Samenvatting boek ‘Klinische psychologie: diagnostiek en behandeling’
Bevat de hoofdstukken: 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 19 en 10 + de artikelen
Stein et al, Borsboom (2017), Lai Baron Cohen (2005) en Van Bentum et al.
Voorbeeld van samenvatting
9.3 Paniekstoornis
Bij een paniekstoornis ervaart men onverwacht optredende paniekaanvallen, die bestaan uit
golven van intense angst of ongemak, die binnen enkele minuten een piek bereiken. De
aanvallen gaan gepaard met verschillende
lichamelijke symptomen als hartkloppingen,
zweten, ademnood en duizeligheid. Deze klachten
worden vervolgens geïnterpreteerd als catastrofaal
(controleverlies/flauwvallen/hartaanval), waardoor
de lichamelijke symptomen verder toenemen, wat
leidt tot een vicieuze cirkel. Hierdoor worden
patiënten namelijk bang voor een nieuwe aanval
(anticipatie-angst) en veranderen patiënten hun
gedrag om nieuwe aanvallen te voorkomen
(bijvoorbeeld het vermijden van inspannende
activiteiten).
Een paniekstoornis ontstaat door klassieke
conditionering: een voorheen neutrale stimulus
(CS, bijvoorbeeld een hartklopping) wordt een
voorspeller van een catastrofe (US/UR,
bijvoorbeeld een hartaanval), wat gevoelens van paniek (CR) oproept. De klachten blijven
mede in stand door operante conditionering: door gedrag (R) aan te passen wordt de
gevreesde catastrofe voorkomen (Sr-pos), wat leidt tot een toename van dit gedrag en het in
stand blijven van de angstige verwachtingen.
9.3.2 Behandeling van de paniekstoornis
Cognitieve gedragstherapie voor paniekstoornis bestaat uit drie elementen: cognitieve
herstructurering, interoceptieve exposure en exposure in vivo. Bij cognitieve herstructurering
worden de interpretaties onderzocht als gedachtenschema’s, door eerst op socratische wijze
argumenten te verzamelen die de gedachten bevestigen. Vervolgens wordt de angstige
verwachting getoetst met interoceptieve exposure via blootstelling aan angst oproepende
lichamelijke signalen, zodat de patiënt het ook echt ervaart. Exposure in vivo-oefeningen
worden vervolgens ingezet om vermijdings- en veiligheidsgedrag tegen te gaan.
9.3.3 Effectiviteit
60-80% van de patiënten heeft baat bij de behandeling en de bereikte resultaten blijven op
langere termijn behouden. Op korte termijn lijkt een combinatie van CGT en antidepressiva
effectiever dan alleen CGT of antidepressiva, maar bij follow-up werden vervolgens geen
verschillen gevonden. Ook is de kans op terugval na alleen CGT kleiner.
,9.4 Agorafobie
Agorafobie wordt gekenmerkt door vermijding van situaties waarin het moeilijk is weg te
komen of geen hulp beschikbaar is als men last krijgt van paniek of andere beschamende
verschijnselen. Voorbeelden van situaties zijn het openbaar vervoer, afgesloten ruimtes en
menigten. Als vermijding niet mogelijk is wordt er gedrag gebruikt om de situatie te kunnen
volhouden, zoals bij de uitgang staan of een mobiele telefoon paraat hebben.
Agorafobisch vermijdingsgedrag is meestal gekoppeld aan de paniekstoornis, maar
agorafobie komt vaak voor zonder dat er sprake is van symptomen van een paniekstoornis.
Klassieke conditionering speelt een rol in het ontstaan van de klachten, terwijl operante
conditionering van belang is bij het voortbestaan van de klachten (op dezelfde manier als bij
een paniekstoornis).
9.4.2 Behandeling
Exposure in vivo is de belangrijkste interventie voor agorafobisch vermijdingsgedrag.
Aandachtspunt hierbij is om afspraken te maken over het achterwege laten van
veiligheidsgedrag (zoals in het midden van de metro plaatsnemen).
9.4.3 Effectiviteit
Er is geen onderzoek naar de effectiviteit van de behandeling van alleen agorafobie, omdat
het vaak gepaard gaat met een paniekstoornis en lang geen eigen diagnose had.
9.5 Sociale-angststoornis
Mensen met een sociale-angststoornis worden gehinderd door een aanhoudende angst voor
sociale contacten of situaties waarin de kans bestaat dat ze beoordeeld worden. Patiënten
zijn vooral bang om zich op zo’n manier te gedragen dat leidt tot een negatieve beoordeling
van anderen. Situaties waarin dat kan, zoals feestjes of gesprekken met onbekenden,
worden vermeden en als situaties niet te vermijden zijn wordt veiligheidsgedrag toegepast
(zoals coltruien dragen om rode vlekken te maskeren of niets zeggen).
Ook sociale angst ontstaat door klassieke conditioneringsprincipes, waarbij de sociale
situaties (CS) geassocieerd raken met een negatieve betekenis (US/UR), die gevoelens van
angst (CR) oproepen. Hierbij kan het gaan om referentiële associaties, waarbij de sociale
situaties negatieve kennis over de eigen persoon of anderen oproepen, of eerdere negatieve
herinneringen. Het kan ook gaan om sequentiële associaties met negatieve betekenissen,
waarbij sociale situaties een voorspeller worden voor een negatieve beoordeling. Deze
klachten worden weer via operante conditionering in stand gehouden.
Sociale situaties roepen negatieve kennis over
zichzelf op, waardoor men zich overmatig
bewust wordt van zichzelf (zelfgerichte
aandacht). Hierdoor merken zij lichamelijke
reacties sneller op, die sneller worden
geïnterpreteerd als blozen of zwakte. Ook
krijgt men te weinig aandacht voor de taak,
waardoor mensen niet meer goed luisteren en
dit leidt weer tot meer negatieve
zelfbeoordeling. Ook kan dit leiden tot
daadwerkelijke negatieve feedback.
,9.5.2 Behandeling
CGT bestaat uit cognitieve herstructurering, gedragsexperimenten en taakconcentratie, wat
gericht is op de zelfgerichte aandacht door patiënten te leren zich te baseren op externe
informatie (de taak en omgeving) in plaats van op zichzelf. De taakconcentratie training
bestaat uit luister- en verteloefeningen, waarbij geprobeerd wordt de aandacht steeds van
zichzelf weer naar de taak te verplaatsen. Met behulp van socratisch bevragen van de
angstoproepende interpretaties en lichamelijke symptomen worden negatieve gedachten
gewijzigd in alternatieven. Vervolgens worden gedragsexperimenten uitgevoerd.
Hierbij vindt geen exposure in vivo plaats, omdat de patiënt niet zozeer moet ervaren dat
ellendige gebeurtenissen niet plaatsvinden, maar vooral dat het positieve alternatief optreedt
(acceptatie door anderen).
9.5.3 Effectiviteit
CGT blijkt werkzaam te zijn bij een sociale-angststoornis, zowel in individuele vorm als
groepsgewijs. Voor sociale vaardigheidstrainingen bestaat weinig ondersteuning, omdat
sociaal angstige patiënten wel beschikken over de adequate vaardigheden, maar deze niet
goed kunnen toepassen als ze angstig zijn.
9.6 Specifieke fobie
Een specifieke fobie is een hardnekkige en intense angst voor iets die minstens een half jaar
aanwezig is. De objecten of situaties worden vermeden. De specifieke fobie ontstaat
wederom door klassieke conditionering en blijft door operante conditionering. De afname
van angst en het uitblijven van de gevreesde ramp (Sr-pos) zijn sterke bekrachtigers voor
het vluchtgedrag (R).
9.6.2 en 9.6.3 Behandeling en effectiviteit
De behandeling bestaat volledig uit exposure therapie en dit blijkt effectief te zijn zonder
toevoeging van andere interventies. Exposure kan zowel in vivo als imaginair worden
aangeboden, maar vivo werkt op korte termijn het beste.
9.7 Gegeneraliseerde-angststoornis (GAS)
De belangrijkste kenmerken van GAS zijn overmatige angst en moeilijk te beheersen
gepieker over minstens twee van de volgende terreinen: familie, gezondheid, financiën en
school of werk, voor minstens een half jaar meer wel dan niet. Het gaat gepaard met
symptomen als gejaagd voelen, slaapproblemen en verstoring van het dagelijkse
functioneren.
Piekeren wordt gezien als een strategie om manieren te vinden om met mogelijk
bedreigende situaties om te gaan (R) en wordt bekrachtigd als het piekeren daadwerkelijk
tot oplossingen leidt, maar ook als de gevreesde catastrofe uitblijft (Sr-pos). Mensen met
GAS piekeren vaak en er vinden niet dagelijks catastrofes plaats, dus de bekrachtiging is
sterk, waardoor piekeren steeds meer toeneemt.
Als het piekeren ook als negatief wordt gezien, kan een GAS ontstaan. Negatieve
opvattingen over piekeren kunnen ontstaan als iemand door piekeren bijvoorbeeld
slaapproblemen of stemmingsproblemen ontwikkelt. Als pogingen om te stoppen met
piekeren dan ook nog eens mislukken kan het piekeren steeds meer als onbeheersbaar en
bedreigend beleefd worden (US/UR), wat leidt tot zorgen over het piekeren (metagepieker)
en een toename van angst (CR).
, Als reactie hierop worden pogingen gedaan om de eigen zorgen te beheersen en
vermijdingsstrategieën toegepast (R). Deze gedragingen zijn contraproductief, omdat ze
vrijwel nooit het gewenste effect hebben, wat de negatieve opvattingen versterkt.
9.7.2 Behandeling
Behandelingen richten zich vooral op het wijzigen van de metacognitieve opvattingen over
piekeren, en als eerst op de opvatting dat piekeren onbeheersbaar is, vervolgens op
opvattingen over het gevaar van piekeren en als laatst op opvattingen over het nut van
piekeren. De metacognitieve opvattingen worden onderzocht door gedachteschema’s en
gedragsexperimenten, bijvoorbeeld een pieker-uitstel-experiment. Door te ervaren dat
piekeren beheersbaar is, wordt de opvatting dat piekeren onbeheersbaar is minder
gevaarlijk. Door vervolgens te proberen de gevreesde catastrofe (zoals gek worden) te
bewerkstelligen door zo veel mogelijk te gaan piekeren, kan de opvatting dat piekeren
gevaarlijk is worden getest.
De behandeling wordt afgesloten met het vergroten van het copingrepertoire om met
problemen of zorgen om te gaan en het opheffen van vermijdingsgedrag met behulp van
exposure en response prevention (ERP-afspraken).
9.7.3 Effectiviteit
Metacognitieve gedragstherapie (MCT) leidt tot een significante afname van piekeren en
angst, maar ook van comorbide klachten als depressieve symptomen. Zo bleek minstens
75% na MCT herstelt, tegenover 50% na andere vormen van CGT bij GAS. Deze effecten
bleven stabiel over een periode van 2,5 jaar zonder verdere behandeling.