Samenvatting materieel strafrecht
Legaliteitsbeginsel beschermt burgers tegen een machtige overheid door ervoor te zorgen
dat wetgeving duidelijk, verifieerbaar en niet retroactief is. Dit beginsel houdt in:
Lex scripta: Wetgeving moet schriftelijk zijn en verbiedt gewoonterecht.
Verbod van terugwerkende kracht: Wetgeving mag niet achteraf strafbaar stellen.
Verbod van analogie: Er mag geen straf worden opgelegd op basis van een wet die
niet expliciet het gedrag van de verdachte dekt.
Lex certa: Wetgeving moet duidelijk en precies zijn, zonder vage bepalingen.
Het nullum crimen, nulla poena sine lege principe (geen delict, geen straf zonder
voorafgaande wet) benadrukt dat er geen straf kan worden opgelegd zonder dat dit duidelijk
in de wet is vastgelegd.
Ne bis in idem voorkomt dat iemand twee keer wordt vervolgd voor hetzelfde feit. Dit geldt
als er al een onherroepelijkeuitspraak is gedaan door een rechter, zoals een veroordeling,
vrijspraak of ontslag van alle rechtsgevolgen. Het verbiedt een tweede vervolging voor
hetzelfde feit na een definitieve uitspraak.
Voorwaarden voor een strafbaar feit
1. Menselijke gedraging
o Doen: Actief handelen.
o Nalaten: Niet handelen terwijl men dit wel had moeten doen.
2. Wettelijke delictsomschrijving
o Legaliteitsbeginsel: Het gedrag moet in de wet als strafbaar zijn omschreven.
3. Wederrechtelijkheid
o Het gedrag moet in strijd zijn met het recht, zowel geschreven als
ongeschreven recht.
4. Schuld
o Het gedrag moet aan de verdachte te verwijten zijn, oftewel er moet sprake
zijn van schuld.
Hoofdvragen volgens artikel 350 Sr
1. Kan het ten laste gelegde feit bewezen worden? (De bestanddelen)
a. Nee: Vrijspraak (art. 352 lid 2 Sv)
b. Ja: Ga door naar vraag 2.
2. Kan het ten laste gelegde feit worden gekwalificeerd?
a. Nee: OVAR (art. 352 lid 2 Sv)
b. Ja: Ga door naar vraag 3.
3. Is de verdachte strafbaar? (Elementen: wederrechtelijkheid en schuld)
a. Nee: OVAR (art. 352 lid 2 Sv)
b. Ja: Ga door naar vraag 4.
4. Wordt er een straf/maatregel opgelegd?
a. Nee: Rechterlijk pardon (art. 9a Sr)
b. Ja: Straf of maatregel wordt opgelegd.
, Structuur van een strafbepaling
Een strafbepaling bestaat meestal uit drie onderdelen:
Delictsomschrijving (bestanddelen): Het strafbare gedrag wordt beschreven (bijv.
art. 287 Sr: “opzettelijk een ander van het leven beroven”).
Kwalificatie: De juridische naam van het delict (bijv. ‘doodslag’ in art. 287 Sr).
Strafmaat: De maximale straf die opgelegd kan worden.
Niet altijd is een onderscheid tussen delictsomschrijving en kwalificatie te maken (bijv. art.
300 lid 1 Sr: mishandeling).
Voorwaarden voor strafbaarheid: Bestanddelen en Elementen
Bestanddelen: Geschreven voorwaarden in de delictsomschrijving.
Elementen: Ongeschreven voorwaarden zoals wederrechtelijkheid (in strijd met het
recht) en schuld (verwijtbaarheid).
o Ontbreken van een element door een strafuitsluitingsgrond (zoals noodweer
of ontoerekeningsvatbaarheid) leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging
(o.v.a.r.).
Let op: Soms staan ‘wederrechtelijk’ en ‘schuld’ in de wet. Dan zijn het bestanddelen, geen
elementen.
Opzet in het strafrecht
Opzet betekent ‘willens en wetens’ handelen: bewust zijn van de gevolgen en deze
aanvaarden.
Gradaties van opzet:
o Voorwaardelijk opzet: Dader neemt bewust het risico op een gevolg.
o Expliciet opzet in de wet: Bijvoorbeeld ‘opzettelijk’ (art. 287 Sr).
o Ingeblikt opzet: Verwerkt in een werkwoord (bijv. ‘mishandelen’ in art. 300
Sr).
Opzet moet gericht zijn op de bestanddelen in de delictsomschrijving (met
uitzonderingen zoals geobjectiveerde bestanddelen).
De vereisten voor opzet
1. Bewust handelen: De dader moet zich bewust zijn van de feiten en omstandigheden
die de delictsomschrijving vormen. Dit betekent dat de dader weet wat hij doet en
dat hij zich bewust is van de gevolgen van zijn handelen.
2. Willens en wetens: De dader handelt met de intentie om een bepaald gevolg te
veroorzaken. Hij handelt niet uit onwetendheid of door een toevallige
omstandigheid, maar met de wil om een bepaald resultaat te bereiken.
Voorwaardelijk opzet
Bij voorwaardelijk opzet handelt de dader niet onder een bepaalde voorwaarde, maar
aanvaardt hij de kans op een bepaald gevolg van zijn handelen. Het gaat om het accepteren
van de mogelijkheid dat er schade kan ontstaan, zelfs als dit niet het directe doel is. Dit
wordt ook wel "kansopzet" of "ondergrens van opzet" genoemd.
Voorbeeld: Een verdachte rijdt hard door om aan de politie te ontsnappen, wetende dat er
een kans is dat hij een agent verwondt. Zijn primaire doel is ontsnappen, maar hij accepteert
de kans dat er schade ontstaat.
Legaliteitsbeginsel beschermt burgers tegen een machtige overheid door ervoor te zorgen
dat wetgeving duidelijk, verifieerbaar en niet retroactief is. Dit beginsel houdt in:
Lex scripta: Wetgeving moet schriftelijk zijn en verbiedt gewoonterecht.
Verbod van terugwerkende kracht: Wetgeving mag niet achteraf strafbaar stellen.
Verbod van analogie: Er mag geen straf worden opgelegd op basis van een wet die
niet expliciet het gedrag van de verdachte dekt.
Lex certa: Wetgeving moet duidelijk en precies zijn, zonder vage bepalingen.
Het nullum crimen, nulla poena sine lege principe (geen delict, geen straf zonder
voorafgaande wet) benadrukt dat er geen straf kan worden opgelegd zonder dat dit duidelijk
in de wet is vastgelegd.
Ne bis in idem voorkomt dat iemand twee keer wordt vervolgd voor hetzelfde feit. Dit geldt
als er al een onherroepelijkeuitspraak is gedaan door een rechter, zoals een veroordeling,
vrijspraak of ontslag van alle rechtsgevolgen. Het verbiedt een tweede vervolging voor
hetzelfde feit na een definitieve uitspraak.
Voorwaarden voor een strafbaar feit
1. Menselijke gedraging
o Doen: Actief handelen.
o Nalaten: Niet handelen terwijl men dit wel had moeten doen.
2. Wettelijke delictsomschrijving
o Legaliteitsbeginsel: Het gedrag moet in de wet als strafbaar zijn omschreven.
3. Wederrechtelijkheid
o Het gedrag moet in strijd zijn met het recht, zowel geschreven als
ongeschreven recht.
4. Schuld
o Het gedrag moet aan de verdachte te verwijten zijn, oftewel er moet sprake
zijn van schuld.
Hoofdvragen volgens artikel 350 Sr
1. Kan het ten laste gelegde feit bewezen worden? (De bestanddelen)
a. Nee: Vrijspraak (art. 352 lid 2 Sv)
b. Ja: Ga door naar vraag 2.
2. Kan het ten laste gelegde feit worden gekwalificeerd?
a. Nee: OVAR (art. 352 lid 2 Sv)
b. Ja: Ga door naar vraag 3.
3. Is de verdachte strafbaar? (Elementen: wederrechtelijkheid en schuld)
a. Nee: OVAR (art. 352 lid 2 Sv)
b. Ja: Ga door naar vraag 4.
4. Wordt er een straf/maatregel opgelegd?
a. Nee: Rechterlijk pardon (art. 9a Sr)
b. Ja: Straf of maatregel wordt opgelegd.
, Structuur van een strafbepaling
Een strafbepaling bestaat meestal uit drie onderdelen:
Delictsomschrijving (bestanddelen): Het strafbare gedrag wordt beschreven (bijv.
art. 287 Sr: “opzettelijk een ander van het leven beroven”).
Kwalificatie: De juridische naam van het delict (bijv. ‘doodslag’ in art. 287 Sr).
Strafmaat: De maximale straf die opgelegd kan worden.
Niet altijd is een onderscheid tussen delictsomschrijving en kwalificatie te maken (bijv. art.
300 lid 1 Sr: mishandeling).
Voorwaarden voor strafbaarheid: Bestanddelen en Elementen
Bestanddelen: Geschreven voorwaarden in de delictsomschrijving.
Elementen: Ongeschreven voorwaarden zoals wederrechtelijkheid (in strijd met het
recht) en schuld (verwijtbaarheid).
o Ontbreken van een element door een strafuitsluitingsgrond (zoals noodweer
of ontoerekeningsvatbaarheid) leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging
(o.v.a.r.).
Let op: Soms staan ‘wederrechtelijk’ en ‘schuld’ in de wet. Dan zijn het bestanddelen, geen
elementen.
Opzet in het strafrecht
Opzet betekent ‘willens en wetens’ handelen: bewust zijn van de gevolgen en deze
aanvaarden.
Gradaties van opzet:
o Voorwaardelijk opzet: Dader neemt bewust het risico op een gevolg.
o Expliciet opzet in de wet: Bijvoorbeeld ‘opzettelijk’ (art. 287 Sr).
o Ingeblikt opzet: Verwerkt in een werkwoord (bijv. ‘mishandelen’ in art. 300
Sr).
Opzet moet gericht zijn op de bestanddelen in de delictsomschrijving (met
uitzonderingen zoals geobjectiveerde bestanddelen).
De vereisten voor opzet
1. Bewust handelen: De dader moet zich bewust zijn van de feiten en omstandigheden
die de delictsomschrijving vormen. Dit betekent dat de dader weet wat hij doet en
dat hij zich bewust is van de gevolgen van zijn handelen.
2. Willens en wetens: De dader handelt met de intentie om een bepaald gevolg te
veroorzaken. Hij handelt niet uit onwetendheid of door een toevallige
omstandigheid, maar met de wil om een bepaald resultaat te bereiken.
Voorwaardelijk opzet
Bij voorwaardelijk opzet handelt de dader niet onder een bepaalde voorwaarde, maar
aanvaardt hij de kans op een bepaald gevolg van zijn handelen. Het gaat om het accepteren
van de mogelijkheid dat er schade kan ontstaan, zelfs als dit niet het directe doel is. Dit
wordt ook wel "kansopzet" of "ondergrens van opzet" genoemd.
Voorbeeld: Een verdachte rijdt hard door om aan de politie te ontsnappen, wetende dat er
een kans is dat hij een agent verwondt. Zijn primaire doel is ontsnappen, maar hij accepteert
de kans dat er schade ontstaat.