3 MENDELIAN GENETICS
Leerdoelen
De principes van Mendeliaanse overerving met de juiste terminologie uitleggen
De verschillende genotypen en fenotypen en de frequenties van elke mogelijkheid in een
nieuwe generatie uitrekenen met behulp van een ‘vierkant van Punnett’
De kans uitrekenen dat een organisme een bepaald genotype of fenotype heeft door
stamboomanalyse toe te passen
Complexe overervingspatronen beschrijven die het gevolg zijn van codominantie, incomplete
dominantie, epistasie, pleiotropie en polygenie
Mendel gebruikte siererwten als modelorganisme
Gecontroleerd kruisen van erwtenplanten tot derde generatie
Bekijken eigenschappen waar twee vormen van zijn (bijv. bloemkleur, paars en wit)
Gebruik van eerste generatie ‘true-breeding’
True-breeding = (zaadvast) Het nageslacht heeft altijd dezelfde eigenschappen (=homozygoot)
Het model van het experiment van Mendel
Varianten van genen zijn verantwoordelijk voor variaties in doorgegeven eigenschappen
Voor ieder gen/eigenschap erft een organisme twee allelen over, 1 van elke ouder
Als de twee allelen op een locus verschillen, dan bepaalt 1 allel (het dominante allel) het
fenotype van een organisme; het andere (recessieve) allel heeft geen invloed op het
fenotype
De twee allelen voor een overerfbare eigenschap scheiden bij het vormen van gameten en
komen in verschillende gameten terecht (law of segregation = splitsingswet van Mendel)
Character = kenmerk/eigenschap bijv. bloemkleur (gaat over het locus), character is het uiteindelijke
fenotype dat je ziet (dus bijv. wit of paars)
Trait = vorm/variant bijv. wit (gaat over het allel), trait is de variant die je op het chromosoom hebt
(dus bijv. witte variant, paarse variant)
Bij dominante allelen worden er al voldoende enzymen geproduceerd om bijv. een paarse bloem te
krijgen, daarom heb je genoeg aan 1 dominant allel
P p interfase
P P P Punnett diagram:
Genotype 1 : 2 : 1 P p
P p Fenotype 3:1
p P p
p p
PP pp
meiose I
PP pp
meiose II
, P P p p. Gameten (elk paar is ½)
Overerving van meerdere kenmerken
De law of segregation (splitsingswet) was gebaseerd op 1 eigenschap
De F1 generatie was monohybride: heterozygoot voor 1 eigenschap
Als twee eigenschappen tegelijk worden bestudeerd ontstaan dihybride organismen in de F1
generatie
Een dihybride kruising (tussen 2 F1 organismen) kan laten zien of eigenschappen samen
overerven of niet (law of independent assortment/onafhankelijke overerving)
Dependent assortment = afhankelijke overerving, genen gekoppeld
Independent assortment = onafhankelijke overerving, genen niet gekoppeld
P generatie YYRR yyrr
Gametes. YR yr
F1 Generatie
YyRr
Voorspelling Hypothese van Hypothese van onafhankelijke
afhankelijke verdeling verdeling
Voorspelling YR Yr yR yr
Nakomelingen in F2 generatie
YR yr
YR. YYRR YYRr YyRR YyRr
YR
YYRR YyRr Yr
YyRr YYrr YyRr Yyrr
yr
YyRr yyrr yR
YyRR YyRr yyRR yyRr
Fenotype ratio 3:1. yr
YyRr Yyrr yyRr yyrr
Fenotype ratio ongeveer 9:3:3:1
315 108 101 32 Dus 9:3:3:1
Leerdoelen
De principes van Mendeliaanse overerving met de juiste terminologie uitleggen
De verschillende genotypen en fenotypen en de frequenties van elke mogelijkheid in een
nieuwe generatie uitrekenen met behulp van een ‘vierkant van Punnett’
De kans uitrekenen dat een organisme een bepaald genotype of fenotype heeft door
stamboomanalyse toe te passen
Complexe overervingspatronen beschrijven die het gevolg zijn van codominantie, incomplete
dominantie, epistasie, pleiotropie en polygenie
Mendel gebruikte siererwten als modelorganisme
Gecontroleerd kruisen van erwtenplanten tot derde generatie
Bekijken eigenschappen waar twee vormen van zijn (bijv. bloemkleur, paars en wit)
Gebruik van eerste generatie ‘true-breeding’
True-breeding = (zaadvast) Het nageslacht heeft altijd dezelfde eigenschappen (=homozygoot)
Het model van het experiment van Mendel
Varianten van genen zijn verantwoordelijk voor variaties in doorgegeven eigenschappen
Voor ieder gen/eigenschap erft een organisme twee allelen over, 1 van elke ouder
Als de twee allelen op een locus verschillen, dan bepaalt 1 allel (het dominante allel) het
fenotype van een organisme; het andere (recessieve) allel heeft geen invloed op het
fenotype
De twee allelen voor een overerfbare eigenschap scheiden bij het vormen van gameten en
komen in verschillende gameten terecht (law of segregation = splitsingswet van Mendel)
Character = kenmerk/eigenschap bijv. bloemkleur (gaat over het locus), character is het uiteindelijke
fenotype dat je ziet (dus bijv. wit of paars)
Trait = vorm/variant bijv. wit (gaat over het allel), trait is de variant die je op het chromosoom hebt
(dus bijv. witte variant, paarse variant)
Bij dominante allelen worden er al voldoende enzymen geproduceerd om bijv. een paarse bloem te
krijgen, daarom heb je genoeg aan 1 dominant allel
P p interfase
P P P Punnett diagram:
Genotype 1 : 2 : 1 P p
P p Fenotype 3:1
p P p
p p
PP pp
meiose I
PP pp
meiose II
, P P p p. Gameten (elk paar is ½)
Overerving van meerdere kenmerken
De law of segregation (splitsingswet) was gebaseerd op 1 eigenschap
De F1 generatie was monohybride: heterozygoot voor 1 eigenschap
Als twee eigenschappen tegelijk worden bestudeerd ontstaan dihybride organismen in de F1
generatie
Een dihybride kruising (tussen 2 F1 organismen) kan laten zien of eigenschappen samen
overerven of niet (law of independent assortment/onafhankelijke overerving)
Dependent assortment = afhankelijke overerving, genen gekoppeld
Independent assortment = onafhankelijke overerving, genen niet gekoppeld
P generatie YYRR yyrr
Gametes. YR yr
F1 Generatie
YyRr
Voorspelling Hypothese van Hypothese van onafhankelijke
afhankelijke verdeling verdeling
Voorspelling YR Yr yR yr
Nakomelingen in F2 generatie
YR yr
YR. YYRR YYRr YyRR YyRr
YR
YYRR YyRr Yr
YyRr YYrr YyRr Yyrr
yr
YyRr yyrr yR
YyRR YyRr yyRR yyRr
Fenotype ratio 3:1. yr
YyRr Yyrr yyRr yyrr
Fenotype ratio ongeveer 9:3:3:1
315 108 101 32 Dus 9:3:3:1