7 maart 2025
De meest voorkomende vorm van dementie is de ziekte van Alzheimer (70%), gevolgd
door vasculaire dementie (16%).
Mensen met dementie leven gemiddeld 8 jaar met de ziekte.
Gedurende het ziekteproces neemt zowel het aantal als de ernst van de klachten toe.
Dementie is niet te genezen en is na kanker en hart- en vaatziekten de meest
voorkomende doodsoorzaak in Nederland.
Gemiddeld duurt het 14 maanden voordat de diagnose wordt gesteld. Bij jonge mensen
zelfs meer dan 4 jaar.
Impact van dementie: ruim 54% van de mantelzorgers van mensen met dementie is
zwaar belast. 4% van deze mensen is overbelast.
Leeftijd is de belangrijkste risicofactor voor dementie. De kans op dementie wordt
groter naarmate je ouder wordt.
Vrouwen hebben een langere levensverwachting en dus komt dementie vaker voor bij
vrouwen dan bij mannen (dus komt vaker voor bij vrouwen omdat vrouwen langer leven
en dus meer kans hebben op dementie, niet omdat ze vrouw zijn! Maar omdat leeftijd
een rol speelt).
Erfelijke vormen van dementie bestaan, maar zijn erg zeldzaam.
Dementie komt steeds vaker voor, maar dat betekent niet dat de mens tegenwoordig
vatbaarder is voor dementie (de context veranderd).
Dementie is deels te voorspellen: wanneer er sprake is van beroerte én van
geheugenklachten, dan is er een grotere kans op het ontwikkelen van dementie dan
wanneer er geen sprake is van een beroerte en/of geheugenklachten.
Prodromaal = er zijn al voortekenen van dementie (zoals MCI), maar er is nog geen
sprake van dementie. Deze term is er alleen bij dementie.
Gezond = als iemand fysiek gezond is, mentaal gezond is, én zichzelf als gezond ziet.
Vocabulair is de enige functie die je hele leven door ontwikkelt. De rest neemt juist af
gedurende het leven (redeneren, spatiële visie, geheugen, snelheid).
,Het verouderingsproces verloopt redelijk gelijk bij iedereen.
Men kan gebruik maken (verrijken) van diens omgeving om de risicofactoren te
vermijden/beperken.
Effecten van leeftijd kunnen we onderzoeken met cross-sectioneel onderzoek en
longitudinaal onderzoek.
Cross-sectioneel onderzoek = ieder individu in een groep éénmaal en op hetzelfde
moment observeren.
Longitudinaal onderzoek = metingen bij ieder individu op een aantal
achtereenvolgende momenten herhaald.
Bij longitudinaal onderzoek is er kans op hertest effecten (mensen lijken beter te worden
in een functie, maar eigenlijk is er sprake van hertest effect; kent de test al).
Diagnosticeren van dementie
Voor de diagnose:
- Mag er geen ander onderliggend aantoonbare oorzaak zijn, bijv. hersenletsel
door een ongeluk;
- Ook moet er een degeneratief beloop in de tijd (achteruitgang) zijn;
, - En er moeten stoornissen zijn in minimaal 2 cognitieve domeinen;
- Die interfereren met het dagelijks leven.
Je kan dement zijn met een goed geheugen!
De gevolgen van dementie kan je niet compenseren.
Dementie beschrijft een syndroom, niet de oorzaak.
Dementie = beschrijvende term die combinaties van meervoudige stoornissen in
cognitie, stemming of gedrag omvat, veroorzaakt door bepaalde hersenziekten.
→verwijst dus naar een spectrum van klinische beelden.
Bij verdenking van dementie dient er gestreefd te worden naar nosologische diagnostiek,
waarvoor vaak een verwijzing naar de tweede lijn wenselijk is.
- Nosologische diagnose = het vaststellen of bevestigen van een onderliggende
etiologie van de diagnose.
o Etiologie = waar komt het vandaan?
- Eerste lijn = huisarts; tweede lijn = ziekenhuis; derde lijn = specialistische zorg
Vroeger kon dementie alleen met postmortem onderzoek vastgesteld worden en was
dementie dus tijdens het leven een waarschijnlijke diagnose. Nu kunnen we met bio
markers het al tijdens het leven vaststellen.
Stellen van de diagnose:
1. Syndroom benadering: er is sprake van dementie
2. Nosologische diagnose: ziekte van Alzheimer, Parkinson, etc.
Er zijn meer dan 70 beelden van dementie, er zijn dus enorm veel vormen. Waaronder:
• Ziekte van Alzheimer
• Frontotemporaal dementie
• Lewy Bodies Disease
• Vasculaire dementie
• Mixed dementia
• Ziekte van Pick
• Parkinson dementie
• Corticobasale degeneratie
→zitten en beginnen allemaal op andere plekken in de hersenen.
Angst komt vaak voor bij dementie (angstig voor het beloop, de toekomst met dementie).
En ook depressie.
Twee grote verschillen in dementiebeelden:
- Corticale dementie = grijze stof gaat als eerste kapot, witte stofbanen zijn nog
adequaat.
o Mensen zijn wel snel in reageren, maar vaker fout.
o Bij Alzheimer
- Subcorticale dementie = ook schade in witte stof.
o Mensen zijn langzaam in reageren, maar vaker juist.
, o Bij Huntington, Parkinson, Progressieve Supranucleaire Verlamming (PSP)
Uiteindelijk is in beide gevallen het hele brein aangetast.
Er is overlap tussen deze twee groepen. Corticale veranderingen zijn er ook bij Parkinson
en Huntington.
Ziekte van Alzheimer:
- Meest voorkomend
- Geheugenproblemen op de voorgrond
- Sluipend beloop
- Gemiddelde overleving is 7 tot 8 jaar
- Prevalentie (aantal gevallen op een bepaald moment) = 200.000
- Incidentie (aantal nieuwe gevallen) = 10.000 tot 20.000
- Komt voor tussen de 40 en 80 jaar (dus niet alleen bij ouderdom).
Twee stappen diagnose Alzheimer:
- Is er sprake van dementie? (=syndroom benadering)
- Welke vorm van dementie? (=nosologische diagnose)
o Zeker; waarschijnlijk; mogelijk
Mild cognitive impairment (MCI):
- Geheugenklachten
- Objectieve geheugenstoornis in neuropsychologisch onderzoek
- Relatieve normale prestatie op andere domeinen
- Relatief intact functioneren in dagelijks leven
Vormen MCI:
• Amnestische MCI (geheugenvorm)
• Single domain MCI (geheugenproblemen + één cognitief domein is aangetast)
• Multiple domain MCI (geheugenproblemen + twee domeinen of meer zijn
aangetast)
Amnestische MCI = gekenmerkt door geheugenproblemen, hierbij wordt het
episodisch geheugen als eerste aangetast. Daarnaast wordt ook het prospectief
geheugen aangetast.
→met amnestische MCI is er de meeste kans om uiteindelijk Alzheimer te ontwikkelen.
Vasculaire risicofactoren bij ziekte van Alzheimer:
- Hypertensie
- Diabetes