and Health
Aantekeningen college 1, 4 september:
STUDY DESIGNS
2 soorten onderzoeken:
1. Experimenteel (intervention) je doet iets en veranderd 1 factor. Uit dit onderzoek ontstaat
een causaal verband -> de oorzaak (hetgeen wat je verandert) geeft een bepaald gevolg (de
uitkomst)
2. Observatief je kijkt alleen maar verandert zelf niets. Je kunt hier geen causaal verband uit
halen, omdat er meerdere factoren een rol kunnen spelen waar je geen invloed op hebt.
- Ecological: onderzoek waarbij je een populatie als geheel neemt, zegt niet veel over
individuen (bv verschillende landen met elkaar vergelijken)
- Cross-sectional: 2 verschillende dingen meten op hetzelfde moment, NU meten op 1
punt, individueel (bv pp de BMI meten en de hoeveelheid frisdrank die ze drinken).
Voordeel: snel en goedkoop. Nadeel: reverse causality
- Case control: onderzoek met een groep mensen die nu ziek zijn (cases) en groep mensen
die niet ziek maar zoveel mogelijk hetzelfde zijn (controls) vragen stellen uit het verleden
(wat heb je toen gegeten?) en deze uitkomsten vergelijken. Nadeel: mensen kunnen
liegen en weten niet precies meer wat ze gegeten hebben. Voordeel: snel, goed voor
zeldzame ziektes, uitkomst is zeker (ziekte).
- Cohort study: groep mensen volgen voor een lange tijd in de toekomst.
Nadeel: duur, duurt lang. Voordeel: betrouwbaar
Confounding: een bepaalde oorzaak lijkt te leiden tot een bepaald gevolg, maar heeft in
werkelijkheid niks met elkaar te maken. Bv: mensen die veel groentes eten, hebben minder
longkanker. Het lijkt dat meer groentes eten, leidt tot minder longkanker, terwijl er eigenlijk nog een
andere factor een rol speelt. Mensen die veel groentes eten, leven vaak gezonder en roken niet, wat
ervoor zorgt dat ze geen longkanker krijgen. Niet te groentes, maar het niet roken zorgt ervoor dat die
mensen geen longkanker krijgen. Roken is hier dus een confounding.
!Verschil weten voor examen -> sws examenvraag (omschrijving studie -> welk soort onderzoek is
het?)
Aantekeningen college 2, 6 september:
MAAG-DARM STELSEL
Ingestion = inslikken
Digestion = in stukjes knippen
Absorption = absorberen
Assimilation = assimilatie -> omzetten in energie
,Elimination = ontlasting
Ingestion:
Zodra het eten in je mond komt, begint de vertering al. In speeksel zitten verteringsenzymen,
amylase, voor koolhydraten en antibacteriële stoffen, lysozyme, om bacteriën onschadelijk te maken.
De sphincter sluit de slokdarm van de maag af. Het is belangrijk dat deze goed sluit anders komt de
zure inhoud van de maag in de slokdarm -> slokdarm is hier niet op gemaakt, dus raakt beschadigd.
Digestion:
Het eten wordt in de mond, maag en darm in stukjes geknipt, zodat het door de dunne darm kan
worden opgenomen.
- Fysieke verandering afbraak van voedsel tot kleinere deeltjes d.m.v. kauwen
(mastification) oppervlakte vergroting zodat enzymen er beter bij kunnen.
- Chemische verandering afbraak van voedsel
d.m.v. verteringsenzymen (bv: eiwitten worden
aminozuren).
- Eiwitten -> maag, pancreas, lumenal border
- Koolhydraten -> mond, pancreas, lumenal border
- Vettten -> klein beetje maag (te verwaarlozen),
pancreas
!Examenvraag -> tabel invullen
Cellen van de maag:
Goblet cells: produceren speeksel om je maag te beschermen.
Parietal cells: produceren HCI -> zorgt voor de zure omgeving in de maag.
Chief cells: produceren pepsinogeen, wat een voorloper is van protease (enzym dat eiwitten afbreekt)
Pepsinogeen is een in-actief pro-enzym. Als dit enzym al actief zou zijn binnen in de cel breekt
het daar al eiwitten af en dat zou de maag kapot maken. Dus pepsinogeen wordt pas
, geactiveerd in de zure omgeving van de maag door HCI en wordt daar omgezet naar pepsine -
> positieve terugkoppeling - > meer pepsine -> eiwitten kunnen worden afgebroken.
D en G cellen: produceren hormonen, hongerhormonen -> ghreline (endocrien -> dus wordt aan de
bloedbaan afgegeven)
In de dunne darm gebeurt het grootste deel van de vertering.
1. Duodenum -> Eerste deel van de dunne darm. Zure pap van de maag wordt geneutraliseerd
door bicarbonaat dat uit de pancreas (alvleesklier) komt. Vertering van alle macronutrienten
d.m.v verteringssappen. In dit deel van de darm de meeste vertering.
2. Jejunum -> Vertering tot individuele componenten (monosacchariden, amino zuren,...
en absorptie van de componenten)
3. Ileum -> laatste deel van de dunne darm. Hier worden de componenten en de vitamines
geabsorbeerd.
Pancreas:
- Endocriene pancreas -> laat hormonen vrij die in de bloedbaan komen.
- Exocrience pancreas -> zout, enzymen en bicarbonaat vrij laten in de duodenum
Lever:
Produceert gal( =galzouten, cholesterol en fosfolipiden) wat ervoor zorgt dat vetten wateroplosbaar
worden. De galblaas is alleen bedoeld voor opslag van gal, maar produceert het niet. Zonder galblaas
kan je prima leven, alleen heb je geen extra gal in je lichaam waardoor niet al het vet bij een vette
maaltijd kan worden afgebroken -> vette diarree. Cholecystokinine wordt geactiveerd als voedsel in
de darm komt en zorgt ervoor dat de gablaas samentrekt en de galzouten vrijkomen in de darm ->
vetten worden wateroplosbaar.
Na digestion blijven aminozuren, vrije vetzuren en monosacchariden over.
Absorption:
Dunne darm:
De dunne darm is heel lang met een groot oppervlak, villi en microvilli, waardoor alle voedingsstoffen
goed kunnen worden geabsorbeerd (in het jejunum en ileum).
Vetten worden vanuit de lymfen vervoerd vanuit de dunne darm naar de lever en de rest gaat via de
poortader (zuurstofarm) naar de lever. Lever verdeelt de vloeistoffen, glucose naar spieren,
alcohol/medicijnen worden afgebroken, etc.
Dikke darm:
- afval verwijderen
- vezels fermenteren, vezels zijn een soort suikerketens die door bacteriën worden
gefermenteerd
- water absorptie