Hoorcollege 1 (Kennedy 1-35): De periode voor 1500
Inleiding
De Nederlandse geschiedenis is groots omdat het land in de eerste plaats wordt gekenmerkt
door aanpassingsvermogen en creativiteit, waardoor het al minstens zes eeuwen lang in de
voorste gelederen heeft gestaan van internationale ontwikkeling. De tweede reden is het feit
dat een land met zo veel breuklijnen en minderheden erin is geslaagd om niet alleen te
overleven, maar zelfs te floreren. Geen enkele heerser kon lange tijd absolute macht
uitoefenen over zijn Nederlandse onderdanen.
1: Van moeras naar handelssteden. Nederlandse geschiedenis tot 1384
Lang lag het gebied dat nu Nederland is aan de rand van de beschaving. Het klimaat en de
geografie waren niet geschikt voor landbouw en het bouwen van nederzettingen.
Permanente bewoning kwam dus pas laat op gang.
Preromaanse tijd
De eerste bewoners
De Homo heidelbergensis die elders in Europa voorkwamen waren wel in Nederland
gesignaleerd maar toch bleek dat deze mensensoort als jagers en vooral verzamelaars niet
bereid was zich permanent in Nederland te settelen.
Als gevolg van een verlengde ijstijd en de grote afstand die overbrugd moest worden
naar warmere en meer bevolkte delen van Europa, zouden er niet opnieuw mensen komen
tot na 10.000 v.Chr. Toen het Nederlandse grondgebied natter werd, vaker zou overstromen
en door de overvloedige rijkdom aan flora en fauna, werd het beter geschikt voor menselijke
bewoning. De eerste inwoners bouwden geen permanente huizen of boerderijen en zeker
niet de nederzettingen die meer naar het zuiden en oosten al ontstonden.
Permanente bewoning
De eerste tekenen van een neolithische cultuur in Nederland – een samenleving met
landbouw en ontwikkelde gereedschappen - waren rond 5500 v.Chr. zichtbaar op plateaus in
Zuid-Limburg. Deze regio was door de leemgrond zeer geschikt voor landbouw. Met hun
ovens waren ze de eerste producenten van aardewerk in de regio. Maar hun opvallendste
nalatenschap waren de tot 40 meter lange houten boerderijen die ze bouwden, die
waarschijnlijk ook onderdak boden aan hun dieren. Hun boerderijen groeiden zelden uit tot
dorpen van enige omvang, maar de zekerheid die dit leven schonk zorgde wel voor
bevolkingstoename in de regio. In de waterrijke delen van Nederland bleven de jagers en
verzamelaars domineren.
Vanuit het noorden van Europa kwam een ander soort migratiestroom op gang.
Jagers en verzamelaars vestigden zich permanent op de hoger gelegen zandgebieden in het
noordoosten van het land. Naar de typerende vorm van hun aardewerk noemen we deze
bevolkingsfase de Trechterbekercultuur. Hun samenleving was sociaalcomplex en
hiërarchisch en hun erfenis is nog altijd zichtbaar; tientallen hunebedden zijn nog overal in
het landschap te vinden.
De geïsoleerde positie van de regio werd onderstreept door het feit dat de IJzertijd
veel later aanbrak in dit gebied. Pas rond 700 v.Chr. En het zou nog twee eeuwen duren
voordat deze techniek doordrong in de Noordelijke delen van het land. De mensen die de
ijzeren gereedschappen het eerst produceerden waren de Kelten. De nieuwe bewoners in
het zuiden en westen van Nederland onderhielden waarschijnlijke nauwe culturele en
economische banden met hun verwanten van de zogenaamde La-Tène cultuur. Maar vanuit
het noordoosten begonnen Germaanse volken het land binnen te trekken. Uiteindelijk
vervingen deze talen de Keltische taal in heel Nederland.
, Aan het einde van de IJzertijd was er geen sprake van een vredige samenleving.
Zonder centraal gezag kregen inwoners aanzien door te vechten, te stelen en te plunderen.
De Romeinse Nederlanden
Rome komt aan de macht
Julius Caesar besloot zijn militaire macht uit te breiden en het rusteloze noorden te
bedwingen. In het jaar 57 v.Chr. kwam hij in de buurt van de zuidelijke grenzen van het
huidige Nederland. Caesars eigen beschrijving van deze Gallische oorlog is de eerste bron
waarin de regio uitgebreid beschreven wordt. Hij identificeerde de twee grootste
tegenstanders in de zuidelijke delen van het huidige Nederland als de Menapii in het westen
en de Eburonen in het oosten. Omdat de Menapii en de Eburonen Caesar niet konden
verslaan op het slagveld, verborgen zij zich in de bossen en moerassen. De Menapii gaven
zich over in 53 v.Chr., en wellicht deden de Eburonen dat ook.
Toch verloren de Romeinen snel hun greep op dit gebied. Pas een generatie na de
eerste inval van Caesar had Rome weer de ambitie en middelen om zich in het veroverde
gebied te vestigen onder leiding van generaal Nero. Hiervoor konden ze rekenen op de
steun van de Bataven, die hulptroepen leverden in ruil voor het kwijtschelden van de
schatting. In 12 v.Chr. slaagden ze erin om de Friezen in het noorden en westen van het
huidige Nederland te onderwerpen en zich ten oosten en noorden van de Rijn te vestigen.
Maar in het jaar 9 n.Chr. werden ze verslagen.
In 28 n.Chr. rebelleerden de Friezen tegen het Romeinse gezag, omdat een aantal
Friezen was gedwongen tot slavernij na een conflict over de kwaliteit van de koeienhuiden
die zij als schatting hadden moeten leveren. De Friezen slachtten honderden Romeinse
soldaten af en verdreven hen uit het gebied. Twintig jaar later besloten de Romeinen een
verbond te sluiten met de Friezen, waardoor de handel opbloeide.
De Rijn was in het jaar 69 de grens die werd doorbroken door een nieuwe opstand
tegen de Romeinen nadat zij de Bataven onrechtvaardig hadden bejegend. Ten onrechte
werden de twee Bataafse legeraanvoerders en broers Julius en Paulus Civilis door de
Romeinen beschuldigd van verraad. Nadat zijn broer was geëxecuteerd, wilde Julius Civilis
wraak, wat toevallig samenviel met een korte burgeroorlog in Rome. Dit leidde tot een
grootschalige opstand door de Bataven: de Bataafse opstand. Het verzet leek zeer
succesvol en de Romeinse legioenen werden van de Rijn verdreven in zuidelijke richting.
Na het tekenen van de vrede werden de Bataven hersteld als hulptroepen in het
Romeinse Rijk. De Bataafse opstand bereikte dus weinig. Toch groeide deze opstand uit tot
een populaire mythe, terwijl Nederlanders zeer waarschijnlijk geen afstammelingen zijn van
deze Bataven.
Het leven in het Romeinse Rijk
De Romeinse Nederlanden en de gebieden ten noorden van de Rijn bleven dunbevolkt. De
Romeinse nederzettingen waren in het zuiden het uitgebreidst. De Löss-of Leemgronden
leenden zich bij uitstek voor het vestigen van landgoederen, en de landbouwtechnieken die
werden toegepast waren vergelijkbaar met de praktijken op Noord-Italiaanse landgoederen.
Er groeide vooral tarwe op hun akkers. De omvang van deze landgoederen groeide en de
meest gefortuneerde villae boden de eigenaars alle gerieven die de moderne Romeinse
techniek en cultuur konden bieden.
De stabiliteit door het Pax Romana stimuleerde nieuwe culturele en religieuze
uitingsvormen. De Romeinse wet werd de norm. Lokale volken gingen hun eigen goden
steeds meer in Romeinse stijl aanbidden.
Romeinse neergang, migratie en ontvolking
Aan het begin van de derde eeuw waren veel nederzettingen in het riviergebied verlaten en
ontvolkt. Het klimaat werd kouder en natter, en de zee onstuimiger. Na de stabilisatie van het
rijk aan het einde van de derde eeuw probeerde Rome bij vlagen de oude limes weer te
,herstellen, waarbij de houten forten werden vervangen door stenen forten. Aan het begin van
de vijfde eeuw was de Romeinse overheid niet langer in staat om Germaanse migratie naar
het rijk te sturen of te beperken.
Het Romeinse gezag in Nederland kwam ten einde. In tegenstelling tot het
kustgebied bleef het rivierengebied bewoond, ook nadat de Romeinen voorgoed waren
vertrokken. Maar door de onveiligheid, het onstuimige klimaat, het natte land en de
verminderde landbouwproductiviteit werd de bevolking gereduceerd. In de vijfde eeuw
woonden er waarschijnlijk even weinig mensen in Nederland als eeuwen daarvoor.
De Merovingische en Karolingische perioden
De samenleving en de vroege Middeleeuwen
In de jaren nadat de Romeinen zich hadden teruggetrokken, kwamen druppelsgewijs nieuwe
migranten. De Merovingische leiders legitimeerden hun vooraanstaande posities door
zichzelf te bestempelen als opvolgers van het Romeinse Rijk. Maar hun machtspositie in
deze kleine gemeenschappen in een dunbevolkt gebied was in werkelijkheid nog niet te
vergelijken met de positie van ‘graaf’ in latere eeuwen.
De Franken mengden zich met de overgebleven plaatselijke bevolking uit het oude
Romeinse Rijk en begonnen de taal en gebruiken te domineren. De Angelen en de Saksen
die aan het eind van de zesde eeuw migreerden naar delen van Friesland en Holland
mengden zich met de overgebleven oude bevolking en werden ook als Friezen bekend.
Door eeuwenlange interactie tussen de Franken, Friezen en Saksen ontstond uiteindelijk
de Nederlandse taal. Franken, Friezen en Saksen vochten onderling om grond wanneer ze
dat nodig achtten, maar dreven ook veel handel met elkaar, blijkend uit hun
gemeenschappelijke cultuur.
In de zevende en achtste eeuw begon de bevolking toe te nemen. Ook het klimaat
verbeterde vanaf het begin van de zesde eeuw: het werd warmer. Rond het jaar 700
woonden er ongeveer 50.000 mensen in het huidige Nederland. Met groot succes
herontwikkelden de ‘nieuwe’ Friezen de kustgebieden en dreven handel met grote delen van
Europa. De hoofdstad van de handel was Dorestad. Twee eeuwen lang was dit het
voornaamste knooppunt van handel in de regio. Dorestad lag aan een binnenbocht van de
rivier. Op het hoogtepunt woonden er waarschijnlijk 10.000 inwoners.
De opkomst van het Frankische christendom
Toen bevolking en handel groeiden in de zevende eeuw, ontstonden ook meer conflicten
over politieke controle, economische macht en religie. Dorestad lag bij Frankisch gebied.
Een samenhangend Frankisch koningschap begon zich te vormen rond de Salische
Franken, die werden geleid door de Merovingers. Nadat hun koning Clovis zich einde
vijfde eeuw had bekeerd tot het katholicisme, werden de Merovingers een christelijke
dynastie. Langzamerhand breidden zij hun macht uit naar het noorden. Aan het begin van de
zevende eeuw lieten ze hun oog vallen op het welvarende rivierengebied en in 630
veroverde de Merovingische koning Dagobert de stad Utrecht.
De Franken waren nauw verbonden met de rooms-katholieke kerk, die vanaf het
midden van de zevende eeuw de kerstening van het noorden van België en Nederland
systematisch ter hand zou nemen. Hoewel het christelijke geloof langzamerhand ingang
vond in dit dunbevolkte gebied, verspreidde het christendom zich met horten en stoten .
Vooral de Friezen en Saksen verzetten zich tegen deze nieuwe religie. Cruciaal voor het
bekeringssucces van de noorderlingen waren uiteindelijk niet de Frankische missionarissen,
maar de Engelse missionarissen.
Verdere kerstening van de Friezen kon echter niet plaatsvinden zonder militaire druk.
De Friese koning Radboud verzette zich sterk tegen inmenging van de Franken en de kerk
in zijn gebied. De energieke hofmeier Pepijn van de Merovingers nam de leiding in de
campagne tegen de Friezen. Rond 690 versloeg Pepijn Radboud bij Dorestad en
veroverde de handelsstad. Pepijn dwong Radboud vervolgens een verdrag te sluiten. In 695
zalfde de paus de Engelse zendeling Willibrord tot ‘aartsbisschop van de Friezen’ .
Willibrord leek redelijk succesvol te zijn in zijn missie rond Utrecht en het westen.
, Door de dood van Pepijn van de Merovingers in 714 en de politieke chaos die
volgde, kon koning Radboud de aartsbisschop Willibrord tijdelijk verdrijven uit Utrecht. Een
nieuw Frankisch offensief na de dood van Radboud, onder leiding van hofmeier Karel
Martel, zou heel Friesland binnen enkele decennia binnen de Frankische invloedssfeer
plaatsen. De Engelse zendeling Bonifatius, een voormalig medewerker van Willibrord werd
in 754 in Dokkum vermoord. De Franken reageerden met een strafexpeditie om zijn dood te
wreken.
Karolingische erfenis
De Merovingische koningen verloren na verloop van tijd hun macht aan de hofmeiers.
Uiteindelijk zouden Karel Martel en zijn afstammelingen de macht overnemen. In 751
ontdeed zijn zoon Pepijn de Korte zich van de laatste Merovingische koningen een liet
zichzelf met toestemming van de paus kronen door Bonifatius. Het Karolingische rijk was
een feit. Onder zijn zoon Karel de Grote zou het Frankische Rijk zijn hoogtepunt bereiken.
Karel de Grote was succesvol in het uitbreiden van zijn gebied, zo succesvol dat de paus
hem in 800 uitriep tot keizer van het Heilig Roomse Rijk.
De Lage Landen waren niet zijn voornaamste zorg, en ook de Karolingische
renaissance was nauwelijks merkbaar in Nederland. Zo lang Karel de Grote leefde,
functioneerde zijn politieke systeem naar behoren. Hij benoemde graven om de
graafschappen (pagi) te besturen, deze posities waren niet erfelijk. Teruggrijpend op en
oudere traditie stuurde hij ook missi dominici, die meestal uit zijn vertrouwde netwerk
afkomstig waren, om de situatie in elke regio te inspecteren en erover te rapporteren. Om
zich te verzekeren van hun steun beloonde Karel de Grote de adel en graven vaak met
oorlogsbuit en veroverde gebieden, die ze in bruikleen kregen voor geleverde diensten. Ook
de kerk kreeg belastingvrijstellingen om haar werk te bevorderen. De lokale leiders kregen
op deze manier veel autonomie.
De dood van Karel de Grote en het einde van het Frankische systeem van oorlog
voeren en belonen zouden vele lokale leiders ertoe verleiden om deze gronden te
beschouwen als hun onvervreemdbaar eigendom.
Uiteenvallen van het Frankische Rijk en de komst van Vikingen
In de eeuwen na de dood van Karel de Grote overheersten conflicten en politieke
fragmentarisering. Slechts een wettige zoon van Karel overleefde, maar al tijdens zijn leven
bevochten zijn zonen elkaar met als inzet de erfenis die volgens Frankische traditie werd
verdeeld over alle zonen. Na de dood van Lodewijk de Vrome en het Verdrag van Verdun
verminderden de conflicten. Het grootste deel van Nederland werd onderdeel van het
Midden-Frankische Rijk onder aanvoering van Lotharius. Toen hij stierf werd het rijk
opnieuw verdeeld en Nederland kwam onder Lotharius II.
Ook deze regio bleek niet stabiel. Het rijk werd belaagd door de Vikingen. De
bisschop van Utrecht voelde zich gedwongen te vluchten en zijn zetel in 857 onder druk
van de heidense Vikingen op te geven. In 838 spoelde een rampzalige overstroming veel
nederzettingen aan de westelijke kust weg. Verschillende Frankische heersers probeerden
de Vikingen als ondergeschikten of bondgenoten in te lijven in de strijd tegen hun rivalen.
Rorik de Deen kreeg in het midden van de negende eeuw het beheer over grote gebieden in
Friesland. Zo gezien was Rorik niet de verwoester van het Karolingische systeem, maar
werd hij integraal onderdeel van een desintegrerend politiek systeem tot hij in 885 werd
vermoord nadat hij een gebiedsuitbreiding had geëist. De West-Friese edele Gerulf had
een aandeel in zijn moord en werd beloond met Godfrieds kustgebied, dat na enige
gebiedsuitbreiding twee eeuwen later Holland genoemd zou worden. In 891 leden de
Vikingen een beslissende nederlaag bij Leuven.
Het grootste deel van het Midden-Frankische Rijk in 925 werd geannexeerd door
koning Hendrik de Vogelaar van het Oost-Frankische Rijk. De Nederlandse gebieden
bleven dus vooral een uithoek van het Duitse koninkrijk. De chronische instabiliteit die dit
gebied kenmerkte, leidde tot veel lokale spanningen en conflicten, maar zou op de lange