Samenva'ng Organisa.e & Omgeving
Week 1
Introduc*e
Het verlagen van de prijs is een bepaalde strategie. Het succes van deze strategie is te
begrijpen a.d.h.v. een aantal belangrijke economische verbanden:
• Wet van de vraag: als er sprake is van 2 iden;eke producten, zal de verkoop van het
ene product toenemen naarmate de prijs van dat product daalt en van het andere
product gelijk blij=.
• Prijselas1sche vraag: soms resulteert het verlagen van de prijs in een s;jging van de
verkopen. Dat zorgt ook voor een hogere opbrengst.
Efficiën1e rela1e à De verhouding tussen het toenemen van de produc;e en het toenemen
van de kosten. Het laat zien wat de laagst mogelijke totale kosten zijn die het bedrijf moet
innen om een bepaalde output te produceren.
Vaste kosten= blijven gelijk wanneer de ouput toeneemt
-Administra;ekosten
-Onroerendgoedbelas;ng
Variabele kosten= nemen toe wanneer de output ook toeneemt
-Directe arbeid
Gemmidelde kostenfunc;e:
AC = TC / Q
o AC= gem kosten
o TC= totale kosten
o Q= aantal eenheden
Schaalvoordelen ontstaan wanneer de gem kosten per eenheid dalen als de output
toeneemt. Schaalnadelen ontstaan wanneer de gem kosten per eenheid s;jgen als de
output toeneemt. De minimum efficiënte schaal is het laagste outputniveau waarbij
schaalvoordelen verkregen kunnen worden.
De marginale kosten zijn de extra kosten die ontstaan wanneer er precies een eenheid meer
geproduceerd wordt, ofwel de incrementele kosten.
Verzonken kosten zijn kosten die niet vermeden kunnen worden.
Vermijdbare kosten zijn kosten die wel vermeden kunnen worden door andere keuzes te
maken.
, o Boekhoudkundige kosten: zijn kosten die gebaseerd zijn op kosten die in het
verleden zijn gemaakt, ofwel historische kosten.
o Economische kosten: zijn kosten die gebaseerd zijn op de opportuniteitskosten. Dit
houdt in dat de economische kosten gelijk zijn aan de waarde van het beste en
voordeligste alterna;eve gebruik van de middelen.
Economische winst=
Boekhoudkundige winst – (economische kosten – boekhoudkundige kosten)
De vraag func1e beschrij= de rela;e tussen de hoeveelheid producten die het bedrijf kan
verkopen en de variabelen die de hoeveelheid beïnvloeden. De kwaliteit van het product en
de smaak van de klanten zijn voorbeelden van variabelen.
De prijselas1citeit laat zien hoe gevoelig de vraag is voor prijsveranderingen.
Uitkomst > 1 à vraag inelas;sch
Uitkomst < 1 à vraag elas;sch
Factoren die de vraag naar een product meer gevoelig (elas;sch) voor de prijs maken:
• Product hee= unieke kenmerken en kopers zijn zich bewust hiervan en van de
concurrerende prijzen
• De uitgave aan een product vormt een groot deel van de totale uitgaven van een
koper. Kopers zijn dan bereid om langer te zoeken en te vergelijken voor een lagere
prijs
• Een product is een input die kopers gebruiken om een output te produceren die erg
gevoelig is
Factoren die de vraag naar een product minder gevoelig voor de prijs maken:
• Een product is moeilijk te vergelijken met soortgelijke producten
• Kopers hoeven slechts een deel van de prijs van het product te betalen als gevolg van
belas;nga=rek of verzekeringen
• Er zijn hogere overstapkosten
• Een product wordt gebruikt in combina;e met een product waar klanten aan
gebonden zijn
Overstapkosten zijn de kosten die zich voordoen wanneer een product gespecialiseerde
training of exper;se vereist die niet zomaar overdraagbaar zijn.
Opbrengsten-vernie1gingseffect= een bedrijf verlaagt zijn prijs om meer eenheden te
verkopen, er onstaan dus extra opbrengsten maar het bedrijf verliest ook de opbrengsten ten
aanzien van de eenheden die het had kunnen verkopen tegen een hogere prijs.
à Door dit effect zijn de marginale opbrengsten al;jd lager dan de prijs.
,De theorie van het bedrijf neemt aan dat het ul;eme doel van een bedrijf is om zoveel
mogelijk winst te maken. Om te bepalen wat de juiste output is moet gekeken worden jaar
de marginale kosten en opbrengsten:
o Verandering in de totale opbrengst
o Verandering in de totale kosten
o Verandering in de totale winst
Het punt waar MR=MC, is de ideale hoeveelheid output
Contribu;emarge= de prijs per product minus de vk
Contribu;emarge percentage = winst per eenheid/ opbrengst per eenheid
= p-c / p
Wanneer er sprake is van volkomen concurren1e zijn bedrijven niet in staat om de prijs van
de producten zelf te bepalen. De prijs wordt bepaald door de markt. (homogene producten)
Kenmerken volkomen concurren;e:
§ Wanneer een prijs hanteert die hoger is dan de marktprijs zal het geen verkopen
meer hebben
§ Wanneer een bedrijf een prijs hanteert die lager is dan de marktprijs zal het
opbrengsten mislopen
§ De vraagfunc;e van één bedrijf is al;jd horizontaal. Marktprijs is gegeven, dus moet
het bedrijf alleen beslissen hoeveel het gaat produceren.
§ Er is een oneindige prijselas;citeit, waardoor de marginale opbrengsten gelijk zijn aan
de marktprijs
§ De op;male hoeveelheid output van een bedrijf is wanneer de marginale kosten
gelijk zijn aan de marktprijs
De aanbodfunc1e gee= aan hoe de op;male output verandert als de marktprijs verandert.
Wanneer alle aanbodfunc;es van bedrijven in de industrie bij elkaar genomen worden,
ontstaat de industrie aanbodfunc1e. Dit is alleen in geval van iden;eke bedrijven.
De vraagfunc1e representeert de totale hoeveelheid die consumenten bereid zijn te kopen
voor een bepaalde gegeven prijs.
, De speltheorie gaat ervan uit dat deelnemers ra;oneel zijn en proberen te an;ciperen op de
ac;es en reac;es van concurrenten.
In het nash evenwicht speelt elke speler zo goed als hij kan, gegeven de strategieën van
andere spelers. Het nash evenwicht is vaak niet gelijk aan de uitkomst die de winst voor
beide spelers maximaliseert.
Een dominante strategie is een strategie die de uitkomst van een speler maximaliseert
ongeacht de beslissing van zijn tegenspeler. Het conflict tussen het collec;eve belang en het
eigenbelang wordt het gevangenendillema genoemd.
Hoofdstuk 1
Ondernemen in 1840
o Er waren factoren die de producten van lokale boeren opkochten, wasten en
verpakten en daarna verkochten. De factoren probeerden de producten op de grote
markten aan te prijzen en te verkopen aan agenten.
o Deze agenten vertegenwoordigen handelaren met winkels in het binnenland.
Factoren en agenten onderhandelen zelfden direct met elkaar. Vaak werd er gebruik
gemaakt van makelaars, die dienden als bemiddelaar tussen factoren en agenten.
Makelaars werden ingezet om een prijs af te spreken.
o Vooral transport, infrastructuur en communica1e waren erg belangrijk
Ondernemen in 1910
o Veel bedrijven kozen ervoor om ver;caal te integreren
o Om veel verschillende producten aan te kunnen bieden, gingen veel bedrijven
horizontaal uitbreiden
o Het aantal bedrijven per industrie nam af en poten;ële collusie nam toe door groei
van ver;cale en horizontaal geïntegreerde bedrijven
§ Collusie is een criminele, geheime samenwerking tussen bedrijven. Dit leidt
tot hogere winst en beperkte compe;;e.
o In 1910 waren spoorwegen het belangrijkste transportmiddel voor passagiers en
vracht
o Een belangrijke ontwikkeling was de telefoon
o Op de effectenmarkten werden de aandelen van de grootste industriele bedrijven
openbaar verhandeld. De financiële infrastructuur ontwikkelde door het ontstaan van
kredietbureaus, de aNetalingstermijn van financiering en de ontwikkeling van de
communica1e-infrastructuur
o De overheid dwong bedrijven gedetailleerde informa;e over hun ac;viteiten te
verzamelen. Dit leidde tot een verandering in management. De overheid werd in deze
;jd een belangrijke klant en partner van de industrie.
o Bedrijven moesten belangrijke ac;viteiten en verdiensten rapporteren, en de
bureaucra;e kwam op.
Week 1
Introduc*e
Het verlagen van de prijs is een bepaalde strategie. Het succes van deze strategie is te
begrijpen a.d.h.v. een aantal belangrijke economische verbanden:
• Wet van de vraag: als er sprake is van 2 iden;eke producten, zal de verkoop van het
ene product toenemen naarmate de prijs van dat product daalt en van het andere
product gelijk blij=.
• Prijselas1sche vraag: soms resulteert het verlagen van de prijs in een s;jging van de
verkopen. Dat zorgt ook voor een hogere opbrengst.
Efficiën1e rela1e à De verhouding tussen het toenemen van de produc;e en het toenemen
van de kosten. Het laat zien wat de laagst mogelijke totale kosten zijn die het bedrijf moet
innen om een bepaalde output te produceren.
Vaste kosten= blijven gelijk wanneer de ouput toeneemt
-Administra;ekosten
-Onroerendgoedbelas;ng
Variabele kosten= nemen toe wanneer de output ook toeneemt
-Directe arbeid
Gemmidelde kostenfunc;e:
AC = TC / Q
o AC= gem kosten
o TC= totale kosten
o Q= aantal eenheden
Schaalvoordelen ontstaan wanneer de gem kosten per eenheid dalen als de output
toeneemt. Schaalnadelen ontstaan wanneer de gem kosten per eenheid s;jgen als de
output toeneemt. De minimum efficiënte schaal is het laagste outputniveau waarbij
schaalvoordelen verkregen kunnen worden.
De marginale kosten zijn de extra kosten die ontstaan wanneer er precies een eenheid meer
geproduceerd wordt, ofwel de incrementele kosten.
Verzonken kosten zijn kosten die niet vermeden kunnen worden.
Vermijdbare kosten zijn kosten die wel vermeden kunnen worden door andere keuzes te
maken.
, o Boekhoudkundige kosten: zijn kosten die gebaseerd zijn op kosten die in het
verleden zijn gemaakt, ofwel historische kosten.
o Economische kosten: zijn kosten die gebaseerd zijn op de opportuniteitskosten. Dit
houdt in dat de economische kosten gelijk zijn aan de waarde van het beste en
voordeligste alterna;eve gebruik van de middelen.
Economische winst=
Boekhoudkundige winst – (economische kosten – boekhoudkundige kosten)
De vraag func1e beschrij= de rela;e tussen de hoeveelheid producten die het bedrijf kan
verkopen en de variabelen die de hoeveelheid beïnvloeden. De kwaliteit van het product en
de smaak van de klanten zijn voorbeelden van variabelen.
De prijselas1citeit laat zien hoe gevoelig de vraag is voor prijsveranderingen.
Uitkomst > 1 à vraag inelas;sch
Uitkomst < 1 à vraag elas;sch
Factoren die de vraag naar een product meer gevoelig (elas;sch) voor de prijs maken:
• Product hee= unieke kenmerken en kopers zijn zich bewust hiervan en van de
concurrerende prijzen
• De uitgave aan een product vormt een groot deel van de totale uitgaven van een
koper. Kopers zijn dan bereid om langer te zoeken en te vergelijken voor een lagere
prijs
• Een product is een input die kopers gebruiken om een output te produceren die erg
gevoelig is
Factoren die de vraag naar een product minder gevoelig voor de prijs maken:
• Een product is moeilijk te vergelijken met soortgelijke producten
• Kopers hoeven slechts een deel van de prijs van het product te betalen als gevolg van
belas;nga=rek of verzekeringen
• Er zijn hogere overstapkosten
• Een product wordt gebruikt in combina;e met een product waar klanten aan
gebonden zijn
Overstapkosten zijn de kosten die zich voordoen wanneer een product gespecialiseerde
training of exper;se vereist die niet zomaar overdraagbaar zijn.
Opbrengsten-vernie1gingseffect= een bedrijf verlaagt zijn prijs om meer eenheden te
verkopen, er onstaan dus extra opbrengsten maar het bedrijf verliest ook de opbrengsten ten
aanzien van de eenheden die het had kunnen verkopen tegen een hogere prijs.
à Door dit effect zijn de marginale opbrengsten al;jd lager dan de prijs.
,De theorie van het bedrijf neemt aan dat het ul;eme doel van een bedrijf is om zoveel
mogelijk winst te maken. Om te bepalen wat de juiste output is moet gekeken worden jaar
de marginale kosten en opbrengsten:
o Verandering in de totale opbrengst
o Verandering in de totale kosten
o Verandering in de totale winst
Het punt waar MR=MC, is de ideale hoeveelheid output
Contribu;emarge= de prijs per product minus de vk
Contribu;emarge percentage = winst per eenheid/ opbrengst per eenheid
= p-c / p
Wanneer er sprake is van volkomen concurren1e zijn bedrijven niet in staat om de prijs van
de producten zelf te bepalen. De prijs wordt bepaald door de markt. (homogene producten)
Kenmerken volkomen concurren;e:
§ Wanneer een prijs hanteert die hoger is dan de marktprijs zal het geen verkopen
meer hebben
§ Wanneer een bedrijf een prijs hanteert die lager is dan de marktprijs zal het
opbrengsten mislopen
§ De vraagfunc;e van één bedrijf is al;jd horizontaal. Marktprijs is gegeven, dus moet
het bedrijf alleen beslissen hoeveel het gaat produceren.
§ Er is een oneindige prijselas;citeit, waardoor de marginale opbrengsten gelijk zijn aan
de marktprijs
§ De op;male hoeveelheid output van een bedrijf is wanneer de marginale kosten
gelijk zijn aan de marktprijs
De aanbodfunc1e gee= aan hoe de op;male output verandert als de marktprijs verandert.
Wanneer alle aanbodfunc;es van bedrijven in de industrie bij elkaar genomen worden,
ontstaat de industrie aanbodfunc1e. Dit is alleen in geval van iden;eke bedrijven.
De vraagfunc1e representeert de totale hoeveelheid die consumenten bereid zijn te kopen
voor een bepaalde gegeven prijs.
, De speltheorie gaat ervan uit dat deelnemers ra;oneel zijn en proberen te an;ciperen op de
ac;es en reac;es van concurrenten.
In het nash evenwicht speelt elke speler zo goed als hij kan, gegeven de strategieën van
andere spelers. Het nash evenwicht is vaak niet gelijk aan de uitkomst die de winst voor
beide spelers maximaliseert.
Een dominante strategie is een strategie die de uitkomst van een speler maximaliseert
ongeacht de beslissing van zijn tegenspeler. Het conflict tussen het collec;eve belang en het
eigenbelang wordt het gevangenendillema genoemd.
Hoofdstuk 1
Ondernemen in 1840
o Er waren factoren die de producten van lokale boeren opkochten, wasten en
verpakten en daarna verkochten. De factoren probeerden de producten op de grote
markten aan te prijzen en te verkopen aan agenten.
o Deze agenten vertegenwoordigen handelaren met winkels in het binnenland.
Factoren en agenten onderhandelen zelfden direct met elkaar. Vaak werd er gebruik
gemaakt van makelaars, die dienden als bemiddelaar tussen factoren en agenten.
Makelaars werden ingezet om een prijs af te spreken.
o Vooral transport, infrastructuur en communica1e waren erg belangrijk
Ondernemen in 1910
o Veel bedrijven kozen ervoor om ver;caal te integreren
o Om veel verschillende producten aan te kunnen bieden, gingen veel bedrijven
horizontaal uitbreiden
o Het aantal bedrijven per industrie nam af en poten;ële collusie nam toe door groei
van ver;cale en horizontaal geïntegreerde bedrijven
§ Collusie is een criminele, geheime samenwerking tussen bedrijven. Dit leidt
tot hogere winst en beperkte compe;;e.
o In 1910 waren spoorwegen het belangrijkste transportmiddel voor passagiers en
vracht
o Een belangrijke ontwikkeling was de telefoon
o Op de effectenmarkten werden de aandelen van de grootste industriele bedrijven
openbaar verhandeld. De financiële infrastructuur ontwikkelde door het ontstaan van
kredietbureaus, de aNetalingstermijn van financiering en de ontwikkeling van de
communica1e-infrastructuur
o De overheid dwong bedrijven gedetailleerde informa;e over hun ac;viteiten te
verzamelen. Dit leidde tot een verandering in management. De overheid werd in deze
;jd een belangrijke klant en partner van de industrie.
o Bedrijven moesten belangrijke ac;viteiten en verdiensten rapporteren, en de
bureaucra;e kwam op.