Evolutie.
- Centrale theorie in de biologie Charles Darwin.
- Het principe stelt dat organismen zich in de loop der tijd veranderen en zich
aanpassen aan hun omgeving.
Natuurlijke selectie: het overleven en voorplanten van de individuen die het beste aan hun
omgeving zijn aangepast survival of the fittest (niet altijd van toepassing).
- Doorgeven van genen door voortplanting.
- Het beste aangepast aan de omgeving.
- Mechanismen die de overlevingskans verhogen, blijven voortbestaan.
Voorwaarden voor natuurlijke selectie:
1. Variatie: alleen variaties die erfelijk bepaald zijn spelen een rol bij natuurlijke selectie.
2. Inheritance: overerving. Voordelige eigenschappen moeten worden doorgegeven aan
de volgende generatie.
3. Selectie: sommige organismen krijgen meer nakomelingen hun eigenschappen
zijn gunstiger voor overleving of reproductie.
Natuurlijke selectie is een geleidelijke verandering over de tijd die leidt tot adaptieve
kenmerken.
Bijproducten van natuurlijke selectie:
- Adaptaties: navelstreng.
- Bijproducten: navel.
- Random effecten: vormen van navel.
Adaptieve kenmerken: kenmerk van een soort dat is ontstaan naar aanleiding van een
aanpassing aan de omgeving primaire product van evolutie door selectie.
In veel gevallen leiden adapties tot toevallige bijwerkingen die geen specifiek doel hebben,
maar soms wel handig uit kunnen komen neus is niet ontwikkeld voor het dragen van een
bril, maar het maakt het wel mogelijk.
Ruis: random variaties. Het zijn geen adapties EN geen bijproducten, maar ze verhinderen
onze kansen tot overleven niet dus blijven ze voortbestaan.
Seksuele selectie: proces waarbij mechanismen die de voortplantingskansen verhogen,
blijven voortbestaan. Deze aanpassingen verhogen dus niet automatisch de
overlevingskansen, ze kunnen deze zelfs omlaag halen.
- Intra seksuele competitie.
- Interseksuele selectie.
Intra seksuele competitie: binnen sekse. De geslachten voeren onderling conflicten over wie
met iemand van het andere geslacht aan de gang kan. De karakteristieken die hierin tot
succes leiden blijven voortbestaan.
Interseksuele selectie: buiten sekse. Beide geslachten selecteren elkaar op basis van
gewenste karakteristieken. Mannen hebben liever slanke vrouwen, vrouwen hebben liever
mannen met status.
Inclusive fitness: stelt dat wij niet alleen onze eigen kansen op overleving willen vergroten,
MAAR ook die van genetisch gerelateerde (familie). Zij delen namelijk een deel van jouw
genen wordt gezien als de evolutietheorie.
1
,Altruïsme: vergroot de voortplanting potenties. Jezelf opofferen voor de belangen van een
ander, om ervoor te zorgen dat jouw genen overleven genetische relatie.
Parental investment theory: geslacht dat meer in de nakomelingen investeert is selectiever
bij het kiezen van een partner. Bij het andere geslacht vindt er meer intra seksuele competitie
plaats, om zo toegang te hebben tot partners.
Theory of parent-offspring conflict: optimaal voor het kind is niet altijd optimaal voor de ouder.
- Veel aandacht voor het kind.
- Ouder wil aandacht over kinderen verdelen meer kans op doorgeven van genen.
Theory of reciprocal altruïsme: wederkerig. Gedrag waarbij een individu tijdelijk zijn fitheid
vermindert, maar tegelijkertijd die van een ander vergroot verwachting dat dit later
andersom ook zo is eigen overlevingskansen vergroten door een ander te helpen.
Kwaliteiten van iedere ouder worden doorgegeven aan het nageslacht door middel van
genen. De genetische code van een individu ligt vast vanaf de bevruchting. De enige
uitzonderingen zijn mutaties.
Een mutatie kan adaptatie worden wanneer dit een goede eigenschap is voor overleving,
hiermee leidt hij tot grotere overleving en voortplanting. Als over tijd individuen deze mutatie
erven, kan deze zich verspreiden over de gehele populatie.
Genen.
Gen: een biologische eenheid van overerving dat zijn structuur en identiteit behoudt van
generatie tot generatie.
- Genen bestaan uit paren.
- Een gen maakt deel uit van een chromosoom dat bestaat uit DNA.
- De activiteit van een gen kan verschillen: actief of non-actief.
- Verschillende ervaringen kunnen een gen aan of uit zetten.
Soorten genen:
Homozygoot: iemand met een identiek paar genen in de twee chromosomen.
Heterozygoot: iemand met twee verschillende varianten van een gen.
Dominant: een sterk effect één gen is voldoende om tot uiting te komen.
Recessief: toont alleen zijn effect wanneer hij homozygoot is.
Intermediate overerving: beide genen hebben een gemend effect.
RNA: één streng van het DNA. Elk molecuul RNA of DNA bevat dus een reeks genen.
DNA: bevat vier fundamenten. De volgorde van deze fundamenten bepaalt de volgorde van
de corresponderende fundamenten op ene RNA-molecuul. Informatie vanuit het DNA wordt
via het RNA omgezet in proteïnes, die de ontwikkeling van het organisme bepalen.
Manieren waarop genen kunnen veranderen: mutatie. Een erfelijke verandering in een DNA-
molecuul. Aangezien evolutie er eeuwen over heeft gedaan om de beste opmaak van een
gen te selecteren, is een nieuwe mutatie zelden voordelig.
2
,Basic Neurotransmitters.
Zenuwstelsel: verzamelt informatie uit de omgeving, verwerkt die informatie en reageert
hierop door de juiste spieren aan te sturen beweging genereren.
Het zenuwstelsel bestaat uit meerdere onderdelen die samenwerken om de informatie uit de
omgeving te verwerken en hierop te reageren.
1. Centrale zenuwstelsel.
2. Perifere zenuwstelsel.
Centrale zenuwstelsel: hersenen en het ruggenmerg.
Ruggenmerg: van de hersenstam tot je staartbotje.
- Wordt beschermd door de ruggenwervels.
- Is onderverdeeld in 31 segmenten die elk een linker- en rechter ruggenmergzenuw
hebben dit zijn uitlopers in het perifere zenuwstelsel.
Ruggenmergzenuw: mix van sensorische neuronen die informatie versturen vanuit de
zintuigen en motorische neuronen die naar skeletspieren gaan.
Perifere zenuwstelsel: neuronen verbinden centrale zenuwstelsel met organen en spieren.
- Waarnemen: door zintuigen.
- Reageren: door organen en spieren.
Bestaat uit twee onderdelen:
1. Somatische zenuwstelsel: willekeurig. Staat onder invloed van de ‘wil’.
2. Autonome zenuwstelsel: onwillekeurig. Hebben we geen controle over reflex.
Somatische zenuwstelsel: kun je bewust aansturen en bewust waarnemen.
Bewuste aansturing van de spieren door motorneuronen in de hersenschors. Zij sturen
skeletspieren aan. Deze motorneuronen steken het lichaam over van links naar rechts
linkerkant van het brein stuur de rechterkant van de spieren aan.
Autonome zenuwstelsel: onwillekeurig. Is onder te verdelen in:
1. Sympathisch zenuwstelsel.
2. Parasympatisch zenuwstelsel.
Sympathisch zenuwstelsel: vechten of vluchten actie. Deze reactie vindt snel en
onbewust plaats. Het lichaam wordt aangezet om te bevriezen of te vluchten. Het duurt
langer voordat het brein de tijd heeft gehad om de situatie te evalueren en een gepaste
reactie in te zetten.
Bij sommige mensen is de aansturing van het sympathische zenuwstelsel verstoord
waardoor de amygdala te snel geactiveerd wordt in niet-bedreigende situaties
verhoogde stressreactie.
Bij langdurige stress zijn de cortisollevels lang hoog. Dit heeft verschillende negatieve
gevolgen voor de gezondheid:
- Hoge bloeddruk.
- Verminderde slaap.
Het autonome zenuwstelsel wordt aangestuurd door de hypothalamus. De situatie komt via
de zintuigen binnen in het brein en wordt eerst verwerkt in een kleine hersenstructuur
amygdala beslist of er sprake is van gevaar en activeert de hypothalamus.
3
, Hypothalamus:
- Activeert het sympathische zenuwstelsel.
- Geeft opdracht aan bijnieren om noradrenaline te produceren lichaam krijgt
energie boost: hartritme gaat omhoog etc.
- Wanneer het gevaar niet weggaat activeert de hypothalamus een tweede reactie,
waarbij de bijnieren cortisol afgeven om het lichaam alert te houden.
Parasympatisch zenuwstelsel: de ‘rem’ van het lichaam. Draagt bij aan het herstel.
- Hartritme en ademhaling gaan omlaag
- Gebeurt onbewust toch kun je dit beïnvloeden ademhalingsoefeningen.
Relaxatie-reactie: van vluchtstand naar ruststand.
Zenuwstelsel
Centraal zenuwstelsel Perifere zenuwstelsel
Somatisch Autonoom
Parasympatisch Sympathisch
Vanuit het perifere zenuwstelsel worden prikkels doorgegeven aan de hersenen. Ze staan
direct in verbinding met de hersenstam via hersenzenuwen.
Hersenstam:
- Bevindt zich onderaan het brein.
- Vormt het verlengde van het ruggenmerg.
- Alle neuronen van en naar het lichaam komen hierlangs.
- Belangrijk voor het menselijk bewustzijn: slaap- en waakritme.
Medulla: vormt de overgang van het ruggenmerg naar de hersenen.
- Neuronen komen binnen vanuit het lichaam.
- Kruispunt van motorneuronen. Zij zijn onderweg van hersenschors naar het lichaam
en hier hun oversteek maken van links naar rechts.
Pons: de brug tussen de grote en kleine hersenen.
- Hersenzenuwen van zintuigen die zich in het hoofd belangrijk voor ademhaling
etc.
Mesencephalon: de middenhersenen.
- Een aantal kleine hersenkernen waar hormonen worden gemaakt dopamine etc.
- Eerste station waar zintuigelijke informatie gefilterd wordt via het neuronaal
feedbacksysteem vanuit de andere delen in het brein.
4
- Centrale theorie in de biologie Charles Darwin.
- Het principe stelt dat organismen zich in de loop der tijd veranderen en zich
aanpassen aan hun omgeving.
Natuurlijke selectie: het overleven en voorplanten van de individuen die het beste aan hun
omgeving zijn aangepast survival of the fittest (niet altijd van toepassing).
- Doorgeven van genen door voortplanting.
- Het beste aangepast aan de omgeving.
- Mechanismen die de overlevingskans verhogen, blijven voortbestaan.
Voorwaarden voor natuurlijke selectie:
1. Variatie: alleen variaties die erfelijk bepaald zijn spelen een rol bij natuurlijke selectie.
2. Inheritance: overerving. Voordelige eigenschappen moeten worden doorgegeven aan
de volgende generatie.
3. Selectie: sommige organismen krijgen meer nakomelingen hun eigenschappen
zijn gunstiger voor overleving of reproductie.
Natuurlijke selectie is een geleidelijke verandering over de tijd die leidt tot adaptieve
kenmerken.
Bijproducten van natuurlijke selectie:
- Adaptaties: navelstreng.
- Bijproducten: navel.
- Random effecten: vormen van navel.
Adaptieve kenmerken: kenmerk van een soort dat is ontstaan naar aanleiding van een
aanpassing aan de omgeving primaire product van evolutie door selectie.
In veel gevallen leiden adapties tot toevallige bijwerkingen die geen specifiek doel hebben,
maar soms wel handig uit kunnen komen neus is niet ontwikkeld voor het dragen van een
bril, maar het maakt het wel mogelijk.
Ruis: random variaties. Het zijn geen adapties EN geen bijproducten, maar ze verhinderen
onze kansen tot overleven niet dus blijven ze voortbestaan.
Seksuele selectie: proces waarbij mechanismen die de voortplantingskansen verhogen,
blijven voortbestaan. Deze aanpassingen verhogen dus niet automatisch de
overlevingskansen, ze kunnen deze zelfs omlaag halen.
- Intra seksuele competitie.
- Interseksuele selectie.
Intra seksuele competitie: binnen sekse. De geslachten voeren onderling conflicten over wie
met iemand van het andere geslacht aan de gang kan. De karakteristieken die hierin tot
succes leiden blijven voortbestaan.
Interseksuele selectie: buiten sekse. Beide geslachten selecteren elkaar op basis van
gewenste karakteristieken. Mannen hebben liever slanke vrouwen, vrouwen hebben liever
mannen met status.
Inclusive fitness: stelt dat wij niet alleen onze eigen kansen op overleving willen vergroten,
MAAR ook die van genetisch gerelateerde (familie). Zij delen namelijk een deel van jouw
genen wordt gezien als de evolutietheorie.
1
,Altruïsme: vergroot de voortplanting potenties. Jezelf opofferen voor de belangen van een
ander, om ervoor te zorgen dat jouw genen overleven genetische relatie.
Parental investment theory: geslacht dat meer in de nakomelingen investeert is selectiever
bij het kiezen van een partner. Bij het andere geslacht vindt er meer intra seksuele competitie
plaats, om zo toegang te hebben tot partners.
Theory of parent-offspring conflict: optimaal voor het kind is niet altijd optimaal voor de ouder.
- Veel aandacht voor het kind.
- Ouder wil aandacht over kinderen verdelen meer kans op doorgeven van genen.
Theory of reciprocal altruïsme: wederkerig. Gedrag waarbij een individu tijdelijk zijn fitheid
vermindert, maar tegelijkertijd die van een ander vergroot verwachting dat dit later
andersom ook zo is eigen overlevingskansen vergroten door een ander te helpen.
Kwaliteiten van iedere ouder worden doorgegeven aan het nageslacht door middel van
genen. De genetische code van een individu ligt vast vanaf de bevruchting. De enige
uitzonderingen zijn mutaties.
Een mutatie kan adaptatie worden wanneer dit een goede eigenschap is voor overleving,
hiermee leidt hij tot grotere overleving en voortplanting. Als over tijd individuen deze mutatie
erven, kan deze zich verspreiden over de gehele populatie.
Genen.
Gen: een biologische eenheid van overerving dat zijn structuur en identiteit behoudt van
generatie tot generatie.
- Genen bestaan uit paren.
- Een gen maakt deel uit van een chromosoom dat bestaat uit DNA.
- De activiteit van een gen kan verschillen: actief of non-actief.
- Verschillende ervaringen kunnen een gen aan of uit zetten.
Soorten genen:
Homozygoot: iemand met een identiek paar genen in de twee chromosomen.
Heterozygoot: iemand met twee verschillende varianten van een gen.
Dominant: een sterk effect één gen is voldoende om tot uiting te komen.
Recessief: toont alleen zijn effect wanneer hij homozygoot is.
Intermediate overerving: beide genen hebben een gemend effect.
RNA: één streng van het DNA. Elk molecuul RNA of DNA bevat dus een reeks genen.
DNA: bevat vier fundamenten. De volgorde van deze fundamenten bepaalt de volgorde van
de corresponderende fundamenten op ene RNA-molecuul. Informatie vanuit het DNA wordt
via het RNA omgezet in proteïnes, die de ontwikkeling van het organisme bepalen.
Manieren waarop genen kunnen veranderen: mutatie. Een erfelijke verandering in een DNA-
molecuul. Aangezien evolutie er eeuwen over heeft gedaan om de beste opmaak van een
gen te selecteren, is een nieuwe mutatie zelden voordelig.
2
,Basic Neurotransmitters.
Zenuwstelsel: verzamelt informatie uit de omgeving, verwerkt die informatie en reageert
hierop door de juiste spieren aan te sturen beweging genereren.
Het zenuwstelsel bestaat uit meerdere onderdelen die samenwerken om de informatie uit de
omgeving te verwerken en hierop te reageren.
1. Centrale zenuwstelsel.
2. Perifere zenuwstelsel.
Centrale zenuwstelsel: hersenen en het ruggenmerg.
Ruggenmerg: van de hersenstam tot je staartbotje.
- Wordt beschermd door de ruggenwervels.
- Is onderverdeeld in 31 segmenten die elk een linker- en rechter ruggenmergzenuw
hebben dit zijn uitlopers in het perifere zenuwstelsel.
Ruggenmergzenuw: mix van sensorische neuronen die informatie versturen vanuit de
zintuigen en motorische neuronen die naar skeletspieren gaan.
Perifere zenuwstelsel: neuronen verbinden centrale zenuwstelsel met organen en spieren.
- Waarnemen: door zintuigen.
- Reageren: door organen en spieren.
Bestaat uit twee onderdelen:
1. Somatische zenuwstelsel: willekeurig. Staat onder invloed van de ‘wil’.
2. Autonome zenuwstelsel: onwillekeurig. Hebben we geen controle over reflex.
Somatische zenuwstelsel: kun je bewust aansturen en bewust waarnemen.
Bewuste aansturing van de spieren door motorneuronen in de hersenschors. Zij sturen
skeletspieren aan. Deze motorneuronen steken het lichaam over van links naar rechts
linkerkant van het brein stuur de rechterkant van de spieren aan.
Autonome zenuwstelsel: onwillekeurig. Is onder te verdelen in:
1. Sympathisch zenuwstelsel.
2. Parasympatisch zenuwstelsel.
Sympathisch zenuwstelsel: vechten of vluchten actie. Deze reactie vindt snel en
onbewust plaats. Het lichaam wordt aangezet om te bevriezen of te vluchten. Het duurt
langer voordat het brein de tijd heeft gehad om de situatie te evalueren en een gepaste
reactie in te zetten.
Bij sommige mensen is de aansturing van het sympathische zenuwstelsel verstoord
waardoor de amygdala te snel geactiveerd wordt in niet-bedreigende situaties
verhoogde stressreactie.
Bij langdurige stress zijn de cortisollevels lang hoog. Dit heeft verschillende negatieve
gevolgen voor de gezondheid:
- Hoge bloeddruk.
- Verminderde slaap.
Het autonome zenuwstelsel wordt aangestuurd door de hypothalamus. De situatie komt via
de zintuigen binnen in het brein en wordt eerst verwerkt in een kleine hersenstructuur
amygdala beslist of er sprake is van gevaar en activeert de hypothalamus.
3
, Hypothalamus:
- Activeert het sympathische zenuwstelsel.
- Geeft opdracht aan bijnieren om noradrenaline te produceren lichaam krijgt
energie boost: hartritme gaat omhoog etc.
- Wanneer het gevaar niet weggaat activeert de hypothalamus een tweede reactie,
waarbij de bijnieren cortisol afgeven om het lichaam alert te houden.
Parasympatisch zenuwstelsel: de ‘rem’ van het lichaam. Draagt bij aan het herstel.
- Hartritme en ademhaling gaan omlaag
- Gebeurt onbewust toch kun je dit beïnvloeden ademhalingsoefeningen.
Relaxatie-reactie: van vluchtstand naar ruststand.
Zenuwstelsel
Centraal zenuwstelsel Perifere zenuwstelsel
Somatisch Autonoom
Parasympatisch Sympathisch
Vanuit het perifere zenuwstelsel worden prikkels doorgegeven aan de hersenen. Ze staan
direct in verbinding met de hersenstam via hersenzenuwen.
Hersenstam:
- Bevindt zich onderaan het brein.
- Vormt het verlengde van het ruggenmerg.
- Alle neuronen van en naar het lichaam komen hierlangs.
- Belangrijk voor het menselijk bewustzijn: slaap- en waakritme.
Medulla: vormt de overgang van het ruggenmerg naar de hersenen.
- Neuronen komen binnen vanuit het lichaam.
- Kruispunt van motorneuronen. Zij zijn onderweg van hersenschors naar het lichaam
en hier hun oversteek maken van links naar rechts.
Pons: de brug tussen de grote en kleine hersenen.
- Hersenzenuwen van zintuigen die zich in het hoofd belangrijk voor ademhaling
etc.
Mesencephalon: de middenhersenen.
- Een aantal kleine hersenkernen waar hormonen worden gemaakt dopamine etc.
- Eerste station waar zintuigelijke informatie gefilterd wordt via het neuronaal
feedbacksysteem vanuit de andere delen in het brein.
4