Voorbeeldvraag:
Casus
Emma (9 jaar) heeft een gegeneraliseerde angststoornis en is bang om fouten te maken. Op
school durft ze nauwelijks vragen te stellen of hardop antwoorden te geven. Als de leraar haar
een vraag stelt, wordt ze rood en zegt ze vaak niets. Hierdoor wordt ze steeds minder vaak
gekozen om antwoord te geven, wat haar angst lijkt te versterken. Thuis vertelt Emma dat ze
zich vaak zorgen maakt over de toekomst en of ze slim genoeg is.
1a. (6) Maak een functieanalyse (FA) voor het vermijdingsgedrag van Emma. Benoem ten
minste twee positieve en twee negatieve gevolgen en gebruik de juiste codering.
1b. (3) Stel een betekenisanalyse op voor Emma’s angst om fouten te maken. Geef aan of er
sprake is van een sequentieel of referentieel verband en onderbouw je keuze.
Uitwerkingen voorbeeldvraag
1a. In een functieanalyse (FA) worden de antecedenten (A), het probleemgedrag (B) en de
gevolgen (C) in kaart gebracht. In Emma’s geval kan dit als volgt worden ingevuld:
• Antecedenten (A): De leraar stelt een vraag in de klas.
• Gedrag (B): Emma antwoordt niet, wordt rood en blijft stil.
• Consequenties (C):
• Positief gevolg: Klasgenoten letten minder op haar, wat haar sociale angst tijdelijk
vermindert.
• Negatief gevolg: Ze hoeft niet direct met haar angst om fouten te maken om te gaan.
• Negatief gevolg op lange termijn: Ze mist kansen om succeservaringen op te doen, waardoor
haar angst blijft bestaan.
1b. In de betekenisanalyse (BA) wordt gekeken naar de diepere betekenis van het
probleemgedrag. Emma’s angst om fouten te maken kan referentieel zijn als ze deze koppelt
aan eerdere ervaringen waarin ze zich dom voelde na een fout. Als ze bang is voor directe
negatieve gevolgen (zoals uitgelachen worden), is er sprake van een sequentieel verband.