewijsstuk een bepaalde
hypothese meer of minder waarschijnlijk maakt (gradueel).
Bewijswaarde geldt voor zowel belastend als ontlastend bewijs.
• Eén vingerafdruk heeft een hogere bewijs waarde dan
meerdere vingerafdrukken van verschillende mensen.
Likelihood ratio Een manier om bewijswaarde uit te drukken. Hoe waarschijnlijk is
een bepaald scenario?
• Als DNA van verdachte wordt gevonden op een wapen en
de kans dat dit DNA toevallig daar terechtkwam 1 op 10.000
is, dan heeft dat een hoge likelihood ratio en is het sterk
bewijs.
Bewijsmiddelen Bewijsmiddelen zijn belastend en gebruikt de rechter ter
onderbouwing van zijn bewezenverklaring.
Bewijsmateriaal Bewijsmateriaal is ontlastend. Het is bewijs voor een alternatief
scenario.
Bewijsstandaard Is het (1) wettig en (2) overtuigend bewezen? (art. 338 Sv)
Grondslagleer De rechter is gebonden aan de letterlijke tekst van de tenlastelegging
en beoordeling van bewijs (350 Sv).
Negatief-wettelijk stelsel De rechter mag alleen wettelijke bewijsmiddelen gebruiken. De
rechter moet ook overtuigd zijn.
Materiële waarheid Dat wat daadwerkelijk gebeurd is (hiermee werken we in
Nederland).
Waarheidsvinding
In het strafrecht draait bewijs om de vraag of een verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd. De
filosofie die hieraan ten grondslag ligt is de correspondentietheorie = een bewering dient overeen te
stemmen met de werkelijkheid. We weten het nooit 100% zeker dat wat we beweren ook klopt. We
eisen wel een hogere mate van zekerheid.
Waarheidsvinding is in lijn met de correspondentietheorie.
• Materiële waarheidsvinding = wat er daadwerkelijk gebeurd is.
• Formele waarheidsvinding = wat partijen zeggen dat er gebeurd is.
De rechter houdt zich bezig met materiële waarheidsvinding.
Soorten bewijsstelsels
• Positief-wettelijk = de rechter is gedwongen om over te gaan tot veroordelen als er genoeg
bewijs is.
• Negatief-wettelijk = de rechter is niet gedwongen om over te gaan tot veroordelen als er
genoeg bewijs is. Er is namelijk ook een overtuiging van de rechter nodig à Nederland.
1
,Wettelijke bewijsregeling en bewijsstelsel
Artikel 338 Sv
Het bewijs (1) dat de verdachte het tenlastegelegde (2) feit heeft begaan, kan door den rechter slechts
worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting (3) door den inhoud (4)
van wettige bewijsmiddelen (5) de overtuiging (6) heeft bekomen.
Ad 1) Het bewijs
De bewijsconstructie = de bewezenverklaring en de motivering.
De rechter is vrij in selectie en waardering van bewijs, soms verlangen we wel motivering
Ad 2) Het tenlastegelegde
Probandum = het object van de bewijsbeslissing.
Op basis van de grondslagleer is de rechter gebonden aan de letterlijke tekst van de tenlastelegging. De
rechter mag de feiten niet aanvullen.
Ad 3) Het onderzoek op de terechtzitting
Artikel 350 Sv
Artikel 301 Sv
Artikel 315 Sv
Ad 4) Inhoud
Zie de motiveringsvereisten uit artikel 359 lid 3 Sv.
Ad 5) Wettige bewijsmiddelen
Zie artikel 339 Sv.
Ad 6) Overtuiging
Is zoveel mogelijk objectief, dus geen onderbuikgevoel. Op papier moet de bewezenverklaring
kloppen en kan dus niet alleen op basis van een overtuiging.
Onmiddellijkheidsbeginsel = de rechter mag alleen informatie gebruiken die tijdens het onderzoek ter
terechtzitting naar voren is gebracht. De rechter moet de bronnen van informatie zoveel mogelijk zelf
toetsen. De Auditu-rechtspraak heeft de betekenis van dit beginsel genuanceerd.
Rechterlijke overtuiging = een bewijsstandaard die een zeer klemmende graad van waarschijnlijkheid
betreft; art. 338 Sv
• Eerst rekenschap van wettige bewijsmiddelen, daarna de overtuiging;
• Het moet een objectiveerbare overtuiging zijn;
• Modernisering WvSv à buiten redelijke twijfel.
De problematiek van deze formulering:
• Het is te subjectief. Rechters verschillen nou eenmaal in persoonlijke overtuiging. Het gevaar
is dat de overtuiging meer persoonlijk is dan een objectief oordeel.
• Het hangt ook nog af van de omvang van de zaak en meervoudig/politierechter.
• Gelet op de vrije waardering van selectie en bewijs, bestaat er een gevaar dat de rechter heel
subjectief wordt à eigen overtuiging.
2
,Bewijsminimum
Een bewezenverklaring moet berusten op minstens twee bewijsmiddelen (eis van dubbele bevestiging). Een
uitzondering hierop is het proces-verbaal opgesteld door een ambtenaar (344 lid 2 Sv).
Bijvoorbeeld: in een zaak van huiselijk geweld is er in beginsel al voldoende wettig bewijs wanneer
de aangeefster verklaart door de man geslagen te zijn in combinatie met een proces-verbaal van
bevindingen van verbalisanten die ter plaatse zijn gekomen en letsel constateren bij de vrouw.
Wettelijke bewijsmiddelen (art. 339 Sv)
1. Eigen waarneming van de rechter (art. 340 Sv)
• De rechter in hoger beroep mag bewezenverklaring doen steunen op de eigen waarneming van
de rechter in eerste aanleg, zonder dat hij de waarneming zelf ook heeft gedaan.
• Feiten van algemene bekendheid behoeven geen bewijs (art. 339 lid 2 Sv)
o HR Google Maps: dingen opzoeken in Google Maps zijn een feit van algemene
bekendheid.
o HR Informatie via Google: niet alle internetbronnen kunnen als algemeen bekend
worden beschouwd.
• Als de rechter iets waarneemt na sluiting van de terechtzitting, dan mag deze waarneming niet
worden gebruikt à dit is in strijd met het onmiddellijkheidsbeginsel. De rechter moet het
onderzoek eerst heropenen (verrassingscriterium, HR Eigen waarneming).
• Audio/visuele opnames vallen onder eigen waarneming van de rechter.
o HR AVR als zelfstandig bewijsmiddel: een opname van beeld en/of geluid geldt
zelfstandig niet als wettig bewijs. Wel kan de rechter de opname gebruiken als
ondersteuning van zijn eigen waarneming, mits:
§ Die opname tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde is gesteld;
§ De verdediging en het OM van die opname kennis hebben kunnen nemen;
§ Ter terechtzitting door de aanwezige partijen geen bezwaar is gemaakt tegen
het niet vertonen of ten gehore brengen van die opnames.
2. Verklaring van de verdachte (art. 341 Sv)
• De opgave van feiten en omstandigheden uit zijn eigen wetenschap en waarneming bekend.
• Het zwijgen van de verdachte is geen wettig bewijsmiddel (art. 6 EVRM jo. 29 Sv). Maar:
zwijgen kan redengevende kracht geven aan bewijsmiddelen in het dossier. Het mag niet als
bewijsmiddel op papier gebruikt worden, maar het kan de rechter sterken in zijn overtuiging.
o Let op: in witwaszaken is een zwijgende verdachte wél bewijs.
o EHRM Murray/Verenigd Koninkrijk:
§ Het zwijgrecht is niet absoluut;
§ Een veroordeling mag niet in beslissende mate op zwijgen of weigeren tot
verklaren worden gebaseerd;
§ Zwijgen mag in aanmerking worden genomen bij het waarderen van het door
het OM aangedragen bewijs in een situatie die om een verklaring van de
verdachte schreeuwt;
§ Het gaat in elke zaak om de vraag of het bewijs sufficiently strong is om een
verklaring van de verdachte te verlangen.
o HR Strippenkaart: het zwijgen van de verdachte is niet direct redengevend voor het
bewijs van het tenlastegelegde feit. Het is slechts redengevend voor de vaststelling van
de redengevendheid van een ander bewijsmiddel.
• Kennelijk leugenachtige verklaring = een verklaring van de verdachte die is afgelegd met als
doel de waarheid te bemantelen à alternatief scenario.
o HR Kennelijk leugenachtige verklaring: een kennelijk leugenachtige verklaring is wel
een bewijsmiddel, maar moet voldoende steun vinden in één of meerdere
bewijsmiddelen, niet zijnde zijn eigen verklaring.
3
, 3. Verklaring van een getuige (art. 342 Sv)
• Een eigen waarneming of ondervinding van een getuige. Geen gissingen, vermoedens,
veronderstellingen of conclusies.
• Deze verklaring mag alleen worden gebruikt indien deze betrouwbaar is en afgelegd
overeenkomstig de waarheid wordt geacht à er bestaat geen algemeen toetsingskader omtrent
de betrouwbaarheid.
• De getuige heeft de plicht om te verschijnen (art. 213 Sv)
• De getuige heeft de plicht om te verklaren (art. 221 jo. 294 Sv). De getuige heeft die plicht niet
in het geval van het verschoningsrecht (art. 290 lid 5 jo. 217 – 219b Sv).
• Een kennelijk leugenachtige verklaring van een getuige mag niet worden gebruikt.
• 1 getuige is geen getuige (art. 341 lid 4 Sv).
• Unus testis nullus testis/het bewijsminimum (art. 342 lid 2 Sv): houdt in dat als de op zichzelf
staande verklaringen van een getuige onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, de
rechter de verdachte niet kan veroordelen. De vraag of voldoende ander bewijsmateriaal is voor
een veroordeling is niet in algemene zin te beantwoorden: beoordeling van het concrete geval.
4. Verklaring van een deskundige (art. 343 Sv)
• Ultimate issue rule = deskundigen moeten niet treden in beslissingen die aan de rechter zijn
voorbehouden.
• Deskundigen paradox = het probleem dat rechters deskundigenbewijs moeten beoordelen,
terwijl ze zelf weinig kennis hebben over het onderwerp waarover de deskundige informatie
geeft. Dit probleem is niet onoverkomelijk. Door kritische vragen te stellen kan de rechter
proberen zich zelfstandig een rationeel oordeel te vormen over het deskundigenbewijs.
5. Schriftelijke stukken (art. 344 Sv)
M.J. Dubelaar – Nadere gedachten over de vervanging van het begrip overtuiging in strafzaken
Dit artikel bespreekt het voorgestelde bewijscriterium in de modernisering van het WvSv. Momenteel geldt
de “rechterlijke overtuiging” als maatstaf voor een bewezenverklaring, maar er wordt voorgesteld dit te
vervangen door “buiten redelijke twijfel” als objectief criterium. Tegelijkertijd blijft de “rechterlijke
overtuiging” behouden als voorwaarde voor een bewezenverklaring.
Problemen met het huidige criterium “rechterlijke overtuiging”
• Het begrip heeft een subjectieve lading, waardoor rechters mogelijk bewijs interpreteren op basis
van intuïtie of onbewuste voorkeuren. Dit kan leiden tot dissociatie tussen overtuiging en bewijs,
waarbij een verdachte onterecht veroordeeld of vrijgesproken wordt.
Problemen met het voorgestelde nieuwe criterium “buiten redelijke twijfel”
• Hoewel bedoeld als objectief criterium, blijft er ruimte voor subjectieve interpretatie. De rechter
moet zowel overtuigd zijn als geen redelijke twijfel hebben, wat kan leiden tot een tegenstrijdige
dubbele toets. Het concept “redelijke twijfel” is niet volledig objectief, omdat de invulling ervan per
rechter kan verschillen.
Kritiek op de voorgestelde constructie
• Er wordt een dubbel criterium geïntroduceerd: een bewezenverklaring vereist zowel dat er geen
redelijke twijfel is als dat de rechter overtuigd is. Dit maakt het bewijsrecht niet eenduidiger, maar
juist complexer. De rechter zou moeten beslissen op basis van de kracht van het bewijsmateriaal,
niet op basis van persoonlijke overtuiging
Conclusie
De formulering van het bewijscriterium in de modernisering van het WvSv is problematisch. Het vasthouden
aan de “rechterlijke overtuiging” als extra eis maakt het bewijsrecht niet objectiever, maar juist
ingewikkelder. De wetgever zou óf volledig moeten overstappen op het criterium “buiten redelijke twijfel”
óf de rechterlijke overtuiging duidelijk als objectief criterium moeten definiëren.
4