BEGRIPPENLIJST KENNISTOETS
Anatomie De bouw van het lichaam.
Fysiologie Het functioneren van het lichaam.
Anamnese Het subjectieve ‘verhaal’ van de
zorgvrager over zijn klachten, met
behulp van open- en gesloten vragen,
waarbij de hoofdklacht wordt
uitgevraagd.
Inspectie Hierbij observeer je systematisch de
buitenkant van het lichaam.
Percussie Hierbij klop je aan de buitenkant op
een deel van het lichaam om uit de
hoogte van de toon een indruk te
krijgen van het onderliggende weefsel.
Auscultatie Hierbij luister je met een stethoscoop
naar geluiden die door het lichaam
geproduceerd worden.
Palpatie Hierbij tast je met de handen en
vingers het lichaamsoppervlak op zo’n
manier af, dat je iets te weten komt
over dieper gelegen structuren.
Vitale functies - Ademfrequentie
- Hartfrequentie (pols)
- Bloeddruk
- Bewustzijn
- Temperatuur
Laboratoriumonderzoek Hierbij worden weefsels en
vloeistoffen, zoals bloed en urine,
onderzocht.
Echografie Deze manier van onderzoeken gaat
met geluidsgolven.
Anatomische houding - Persoon staat rechtop
- Persoon houdt het hoofd
rechtop
- Persoon houdt de armen
gestrekt naast het lichaam
- Persoon houdt de handpalmen
naar voren gekeerd
- Persoon heeft de voeten
gespreid
Het frontale/coronale vlak Dit vlak verdeelt het lichaam in voor
en achter.
Het sagittale vlak Dit vlak verdeelt het lichaam in links
en rechts.
Het transversale vlak Dit vlak verdeelt het lichaam in boven
en onder
S; Dorsaal Aan de rugzijde
S; Ventraal Aan de buikzijde
S; Proximaal Aan de kant van de romp
S; Distaal Ver van de romp
S; Lateraal Aan de zijkant
S; Mediaal Naar het midden toe
,S; Craniaal Aan de kant van het schedel
S; Caudaal Aan de kant van de ‘staart’
S; Superior Hoger, boven
S; Inferior Lager, beneden
S; Centraal In het midden
S; Perifeer Aan de buitenkant
B; Flexie Buiging
B; Extensie Strekking
B; Exorotatie Buitenwaartse draaiing rond de
lengteas
B; Endorotatie Binnenwaartse draaiing rond de
lengteas
B; Abductie Beweging van de middenlijn af
B; Adductie Beweging naar de middenlijn toe
(biertje kantelen)
B; Supinatie Buitenwaartse draaiing van
horizontaal gehouden hand/voet
waardoor de handpalm/voetrand naar
boven draait (soepkommetje)
B; Pronatie Buitenwaartse draaiing van
horizontaal gehouden hand/voet
waardoor de handpalm/voetrand naar
onder draait
Anteflexie (beweging van de hele Buiging naar voren
romp, arm, been of hoofd)
Retroflexie (beweging van de hele Buiging naar achteren
romp, arm, been of hoofd)
Lateroflexie (beweging van de hele Buiging naar opzij
romp, arm, been of hoofd)
Dorsale flexie (beweging van de hand Buiging van de handrug/voetwreef
en/of voet)
Palmaire flexie (beweging van de hand Buiging naar de handpalm
en/of voet)
Plantaire flexie (beweging van de hand Beweging naar de voetzool
en/of voet)
Cel Dit is de kleinste
stofwisselingseenheid en bouwsteen
van ons lichaam.
Celdifferentiatie Dit is het proces waarbij steeds meer
cellen gaan verschillen in vorm en
functie.
Cel specialisatie Dit is het vermogen om een specifieke
functie te vervullen.
Weefsel Dit zijn meerdere cellen bij elkaar met
een soortgelijke bouw en
gemeenschappelijke functie(s).
Orgaan Dit is een geheel van weefsels dat een
specifieke taak heeft binnen het
lichaam.
Orgaanstelsel Dit stelsel is opgebouwd uit organen
en vervullen één of meerdere
afzonderlijke te beschouwen taken in
het organisme
,Circulatiestelsel (hart- en Transporteert het bloed met daarin
bloedvatenstelsel) bloedcellen, plasma-eiwitten,
hormonen, zouten, bloedgassen,
voedingsstoffen en afvalstoffen.
, Circulatiestelsel (lymfevatenstelsel) Transporteert lymfe(= vocht dat ontstaat in
de weefsels en organen van ons lichaam) met
daarin voedingsstoffen, kleine plasma-
eiwitten, witte bloedcellen, zouten en
bloedgassen, ook ondersteunt dit
stelsel de werking van het
bloedvatenstelsel en zorgt voor
immuniteit van het lichaam.
Spijsverteringsstelsel Bewerkt het opgegeten voedsel, zorgt
(spijsverteringskanaal en -klieren) voor de opname van voedingsstoffen
in het bloed en verwerkt de in het
bloed opgenomen voedingsstoffen.
Urinewegstelsel (nieren en Verwijdert afvalstoffen en overtollige
urinewegen) stoffen uit het lichaam.
Ademhalingsstelsel (luchtwegen en Verzorgt de gaswisseling tussen het in-
longen) en uitwendige milieu.
Huid (epidermis, dermis en subcutis) Beschermt het lichaam tegen gevaren
vanuit het uitwendige milieu en
reguleert de lichaamswarmte.
Hormonale stelsel (hormoonklieren en Reguleert en coördineert via
hormonen) chemische boodschappers de werking
van alle organen en weefsels.
Zenuwstelsel (hersenen, ruggenmerg Reguleert en coördineert via impulsen
en zenuwen) de werking van alle organen en
weefsels, coördineert de contacten
met de buitenwereld en coördineert de
psychische functies.
Sensorisch stelsel (zintuigen; de neus, Neemt prikkels waar vanuit het
de tong, de ogen, de oren en de huid) uitwendige milieu.
Motorisch stelsel (skelet; botten en Biedt stevigheid aan het lichaam,
gewrichten) maakt bewegingen van romp en
ledematen mogelijk, beschermt
organen en weefsels, is een
aanmaakplaats van bloed en is de
opslagplaats voor mineralen.
Voortplantingsstelsel Vormt geslachtshormonen en maakt
(voortplantingsorganen en voortplanting mogelijk.
geslachtsklieren)
Een cel is gevuld met cytoplasma, Hier zijn veel stoffen opgelost zoals
Cytoplasma = water, eiwitten, vetten en zouten.
Celmembraan (hiermee is een cel Dit celmembraan bestaat uit een
omgeven) dubbele laag fosfolipiden (de functie
hiervan is dat stoffen niet zomaar uitlekken of
ongewenste stoffen binnenlaten).
Elke cel bevat zogenaamd organellen - De celkern bevat DNA met
welke allemaal een andere functie erfelijke eigenschappen en met
hebben informatie voor de
eiwitsynthese in de cel.
- Ribosomen zijn verantwoordelijk
voor de eiwitsynthese in de cel.
- Mitochondriën (= verbranding van
glucose) zorgen voor
Anatomie De bouw van het lichaam.
Fysiologie Het functioneren van het lichaam.
Anamnese Het subjectieve ‘verhaal’ van de
zorgvrager over zijn klachten, met
behulp van open- en gesloten vragen,
waarbij de hoofdklacht wordt
uitgevraagd.
Inspectie Hierbij observeer je systematisch de
buitenkant van het lichaam.
Percussie Hierbij klop je aan de buitenkant op
een deel van het lichaam om uit de
hoogte van de toon een indruk te
krijgen van het onderliggende weefsel.
Auscultatie Hierbij luister je met een stethoscoop
naar geluiden die door het lichaam
geproduceerd worden.
Palpatie Hierbij tast je met de handen en
vingers het lichaamsoppervlak op zo’n
manier af, dat je iets te weten komt
over dieper gelegen structuren.
Vitale functies - Ademfrequentie
- Hartfrequentie (pols)
- Bloeddruk
- Bewustzijn
- Temperatuur
Laboratoriumonderzoek Hierbij worden weefsels en
vloeistoffen, zoals bloed en urine,
onderzocht.
Echografie Deze manier van onderzoeken gaat
met geluidsgolven.
Anatomische houding - Persoon staat rechtop
- Persoon houdt het hoofd
rechtop
- Persoon houdt de armen
gestrekt naast het lichaam
- Persoon houdt de handpalmen
naar voren gekeerd
- Persoon heeft de voeten
gespreid
Het frontale/coronale vlak Dit vlak verdeelt het lichaam in voor
en achter.
Het sagittale vlak Dit vlak verdeelt het lichaam in links
en rechts.
Het transversale vlak Dit vlak verdeelt het lichaam in boven
en onder
S; Dorsaal Aan de rugzijde
S; Ventraal Aan de buikzijde
S; Proximaal Aan de kant van de romp
S; Distaal Ver van de romp
S; Lateraal Aan de zijkant
S; Mediaal Naar het midden toe
,S; Craniaal Aan de kant van het schedel
S; Caudaal Aan de kant van de ‘staart’
S; Superior Hoger, boven
S; Inferior Lager, beneden
S; Centraal In het midden
S; Perifeer Aan de buitenkant
B; Flexie Buiging
B; Extensie Strekking
B; Exorotatie Buitenwaartse draaiing rond de
lengteas
B; Endorotatie Binnenwaartse draaiing rond de
lengteas
B; Abductie Beweging van de middenlijn af
B; Adductie Beweging naar de middenlijn toe
(biertje kantelen)
B; Supinatie Buitenwaartse draaiing van
horizontaal gehouden hand/voet
waardoor de handpalm/voetrand naar
boven draait (soepkommetje)
B; Pronatie Buitenwaartse draaiing van
horizontaal gehouden hand/voet
waardoor de handpalm/voetrand naar
onder draait
Anteflexie (beweging van de hele Buiging naar voren
romp, arm, been of hoofd)
Retroflexie (beweging van de hele Buiging naar achteren
romp, arm, been of hoofd)
Lateroflexie (beweging van de hele Buiging naar opzij
romp, arm, been of hoofd)
Dorsale flexie (beweging van de hand Buiging van de handrug/voetwreef
en/of voet)
Palmaire flexie (beweging van de hand Buiging naar de handpalm
en/of voet)
Plantaire flexie (beweging van de hand Beweging naar de voetzool
en/of voet)
Cel Dit is de kleinste
stofwisselingseenheid en bouwsteen
van ons lichaam.
Celdifferentiatie Dit is het proces waarbij steeds meer
cellen gaan verschillen in vorm en
functie.
Cel specialisatie Dit is het vermogen om een specifieke
functie te vervullen.
Weefsel Dit zijn meerdere cellen bij elkaar met
een soortgelijke bouw en
gemeenschappelijke functie(s).
Orgaan Dit is een geheel van weefsels dat een
specifieke taak heeft binnen het
lichaam.
Orgaanstelsel Dit stelsel is opgebouwd uit organen
en vervullen één of meerdere
afzonderlijke te beschouwen taken in
het organisme
,Circulatiestelsel (hart- en Transporteert het bloed met daarin
bloedvatenstelsel) bloedcellen, plasma-eiwitten,
hormonen, zouten, bloedgassen,
voedingsstoffen en afvalstoffen.
, Circulatiestelsel (lymfevatenstelsel) Transporteert lymfe(= vocht dat ontstaat in
de weefsels en organen van ons lichaam) met
daarin voedingsstoffen, kleine plasma-
eiwitten, witte bloedcellen, zouten en
bloedgassen, ook ondersteunt dit
stelsel de werking van het
bloedvatenstelsel en zorgt voor
immuniteit van het lichaam.
Spijsverteringsstelsel Bewerkt het opgegeten voedsel, zorgt
(spijsverteringskanaal en -klieren) voor de opname van voedingsstoffen
in het bloed en verwerkt de in het
bloed opgenomen voedingsstoffen.
Urinewegstelsel (nieren en Verwijdert afvalstoffen en overtollige
urinewegen) stoffen uit het lichaam.
Ademhalingsstelsel (luchtwegen en Verzorgt de gaswisseling tussen het in-
longen) en uitwendige milieu.
Huid (epidermis, dermis en subcutis) Beschermt het lichaam tegen gevaren
vanuit het uitwendige milieu en
reguleert de lichaamswarmte.
Hormonale stelsel (hormoonklieren en Reguleert en coördineert via
hormonen) chemische boodschappers de werking
van alle organen en weefsels.
Zenuwstelsel (hersenen, ruggenmerg Reguleert en coördineert via impulsen
en zenuwen) de werking van alle organen en
weefsels, coördineert de contacten
met de buitenwereld en coördineert de
psychische functies.
Sensorisch stelsel (zintuigen; de neus, Neemt prikkels waar vanuit het
de tong, de ogen, de oren en de huid) uitwendige milieu.
Motorisch stelsel (skelet; botten en Biedt stevigheid aan het lichaam,
gewrichten) maakt bewegingen van romp en
ledematen mogelijk, beschermt
organen en weefsels, is een
aanmaakplaats van bloed en is de
opslagplaats voor mineralen.
Voortplantingsstelsel Vormt geslachtshormonen en maakt
(voortplantingsorganen en voortplanting mogelijk.
geslachtsklieren)
Een cel is gevuld met cytoplasma, Hier zijn veel stoffen opgelost zoals
Cytoplasma = water, eiwitten, vetten en zouten.
Celmembraan (hiermee is een cel Dit celmembraan bestaat uit een
omgeven) dubbele laag fosfolipiden (de functie
hiervan is dat stoffen niet zomaar uitlekken of
ongewenste stoffen binnenlaten).
Elke cel bevat zogenaamd organellen - De celkern bevat DNA met
welke allemaal een andere functie erfelijke eigenschappen en met
hebben informatie voor de
eiwitsynthese in de cel.
- Ribosomen zijn verantwoordelijk
voor de eiwitsynthese in de cel.
- Mitochondriën (= verbranding van
glucose) zorgen voor