Kiezen voor het jonge kind
9.1 Dagritme
Jonge kinderen willen weten wat er achtereenvolgens gaat gebeuren biedt houvast + kunnen
eigen plannen hier op afstemmen
Daarom herkenbaar, steeds terugkerend dagritme legt herkenbare momenten van het
dagprogramma vast geen rooster, want inhoud activiteiten zie je hier niet
Dagprogramma visualiseren met foto’s, pictogrammen, symbolen! dagritmekaarten met
knijper/kaartje aangeven wanneer je van het ene moment naar het andere moment gaat
Bij wijzingen dag van tevoren bespreken, zodat kinderen zicht blijven houden op hun dagplanning
Bij vaststellen van dagprogramma rekening houden met voldoende afwisseling tussen activiteiten die
concentratie vragen, activiteiten waarbij kinderen actief zijn en activiteiten die gericht zijn op
ontspanning.
9.1.1 Inlooptijd
Informele ontmoetingen kinderen, ouders, leerkracht
Voor speelwerktijd kun je in kring gaan zitten om plannen te maken en te bespreken
Je kunt ook niet eerst in de kring zitten kinderen met plannen kunnen deze meteen uitvoeren,
geen tijd om met elkaar plannen te maken en te bespreken kinderen met geen plannen, moeten
begeleid worden door juf, dus minder tijd om kind en ouders te begroeten
9.1.2 Kringactiviteiten
Gezamenlijke activiteiten in kringopstelling (kringgesprek), theateropstelling
(poppenkastvoorstelling), hoefijzervorm (voorlezen).
Samen plannen maken en terugblikken
Plannen voor speelwerktijd
Na afloop terugblikken op deze plannen
Gesprekken voeren
Gesprekken over onderwerpen die kinderen interesseren doel is om kinderen aan te moedigen
hun gedachten vrij te uiten
,Het is goed mogelijk dat kinderen intensief bij kringgesprekken betrokken zijn, zonder dat ze
behoefte hebben zelf iets te zeggen: ze luisteren en denken na.
Stel geen gesloten vragen
o Komen er dan niet achter wat kinderen denken
o Is vooral raden wat de leerkracht in haar hoofd heeft
Leerkracht wil vooral luisteren naar wat kinderen denken of vinden
o Ze staat open voor hun onverwachte en vaak verrassende inbreng
Gesprekstechnieken:
Herhalen of herformuleren
o Om iets helderder te krijgen
o Om een kind de gelegenheid te geven zijn formulering te herzien (‘Nee juf, ik
bedoel…’)
o Om de aandacht van anderen op een opmerking te richten
Open vragen stellen
Doorvragen
o Als niet duidelijk is wat een kind bedoelt
Doorspelen
o Van vragen of opmerkingen (‘Zij zegt… Wat denk jij?)
Bevestigen
o Verbaal (‘Ja, dat denk ik ook’)
o Non-verbaal (goedkeurend knikken)
Bemoedigen
o ‘Dat lijkt me een goed idee’
Betrokkenheid tonen
o (‘Oh ja, dat is leuk hè!)
Samenvatten
o Wat er gezegd werd
Conclusies trekken
o ‘Dus nu weten we…’
Een nieuw aspect inbrengen
o ‘Wat zou er gebeuren als…?’
Een eigen inbreng leveren
o Om een gesprek op gang te krijgen
o Om impasses te doorbreken (‘Volgens mij…’ of ‘Misschien moeten we…’)
Deze technieken geven het gesprek structuur:
Ze moedigen kinderen aan zich te uiten
Ze leren kinderen op elkaar te reageren
Ze geven verdieping aan het gespreksonderwerp
Speciale techniek: Sustained Shared Thinking (SST)
Geen oordelen geven als ‘Goed zo’ of ‘Ja, maar…’ zeggen als je iets anders wilde horen
, Niet vragen stellen en opmerkingen maken als ‘Ik vraag me af hoe het komt dat…’ of ‘wat er
zou gebeuren als’
Elke reactie van een kind serieus nemen
Laten zien dat je het zelf ook interessant vindt: ‘Hé, kijk nou, ik zie dat…!’
Een open houding hebben; zelf ook niet weten hoe het precies zit (‘Jij denkt dat?’… ‘Ik ben
benieuwd of dat waar is’)
Niet opeens tevreden zijn als kinderen een (in jouw ogen) juist antwoord geven (‘Ja, daar
komt het door!’), maar blijven doorvragen of ze het zeker weten
Van echte gesprekken leren kinderen meer dan van schoolse gesprekken vooral NT2-kinderen
Geen om-beurtenregel hanteren bij gesprek hangt af van situatie, kinderen, onderwerp wie wat
op een bepaald moment vertelt
Je kunt kinderen aanmoedigen die verlegen zijn, maar dwing ze niet om in een bepaalde situatie iets
te zeggen (pijnlijk)
Gesprekken leiden is moeilijk en daarom zijn er veel regels vinger opsteken als je iets wilt
vertellen, vuist naar voren als je wilt reageren op de ander, als je aan het woord bent geweest geef je
de beurt door aan de ander gaat ten koste van spontaniteit van het gesprek
Leerkrachten die goed zijn in gespreksleiding hanteren weinig regels, maar luisteren wel goed
letten op de reacties van de kinderen (verbaal + non-verbaal) en spelen hier adequaat op in
Praten met kinderen is een kunst die je alleen met veel oefening en de juiste basishouding (kinderen
aanvoelen en serieus nemen) onder de knie krijgt.
Verhalen voorlezen en vertellen
Kinderen zijn dol op verhalen leerkrachten vinden voorlezen en vertellen leuk
Voorlezen kinderen confronteren met verhalen in een taal die zorgvuldig overdacht is
Prentenboek met weinig of geen tekst platen in boek vertellen het verhaal geschikt voor kleine
kring, want nodigen kinderen uit er hun eigen verhalen bij te vertellen
Vertellen taalgebruik is minder uitgebalanceerd dan de taal in (prenten)boeken, maar leerkracht
kan beter ingaan op de reacties en kan leerlingen actieve inbreng geven
Bewegingsverhalen verhalen die kinderen aanzetten tot bewegen geleide fantasie
Kinderen houden van vervolgverhalen ze willen steeds weer nieuwe verhalen horen over …
Leerkracht kan ook handpoppen gebruiken dialoog voeren met jezelf (leerkracht/verhaalfiguur)
en reageert op wat kinderen zeggen (als leerkracht of verhaalfiguur)
Kinderen leven zich altijd sterk in en gaan spontaan gesprekken aan met de pop goed
improvisatievermogen van leerkracht nodig
, Poppenkast leerkracht kan niet uit het verhaal stappen
Onervaren poppenspelers laten de poppen veel vertellen ervaren laten ze vooral veel doen
Kinderen vinden het fijn om op meerdere manieren in aanraking te komen met het verhaal ze
houden van herhalen
Kinderpoëzie
Gedichten voordragen of kinderen versjes leren
Door kinderpoëzie leren kinderen het mooie van taal waarderen genieten van rijm en ritme, van
klank en de herhaling en houden van humor in gedichten
Aanbod bestaat uit korte opzegversjes en langere gedichten.
Opzegversjes kunnen ze na aantal keren luisteren, uit het hoofd opzeggen vaak overbekende
versjes (Lientje leerde Lotje lopen), maar ook modernere
Bij versjes kun je handelingen uitvoeren of bij versjes horen melodieën (hoofd, schouders, knie en
ten, knie en teen)
Meedoe- of meezingversjes zijn met name geschikt voor de allerjongsten.
Kringmomenten die geschikt zijn voor het herhalen van bekende gedichten tijdens eten/drinken,
voor ze naar huis gaan, afsluiting van een gesprek
Eerste keer gedicht/opzegversje:
Kinderen luisteren en genieten
Zonder haperingen voordragen
Met expressie voordragen
Kinderen gelegenheid geven te reageren
Nieuwe woorden/begrippen toelichten
Kinderen rijmwoorden laten aanvullen…
Uitbeelden
Doel poëzie geheugen trainen, zeggingskracht van taal ervaren en plezier beleven aan bijzondere
vorm van taal
Muziek
Naar muziek luisteren, op muziek bewegen of muziek maken
Accent in kring ligt vooral op samen zingen gezellig moment, op eigen niveau meedoen ene
kind pakt melodie snel op, het andere kind heeft meer tijd nodig
Als je met kinderen zingt, moet je hoger zingen dan je normaal praat kinderen hebben namelijk
een hoge stem