Week 1
1. Kennis in het Utilisme, de deontologie en de deugdethiek als ethisch theorieën;
Utilisme/ is een subcategorie van het Consequentalisme
Gaat om de gevolgen van de handeling, grootste geluk voor grootste aantal mensen. Een
handeling is goed als deze geluk oplevert. Het gevolg bepaald de juistheid van de handeling.
Het gevolg levert de goedheid op van de handeling.
Die handeling is juist als het grootste hoeveelheid geluk voor grootste hoeveelheid mensen
oplevert. Of de beste gevolgen heeft.
Deontologie/plichtenleer
Immanuel Kant met twee ethische regels (categorisch imperatief).
1) Behandel altijd iemand als een doel op zich en nooit als iemand als middel.
a. Mensen zijn universeel waardevol en er mag geen onderscheid worden
gemaakt onder verschillende soorten mensen.
2) Handelen op een manier waarvan je zou willen dat het een algemene wet is.
Die handeling is juist als deze in overeenstemming is met het categorisch imperspectief.
Overeenkomt met utilisme: zijn niet universeel toepasbaar en beschrijven maar een deel van
ons handelen. Deze theorieën geven geen verklaringen van de handelingen maar gaan na of
het een goede of kwade handeling is. Bij beiden is de handeling belangrijk, het is goed of niet
goed. Het maakt bij beiden niet uit wie je bent als persoon en gaat om wat moreel gezien goed
of fout is. Anders is dat bij de deugdethiek waar mens centraal staat.
Deugdethiek
Een handeling is goed als het is gedaan door een deugdzaam mens. Gaat om jezelf te
verbeteren als mens door te oefenen in bepaalde situaties. Een handeling is goed als de deugd
terug komt in de handeling en maximaliseert. De handeling is niet altijd goed of fout, maar als
de mens om verkeerde reden de handeling doet is het niet goed. Wie je bent als mens maakt of
je als mens goed of fout bent. Alles moet kloppen: mens, casus en handeling. Het is een
juridische manier van denken: casuïstisch.
Die handeling is juist als deze door de deugdzame persoon wordt verricht.
Existentiefilosofie (kans dat het in het tentamen komt is klein)
Mens wordt gevormd door ervaringen die voortdurend veranderingen, in de maatschappij. Er
is geen helder kader waarmee er kan worden bepaald of iets goed of fout is. Het is niet
belangrijk wat je het doet, maar dat je het doet vanuit een authentieke keuze en je gedraagt er
verantwoordelijkheid voor. Er is niet één juiste handeling, zolang iemand zijn handeling staat
is dit een goede handeling. Het is uit ten boze om door een ander de handeling te laten
bepalen. Deze filosofie is niet echt een theorie.
Die handeling is juist als dit een authentieke handeling betreft.
2. Begrip van verschillende perspectieven van wet en wetgeving.
Heersende moraal: wat staat er in de wet.
,Kritische moraal: het kritisch onderzoeken van de heersende moraal door middel van
normatieve evaluatie (opsomming aan de hand van een theorie).
Hoewel Kortmann een objectieve en dus ‘waardenvrije’ bestudering van het recht bepleit ligt
het rechtsgelijkheid beginsel ten grondslag (mede met rechtszekerheid en legaliteit).
Anders zou de rechter uiteindelijk fouten maken en willekeur voorkomen. De rechter moet
zich terughoudend houden tegenover de wetgever om rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te
bewaren.
Waarom is het belangrijk dat deze waarden er zijn?
Voor verhouding tussen burger en overheid, om als burger het recht hebben om terug te vallen
op het recht. Anders kan het in het geding komen. Burger beschermen tegen de staat. Dit
betekend niet dat iedereen er altijd gehoor aan moet geven, het komt voor uit een politieke
ethische stroming.
Om alle mogelijke manieren de burger beschermen tegen de staat, liberalisme.
Voor Kortman zijn het “waardevrije waarde”, maar deze bestaan niet. Alles komt voor uit een
context. Er bestaat niet iets als een zuiver juridische blik, en gaat uit van een politieke
psychologische blik. Het nadenken over; zou het wel zo moeten zijn?
3. Begrip van vier typen vragen van het landkaartje van methode.
Onderscheid descriptief en normatief: Kort gezegd valt het onderscheid samen met dat tussen
‘hoe de dingen zijn’ en ‘hoe de dingen zouden moeten zijn’:
Descriptief: zijn erop gericht te achterhalen wat op een zeker moment de stand van zaken is
in de werkelijkheid.
Normatief: gericht is op een stellingname ten aanzien van de vraag hoe de dingen zouden
moeten zijn.
1) Empirisch: erop gericht om op systematische wijze feiten (en de samenhang tussen
feiten) vast te stellen op basis van zintuiglijke waarneming. Empirische vragen hebben
een sterk wetenschappelijk karakter. Het doel dat de empirische vraag dient is het
mogelijk maken om de werkelijkheid systematisch te verklaren of te beschrijven.
2) Conceptueel: gericht op het analyseren van de inhoud van begrippen en het
ontwikkelen van begrippen.
3) Interpretatief: gericht op het vaststellen van betekenissen. In ieder geval valt het
uitleggen van de betekenis van (juridische) teksten hieronder. ‘Rechtsvinding’ en
‘rechtsdogmatiek’ vallen hieronder. Is in het schema op de scheidslijn tussen
descriptief en normatief geplaatst; de vraag wat het recht is in dat geval vereist slechts
gedeeltelijk het vaststellen van de bestaande inhoud van het recht kan zijn, een morele
evaluatie.
, 4) Normatief: gericht op het doen van normatieve uitspraken over een bepaald fenomeen
derhalve op het doen van uitspraken over hoe de dingen zouden moeten zijn: morele
‘waardeoordelen’ die louter subjectief zijn.
Week 2
1. Kennis van en inzicht in het klassieke utilisme van Bentham en Mill
Bentham
Kerncitaat: “By ‘the principle of utility’ is meant the principle that approves or disapproves
of every action according to the tendency it appears to have to increase or lessen – i.e. to
promote or oppose – the happiness of the person or group whose interest is in question”.
Hoofdargument: de waarde van genot en pijn is afhankelijk van de intensiteit, duur, zekerheid
en nabijheid. Om te bepalen wiens belangen er het meest geraakt worden door bepaalde
handelingen, moet er per handeling een aantal dingen bepaald worden (de waarde van elk
genot wat direct volgt en die later volgt, de waarde van elke ‘pijn’ die direct volgt en die later
volgt. Dit moet allemaal bij elkaar opgeteld worden en als het totaal meer nijgt naar genot,
dan is het over-all een goede handeling. Hierbij moet rekening gehouden worden met de
fecundity (de mogelijkheid dat het directe genot wordt gevolgd door langdurig genot) en de
purity (de kans dat het genot niet wordt gevolgd door pijn of andersom). Het gaat hierbij om
handelingen van individuen, maar ook die van de overheid.
Discussievraag: waarom zouden enkel handelingen die goed zijn voor het geheel de juiste
zijn?
Mill
Wat is Mill aan het doen en wat is de kern?
1. Kennis in het Utilisme, de deontologie en de deugdethiek als ethisch theorieën;
Utilisme/ is een subcategorie van het Consequentalisme
Gaat om de gevolgen van de handeling, grootste geluk voor grootste aantal mensen. Een
handeling is goed als deze geluk oplevert. Het gevolg bepaald de juistheid van de handeling.
Het gevolg levert de goedheid op van de handeling.
Die handeling is juist als het grootste hoeveelheid geluk voor grootste hoeveelheid mensen
oplevert. Of de beste gevolgen heeft.
Deontologie/plichtenleer
Immanuel Kant met twee ethische regels (categorisch imperatief).
1) Behandel altijd iemand als een doel op zich en nooit als iemand als middel.
a. Mensen zijn universeel waardevol en er mag geen onderscheid worden
gemaakt onder verschillende soorten mensen.
2) Handelen op een manier waarvan je zou willen dat het een algemene wet is.
Die handeling is juist als deze in overeenstemming is met het categorisch imperspectief.
Overeenkomt met utilisme: zijn niet universeel toepasbaar en beschrijven maar een deel van
ons handelen. Deze theorieën geven geen verklaringen van de handelingen maar gaan na of
het een goede of kwade handeling is. Bij beiden is de handeling belangrijk, het is goed of niet
goed. Het maakt bij beiden niet uit wie je bent als persoon en gaat om wat moreel gezien goed
of fout is. Anders is dat bij de deugdethiek waar mens centraal staat.
Deugdethiek
Een handeling is goed als het is gedaan door een deugdzaam mens. Gaat om jezelf te
verbeteren als mens door te oefenen in bepaalde situaties. Een handeling is goed als de deugd
terug komt in de handeling en maximaliseert. De handeling is niet altijd goed of fout, maar als
de mens om verkeerde reden de handeling doet is het niet goed. Wie je bent als mens maakt of
je als mens goed of fout bent. Alles moet kloppen: mens, casus en handeling. Het is een
juridische manier van denken: casuïstisch.
Die handeling is juist als deze door de deugdzame persoon wordt verricht.
Existentiefilosofie (kans dat het in het tentamen komt is klein)
Mens wordt gevormd door ervaringen die voortdurend veranderingen, in de maatschappij. Er
is geen helder kader waarmee er kan worden bepaald of iets goed of fout is. Het is niet
belangrijk wat je het doet, maar dat je het doet vanuit een authentieke keuze en je gedraagt er
verantwoordelijkheid voor. Er is niet één juiste handeling, zolang iemand zijn handeling staat
is dit een goede handeling. Het is uit ten boze om door een ander de handeling te laten
bepalen. Deze filosofie is niet echt een theorie.
Die handeling is juist als dit een authentieke handeling betreft.
2. Begrip van verschillende perspectieven van wet en wetgeving.
Heersende moraal: wat staat er in de wet.
,Kritische moraal: het kritisch onderzoeken van de heersende moraal door middel van
normatieve evaluatie (opsomming aan de hand van een theorie).
Hoewel Kortmann een objectieve en dus ‘waardenvrije’ bestudering van het recht bepleit ligt
het rechtsgelijkheid beginsel ten grondslag (mede met rechtszekerheid en legaliteit).
Anders zou de rechter uiteindelijk fouten maken en willekeur voorkomen. De rechter moet
zich terughoudend houden tegenover de wetgever om rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te
bewaren.
Waarom is het belangrijk dat deze waarden er zijn?
Voor verhouding tussen burger en overheid, om als burger het recht hebben om terug te vallen
op het recht. Anders kan het in het geding komen. Burger beschermen tegen de staat. Dit
betekend niet dat iedereen er altijd gehoor aan moet geven, het komt voor uit een politieke
ethische stroming.
Om alle mogelijke manieren de burger beschermen tegen de staat, liberalisme.
Voor Kortman zijn het “waardevrije waarde”, maar deze bestaan niet. Alles komt voor uit een
context. Er bestaat niet iets als een zuiver juridische blik, en gaat uit van een politieke
psychologische blik. Het nadenken over; zou het wel zo moeten zijn?
3. Begrip van vier typen vragen van het landkaartje van methode.
Onderscheid descriptief en normatief: Kort gezegd valt het onderscheid samen met dat tussen
‘hoe de dingen zijn’ en ‘hoe de dingen zouden moeten zijn’:
Descriptief: zijn erop gericht te achterhalen wat op een zeker moment de stand van zaken is
in de werkelijkheid.
Normatief: gericht is op een stellingname ten aanzien van de vraag hoe de dingen zouden
moeten zijn.
1) Empirisch: erop gericht om op systematische wijze feiten (en de samenhang tussen
feiten) vast te stellen op basis van zintuiglijke waarneming. Empirische vragen hebben
een sterk wetenschappelijk karakter. Het doel dat de empirische vraag dient is het
mogelijk maken om de werkelijkheid systematisch te verklaren of te beschrijven.
2) Conceptueel: gericht op het analyseren van de inhoud van begrippen en het
ontwikkelen van begrippen.
3) Interpretatief: gericht op het vaststellen van betekenissen. In ieder geval valt het
uitleggen van de betekenis van (juridische) teksten hieronder. ‘Rechtsvinding’ en
‘rechtsdogmatiek’ vallen hieronder. Is in het schema op de scheidslijn tussen
descriptief en normatief geplaatst; de vraag wat het recht is in dat geval vereist slechts
gedeeltelijk het vaststellen van de bestaande inhoud van het recht kan zijn, een morele
evaluatie.
, 4) Normatief: gericht op het doen van normatieve uitspraken over een bepaald fenomeen
derhalve op het doen van uitspraken over hoe de dingen zouden moeten zijn: morele
‘waardeoordelen’ die louter subjectief zijn.
Week 2
1. Kennis van en inzicht in het klassieke utilisme van Bentham en Mill
Bentham
Kerncitaat: “By ‘the principle of utility’ is meant the principle that approves or disapproves
of every action according to the tendency it appears to have to increase or lessen – i.e. to
promote or oppose – the happiness of the person or group whose interest is in question”.
Hoofdargument: de waarde van genot en pijn is afhankelijk van de intensiteit, duur, zekerheid
en nabijheid. Om te bepalen wiens belangen er het meest geraakt worden door bepaalde
handelingen, moet er per handeling een aantal dingen bepaald worden (de waarde van elk
genot wat direct volgt en die later volgt, de waarde van elke ‘pijn’ die direct volgt en die later
volgt. Dit moet allemaal bij elkaar opgeteld worden en als het totaal meer nijgt naar genot,
dan is het over-all een goede handeling. Hierbij moet rekening gehouden worden met de
fecundity (de mogelijkheid dat het directe genot wordt gevolgd door langdurig genot) en de
purity (de kans dat het genot niet wordt gevolgd door pijn of andersom). Het gaat hierbij om
handelingen van individuen, maar ook die van de overheid.
Discussievraag: waarom zouden enkel handelingen die goed zijn voor het geheel de juiste
zijn?
Mill
Wat is Mill aan het doen en wat is de kern?