bij een heterozygoot organisme
Intermediair: fenotype waarbij beide allelen van een allelenpaar als mengvorm tot uiting
komen
Codominantie: fenotype waarbij beide allelen volledig tot uiting komen
Recombinatie: ontstaan van genetische variatie (nieuwe combinaties van allelen
Genetische variatie: verscheidenheid in genotypen binnen een soort
Onafhankelijke overerving: overerving waarbij de genenparen in verschillende
chromosomenparen liggen
1. Wat zijn genotypen van de ouders? Geef deze genotypen in een kruising weer
2. Welke allelen kunnen de geslachtscellen van beide ouders bevatten?
3. Welke mogelijkheden bestaan er voor de versmelting van een eicelkern en een
zaadcelkern
Multipele allelen: voor één erfelijke eigenschap bestaan drie of meer verschillende allelen
Gekoppelde overerving: overerving waarbij de twee genenparen in hetzelfde
chromosomenpaar liggen
Gekoppelde genen: genen die in hetzelfde chromosomenpaar liggen
Letale factor: allel dat in homozygote toestand geen levensvatbare cel of individu oplevert
Mitochondriaal DNA: DNA dat in mitochondriën zit en (in normale situaties) alleen via eicellen
overerft naar een volgende generatie
Onafhankelijke overerving: overerving waarbij de twee genenparen in verschillende
chromosomenparen liggen
Bloedgroepen:
A IAIA, IAi B IBIB, Ibi AB IAIB 0 ii
Tweelingonderzoek:
Twee-eïge tweelingen ideaal als vergelijkingsmateriaal: ‘gelijk genotype en gelijk milieu’
versus ‘verschillend genotype en gelijk milieu’
Wanneer eeneiige tweelingen, bv. door adoptie, van jongs af aan in verschillende gezinnen
opgroeien, kun je te weten komen wat de invloed is van milieufactoren op het fenotype (gelijk
genotype en ongelijk milieu)