lOMoARcPSD|9344494
Bewijs in strafzaken - Week 1 - Waarheidsvinding in strafzaken
VRAGEN
Strafrechtelijke waarheidsvinding
● Overtuiging vd rechter is cruciaal voor een positieve bewijsbeslissing
o art 338 Sv en 'in dubio pro reo'
● Beïnvloed door eisen wettige bewijsmiddelen en bescherming vd rechten vd VD
● Objectiviteitsbeginsel vereist dat opsporing gericht is op zowel belastend als ontlastend bewijs.
● Op zoek naar de materiële waarheid, maar beperkt door tll, want de waarheidsvinding ziet op de
tll. Rechter
o kijkt of de tll bewezen kan worden en heeft hierbij een actieve houding.
● Reconstrueren van gebeurtenissen uit het verleden
Materiële waarheid
● = wat is de historische werkelijkheid? / de waarheid zoals het écht is gebeurd
● Tenlastelegging moet bewezen worden (dus is geen absolute waarheid)
● Rechter moet overtuigd zijn, hoeft niet 100% zeker te weten
● Beperkingen:
○Rechter is gebonden aan tll (wijst dus ook op formele waarheid)
○ Ovj stelt tll op
○ Rechten (cautie, verschoningsrecht)
○ Capaciteitstekort
Formele waarheid
● = zoals partijen ermee akkoord gaan / wh die voor beide partijen acceptabel is / wh waarmee partijen het
eens zijn geworden / gebaseerd op de f&o die partijen voor waar houden
● Kan dus (ver) van absolute waarheid afwijken
● Vooral bij civiele zaken: in welke versie vd partijen gaat de rechter mee?
Onderscheid waarheidsvinding in het strafrecht en waarheidsvinding in civiel- en bestuursrecht
● Sr: onderdelen tll die niet worden betwist mogen niet zonder meer voor juist worden gehouden; ook hun
juistheid dient te worden bewezen.
0 Civielrecht: meer formeel karakter → wat partijen aanvoeren als feiten moet worden geacht als waar indien
het niet wordt betwist
● Sr: de mate van zekerheid die vereist is, is over het algemeen hoger dan in civielrecht
0 Civielrecht: standpunten strijdende partijen en aangevoerde bewijzen tegen elkaar afgewogen, zodat
een preponderance of evidence de doorslag geeft.
● Sr: bewijslast wordt niet verdeeld, bij civielrecht wel.
● Bestuursrecht: er is niet echt waarheidsvinding en rechter is niet steeds de beslissende instantie
(verschillende organen)
Verschillende soorten bewijsstelsels
● Wettelijk bewijsstelsel
○De rechter is gebonden aan in de wet verankerde bewijsregels
■ Positief-wettelijk bewijsstelsel
■ Negatief-wettelijkbewijsstelsel
● Vrij bewijsstelsel
, lOMoARcPSD|9344494
○ Beoordeling vd waarde vh bewijs wordt aan de beoordeling rechter overgelaten, is dus niet in de wet
verankerd
○ Stelsel der conviction intime: rechter hoeft er alleen persoonlijk (subjectief) van overtuigd te zijn dat het
bewijs wel/niet voldoende is, en hoeft dit oordeel niet te motiveren.
■ Persoonlijke / innerlijke overtuiging
■ Juryrechtspraak
○ Stelsel der conviction raisonnée: rechter moet obv algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en
ervaringsfeiten (objectief) overtuigd zijn dat het bewijs wel/niet voldoende is, en motiveert dit in het
vonnis
■ Redelijke / beredeneerde overtuiging
■Waarneming rechter moet wel ter terechtzitting plaatsvinden
Kenmerken negatief-wettelijk bewijsstelsel NEDERLAND
● Norm dat ook bij voldoende wettig bewijs de rechter niet verplicht is te oordelen
0 In dubio pro reo: bij twijfel geen veroordeling
● Er wordt een minimumeis aan het bewijs gesteld, maar rechter kan niet tot bewezenverklaring tlg feit
komen als hij niet de overtuiging heeft gekregen dat dit tlg feit door de VD is begaan.
0 Dus ook bij voldoende wettig bewijs is de rechter niet verplicht om te oordelen.
● Geen bewijslast voor VD; limitatieve opsomming van wettige bewijsmiddelen zonder dwingende
bewijskracht
Kenmerken positief-wettelijk bewijsstelsel
● Limitatief en sluitend systeem van bewijsregels dat automatisch leidt tot een wel of niet bewezenverklaring.
● Het aantal aan te voeren bewijzen is limitatief in de wet opgesomd.
○En de rechter moet tot een bewezenverklaring komen bij een bepaalde hoeveelheid bewijsmiddelen.
● Rechterlijke overtuiging is niet nodig.
Kenmerken NLse bewijsstelsel
● Negatief-wettelijk bewijsstelsel NL, art 338 Sv → zowel wettig bewijs als overtuiging
0 Rechter hoeft niet tot bewezenverklaring te komen als er voldoende als wettig te kwalificeren bewijs
voorhanden is
● Kenmerken:
0 Rechter overtuigt van schuld, zo niet vrijspraak
○ Wettige bewijsmiddelen: art. 339 Sv
o Minimum aan bewijs: art. 342 lid 2 Sv
○Bij bewezenverklaring moet het gaan om de vraag of de VD het tlg feit heeft begaan – 1e vraag art. 350 Sv
○Overtuiging rechter moet voortkomen uit het ott (bewijsmiddelen ter tz bekendmaken)
Wie zijn betrokken bij de bewijsbeslissing in NLse strafzaken?
● Rechter (oordelen, (subjectieve) overtuiging) OvJ (bepaalt inzet en tll), VD, benadeelde partij / slo, getuige,
deskundige, politie, ook indirect: reclassering, tolk
Hoe zeker moet je zijn?
● Wettige bewijsmiddelen en rechterlijke overtuiging nodig
● Definitie: geen vaste definitie, discussie in literatuur
● Welke sprong moet de rechter als laatste maken: van een zekerheidsoordeel (hoe waarschijnlijk is het dat
iemand iets heeft gedaan), naar een ja of nee (bewezenverklaring of niet)
0 De rechter moet iets bepalen
● Buiten redelijke twijfel ziet op het zekerheidsoordeel vd rechter, die wordt gebaseerd op de wettige
bewijsmiddelen en de rechterlijke overtuiging komt bovenop het zekerheidsoordeel
0 Rechterlijke overtuiging een louter subjectief oordeel? → nee, ook de rechter moet zich uitleggen
, lOMoARcPSD|9344494
○Sprongetjes rechter: subjectief karakter; bewijsrecht wordt beheerst door objectiviteitsbeginsel
○ Het is de combinatie van redelijkheidsoordeel en subjectieve elementen die in het sr wordt aangeduid
als ‘rechterlijke overtuiging’.
○ Invloed: strafblad en spreekrecht slo
● Zie rechtspraak vrijspraak verkrachting en poging verkrachting volkstuin
DNA
Het vinden van DNA op een bepaalde locatie betekent niet automatisch dat de betrokkene het DNA
daar zelf heeft achtergelaten.
Belastend DNA-materiaal: Het ene DNA-materiaal weegt zwaarder dan het andere als bewijs
(bijvoorbeeld bloed is vaak belastender dan haren).
Soorten DNA als Bewijs: bloed, speeksel, haren, huid, sperma Doel: Bewijs moet helpen de
waarheid te achterhalen en aantonen wat daadwerkelijk is gebeurd.
Bewijs
TLL: In de tenlastelegging wordt vastgelegd wat bewezen moet worden om een delict aan te tonen.
Bewijsstandaard:
Wettelijk bewijs (wettig) = dat je voor elke element van het SF voldoende bewijs hebt &
Rechterlijke overtuiging (overtuigend)
o De rechter moet overtuigd zijn dat het bewijs sterker is dan eventuele contra-
indicaties (tegenargumenten) om tot een bewezenverklaring te komen.
o Wanneer er redelijke twijfel bestaat, volgt vrijspraak; 100% zekerheid over de
waarheid is vaak moeilijk te bereiken.
Nodig om tot een bewezenverklaring te komen art. 338 Sv.
Soorten Bewijs (art. 339 Sv)
Schriftelijke bescheiden (bijna alles kan hieronder vallen) vb. getuigenverklaring, getuige =
iemand die iets heeft waargenomen/ondervonden en daarover verklaart. (als dat in verband
staat met het SF zal moeten worden onderzocht).
Eigen waarneming van de rechter (Waarnemingen door de rechter tijdens de zitting, die
kunnen dienen als aanvulling of link naar andere bewijsmiddelen.)
Negatief bewijs: De afwezigheid van kenmerken (vb. letsel) dat een val heeft plaatsgevonden, sluit niet
uit dat de persoon daadwerkelijk niet gevallen is. (negatief bewijs) de afwezigheid van iets, zegt niet
dat iets niet gebeurd is!
Beoordeling van bewijs: altijd de kernvragen afgaan! Wie, Wat, Waar, Wanneer (feiten moeten elk van
het ten laste gelegde kunnen bewijzen). STAP VOOR STAP eerst feiten onderzoek en daarna pas
verbanden leggen, niet meteen concluderen!
Rechtspraak
Nomads zaak - Rechtbank Amsterdam 17-3-2005
3 van de leden van de Nomads zijn om het leven gebracht tijdens een meeting in het clubhuis. Er waren 14 leden
aanwezig.
(Bewijs)verweren:
Betreffende het clubhuis (plaats delict): het was een net gerenoveerde clubhuis, na de feiten waren de vloer en
muren opnieuw volledig gestript (dit zijn enkel feiten) geen bewijs te vinden.
Getuige verklaarde dat de persoon die uit het raam viel van het clubhuis van Nomads (witte bovenkleding) erna zijn
hoofd optilde getuige trok de conclusie dat het persoon dus niet dood was op dat moment.
Lichamen: NFI keek naar de openingen in het lichamen (bovenlichaam en het hoofd) en de wondranden ze
hadden het schotenpatroon (vuurwapenexpert) onderzocht + waar de (3 verschillende soorten) kogels terecht zijn
, lOMoARcPSD|9344494
gekomen en of dat zou kunnen leiden tot de dood. Ze zeggen iets over het verband tussen de kogel en het
overlijden (je moet nml bewijzen dat de handeling van de VD heeft geleid tot de dood). Conclusie: slo’s zijn door het
vuurwapen om het leven gekomen.
Getuige had een busje gezien:
- Het grondmateriaal in de banden was hetzelfde materiaal als de grond waar de plaats waar de slo’s waren
gevonden.
- Er waren bandensporen bij leendenbeek gevonden waar de lichamen zijn achtergelaten.
- Er werd geen DNA gevonden van de slo’s in het busje.
- Huren van het busje: het werd gehuurd door 2 VD, maar ze gaven geen reden voor het huren van het busje.
Bloedsporen werden gevonden in de meetingroom van zowel slachtoffers als andere leden conclusie: rb zegt dat
ze daar om het leven zijn gebracht (plaats delict).
Telefoontap: bewijs over een gijzeling
Het opmerkelijke is dat deze mannen (alle 14) niet hebben gepraat/niets hebben gelost. Dat is op zich opmerkelijk. Bijna
geen enkele verdachte doet dit uit de rechtspsychologie blijkt dat niemand volledig zwijgt. De constructie van het
verhaal/de feiten konden ze dus niet stoelen op een verklaring van één van de mannen.
Rb oordeelt: dat de deelnemers aan de meeting allen schuldig zijn aan het medeplegen van de doodslag op
[slachtoffer1]. De rechtbank concludeert dat [slachtoffer1] na zijn val uit het raam nog leefde, maar dat hij overleed
aan schotwonden die hij binnen heeft opgelopen. Uit getuigenverklaringen, waaronder die van [getuige5], blijkt dat hij
buiten kort leefde, waarna hij levend terug naar binnen is gebracht, vermoedelijk naar een besloten ruimte (de
"meetingroom") waar alleen de clubleden toegang hadden. Er is bewijs dat 12 van de verdachten in de meetingroom
van de club aanwezig waren (het hoort bij de mores van de club dat jij aanwezig bent). verdachten zijn
verantwoordelijk voor medeplegen, omdat zij de mogelijkheid hadden om zich te distantiëren wanneer het slachtoffer uit
het raam was gevallen (en volgens getuige nog leefde want hij tilde zijn hoofd op), maar dit hebben ze niet gedaan.
(bewuste nauwe samenwerking positieve kenmerken voor medeplegen). (je kunt weg, maar doet het niet dus je bent
verantwoordelijk voor gedragingen van anderen).
Ten aanzien van de moord op slachtoffer 2 en 3: De rechtbank vond geen bewijs dat deze twaalf mensen direct
betrokken waren bij de moorden op [slachtoffer2] en [slachtoffer3]. Hoewel ze niet ingrepen en mogelijk hielpen om de
lichamen weg te werken en sporen te wissen, wordt dit niet beschouwd als "medeplegen van doodslag." De rechtbank
stelt dat voor een veroordeling voor medeplegen meer bewijs nodig is, zoals deelname aan voorafgaande conflicten of
kennis van een dreigende escalatie, en dergelijke aanwijzingen ontbreken.
Nomads zaak - Gerechtshof Amsterdam 15-6-2007 (HB)
Hof oordeelt: alle 15 vrijgesproken. Adhv welk bewijs: aanvullend onderzoek ahv autopsie leiden ze af dat slo 1 niet
naar beneden kon zijn gevallen en daarom was er ook geen mogelijkheid dat VD zich konden distantiëren. Zo kan
medeplegen niet bewezen worden, omdat ze zich niet konden distantiëren. Ahv omgevingsbewijs kan je de conclusie
trekken dat iedereen daar was. Het hof weet echter niet zeker of de slo’s zijn omgebracht in de meetingroom omdat er
geen bewijs is. Je weet dus niet wie de trigger heeft overgehaald en wie zich evt. hadden kunnen distantiëren.
DUS Feitenvaststelling is op basis van hetzelfde materiaal compleet anders bij het hof dan bij de rechtbank!!
Het bewijsprobleem ziet vooral op het subjectieve je weet hier het subjectieve en het objectieve niet van niemand
heeft iets gehoord of gezien.
Poging verkrachting volkstuin - Rb Amsterdam 8-2-2018
Feiten: Slachtoffer wordt in een volkstuincomplex aangevallen. Verdachte zou zijn Daarbij zou verdachte zijn penis uit
zijn broek hebben gehaald, mevrouw [persoon] op de grond hebben geduwd, haar hebben geschopt, aan haar kleding
hebben getrokken en hebben gezegd: Pijpen, pijpen.
DNA sporen zijn geanalyseerd er werd DNA aangetroffen op het vest van de vrouw (niet bijv. de vagina) de aard
van het DNA roept vragen op (omdat het geen gewone DNA-match is, een kleinere kans, iemand uit de mannelijk lijn).
Bewijs in strafzaken - Week 1 - Waarheidsvinding in strafzaken
VRAGEN
Strafrechtelijke waarheidsvinding
● Overtuiging vd rechter is cruciaal voor een positieve bewijsbeslissing
o art 338 Sv en 'in dubio pro reo'
● Beïnvloed door eisen wettige bewijsmiddelen en bescherming vd rechten vd VD
● Objectiviteitsbeginsel vereist dat opsporing gericht is op zowel belastend als ontlastend bewijs.
● Op zoek naar de materiële waarheid, maar beperkt door tll, want de waarheidsvinding ziet op de
tll. Rechter
o kijkt of de tll bewezen kan worden en heeft hierbij een actieve houding.
● Reconstrueren van gebeurtenissen uit het verleden
Materiële waarheid
● = wat is de historische werkelijkheid? / de waarheid zoals het écht is gebeurd
● Tenlastelegging moet bewezen worden (dus is geen absolute waarheid)
● Rechter moet overtuigd zijn, hoeft niet 100% zeker te weten
● Beperkingen:
○Rechter is gebonden aan tll (wijst dus ook op formele waarheid)
○ Ovj stelt tll op
○ Rechten (cautie, verschoningsrecht)
○ Capaciteitstekort
Formele waarheid
● = zoals partijen ermee akkoord gaan / wh die voor beide partijen acceptabel is / wh waarmee partijen het
eens zijn geworden / gebaseerd op de f&o die partijen voor waar houden
● Kan dus (ver) van absolute waarheid afwijken
● Vooral bij civiele zaken: in welke versie vd partijen gaat de rechter mee?
Onderscheid waarheidsvinding in het strafrecht en waarheidsvinding in civiel- en bestuursrecht
● Sr: onderdelen tll die niet worden betwist mogen niet zonder meer voor juist worden gehouden; ook hun
juistheid dient te worden bewezen.
0 Civielrecht: meer formeel karakter → wat partijen aanvoeren als feiten moet worden geacht als waar indien
het niet wordt betwist
● Sr: de mate van zekerheid die vereist is, is over het algemeen hoger dan in civielrecht
0 Civielrecht: standpunten strijdende partijen en aangevoerde bewijzen tegen elkaar afgewogen, zodat
een preponderance of evidence de doorslag geeft.
● Sr: bewijslast wordt niet verdeeld, bij civielrecht wel.
● Bestuursrecht: er is niet echt waarheidsvinding en rechter is niet steeds de beslissende instantie
(verschillende organen)
Verschillende soorten bewijsstelsels
● Wettelijk bewijsstelsel
○De rechter is gebonden aan in de wet verankerde bewijsregels
■ Positief-wettelijk bewijsstelsel
■ Negatief-wettelijkbewijsstelsel
● Vrij bewijsstelsel
, lOMoARcPSD|9344494
○ Beoordeling vd waarde vh bewijs wordt aan de beoordeling rechter overgelaten, is dus niet in de wet
verankerd
○ Stelsel der conviction intime: rechter hoeft er alleen persoonlijk (subjectief) van overtuigd te zijn dat het
bewijs wel/niet voldoende is, en hoeft dit oordeel niet te motiveren.
■ Persoonlijke / innerlijke overtuiging
■ Juryrechtspraak
○ Stelsel der conviction raisonnée: rechter moet obv algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en
ervaringsfeiten (objectief) overtuigd zijn dat het bewijs wel/niet voldoende is, en motiveert dit in het
vonnis
■ Redelijke / beredeneerde overtuiging
■Waarneming rechter moet wel ter terechtzitting plaatsvinden
Kenmerken negatief-wettelijk bewijsstelsel NEDERLAND
● Norm dat ook bij voldoende wettig bewijs de rechter niet verplicht is te oordelen
0 In dubio pro reo: bij twijfel geen veroordeling
● Er wordt een minimumeis aan het bewijs gesteld, maar rechter kan niet tot bewezenverklaring tlg feit
komen als hij niet de overtuiging heeft gekregen dat dit tlg feit door de VD is begaan.
0 Dus ook bij voldoende wettig bewijs is de rechter niet verplicht om te oordelen.
● Geen bewijslast voor VD; limitatieve opsomming van wettige bewijsmiddelen zonder dwingende
bewijskracht
Kenmerken positief-wettelijk bewijsstelsel
● Limitatief en sluitend systeem van bewijsregels dat automatisch leidt tot een wel of niet bewezenverklaring.
● Het aantal aan te voeren bewijzen is limitatief in de wet opgesomd.
○En de rechter moet tot een bewezenverklaring komen bij een bepaalde hoeveelheid bewijsmiddelen.
● Rechterlijke overtuiging is niet nodig.
Kenmerken NLse bewijsstelsel
● Negatief-wettelijk bewijsstelsel NL, art 338 Sv → zowel wettig bewijs als overtuiging
0 Rechter hoeft niet tot bewezenverklaring te komen als er voldoende als wettig te kwalificeren bewijs
voorhanden is
● Kenmerken:
0 Rechter overtuigt van schuld, zo niet vrijspraak
○ Wettige bewijsmiddelen: art. 339 Sv
o Minimum aan bewijs: art. 342 lid 2 Sv
○Bij bewezenverklaring moet het gaan om de vraag of de VD het tlg feit heeft begaan – 1e vraag art. 350 Sv
○Overtuiging rechter moet voortkomen uit het ott (bewijsmiddelen ter tz bekendmaken)
Wie zijn betrokken bij de bewijsbeslissing in NLse strafzaken?
● Rechter (oordelen, (subjectieve) overtuiging) OvJ (bepaalt inzet en tll), VD, benadeelde partij / slo, getuige,
deskundige, politie, ook indirect: reclassering, tolk
Hoe zeker moet je zijn?
● Wettige bewijsmiddelen en rechterlijke overtuiging nodig
● Definitie: geen vaste definitie, discussie in literatuur
● Welke sprong moet de rechter als laatste maken: van een zekerheidsoordeel (hoe waarschijnlijk is het dat
iemand iets heeft gedaan), naar een ja of nee (bewezenverklaring of niet)
0 De rechter moet iets bepalen
● Buiten redelijke twijfel ziet op het zekerheidsoordeel vd rechter, die wordt gebaseerd op de wettige
bewijsmiddelen en de rechterlijke overtuiging komt bovenop het zekerheidsoordeel
0 Rechterlijke overtuiging een louter subjectief oordeel? → nee, ook de rechter moet zich uitleggen
, lOMoARcPSD|9344494
○Sprongetjes rechter: subjectief karakter; bewijsrecht wordt beheerst door objectiviteitsbeginsel
○ Het is de combinatie van redelijkheidsoordeel en subjectieve elementen die in het sr wordt aangeduid
als ‘rechterlijke overtuiging’.
○ Invloed: strafblad en spreekrecht slo
● Zie rechtspraak vrijspraak verkrachting en poging verkrachting volkstuin
DNA
Het vinden van DNA op een bepaalde locatie betekent niet automatisch dat de betrokkene het DNA
daar zelf heeft achtergelaten.
Belastend DNA-materiaal: Het ene DNA-materiaal weegt zwaarder dan het andere als bewijs
(bijvoorbeeld bloed is vaak belastender dan haren).
Soorten DNA als Bewijs: bloed, speeksel, haren, huid, sperma Doel: Bewijs moet helpen de
waarheid te achterhalen en aantonen wat daadwerkelijk is gebeurd.
Bewijs
TLL: In de tenlastelegging wordt vastgelegd wat bewezen moet worden om een delict aan te tonen.
Bewijsstandaard:
Wettelijk bewijs (wettig) = dat je voor elke element van het SF voldoende bewijs hebt &
Rechterlijke overtuiging (overtuigend)
o De rechter moet overtuigd zijn dat het bewijs sterker is dan eventuele contra-
indicaties (tegenargumenten) om tot een bewezenverklaring te komen.
o Wanneer er redelijke twijfel bestaat, volgt vrijspraak; 100% zekerheid over de
waarheid is vaak moeilijk te bereiken.
Nodig om tot een bewezenverklaring te komen art. 338 Sv.
Soorten Bewijs (art. 339 Sv)
Schriftelijke bescheiden (bijna alles kan hieronder vallen) vb. getuigenverklaring, getuige =
iemand die iets heeft waargenomen/ondervonden en daarover verklaart. (als dat in verband
staat met het SF zal moeten worden onderzocht).
Eigen waarneming van de rechter (Waarnemingen door de rechter tijdens de zitting, die
kunnen dienen als aanvulling of link naar andere bewijsmiddelen.)
Negatief bewijs: De afwezigheid van kenmerken (vb. letsel) dat een val heeft plaatsgevonden, sluit niet
uit dat de persoon daadwerkelijk niet gevallen is. (negatief bewijs) de afwezigheid van iets, zegt niet
dat iets niet gebeurd is!
Beoordeling van bewijs: altijd de kernvragen afgaan! Wie, Wat, Waar, Wanneer (feiten moeten elk van
het ten laste gelegde kunnen bewijzen). STAP VOOR STAP eerst feiten onderzoek en daarna pas
verbanden leggen, niet meteen concluderen!
Rechtspraak
Nomads zaak - Rechtbank Amsterdam 17-3-2005
3 van de leden van de Nomads zijn om het leven gebracht tijdens een meeting in het clubhuis. Er waren 14 leden
aanwezig.
(Bewijs)verweren:
Betreffende het clubhuis (plaats delict): het was een net gerenoveerde clubhuis, na de feiten waren de vloer en
muren opnieuw volledig gestript (dit zijn enkel feiten) geen bewijs te vinden.
Getuige verklaarde dat de persoon die uit het raam viel van het clubhuis van Nomads (witte bovenkleding) erna zijn
hoofd optilde getuige trok de conclusie dat het persoon dus niet dood was op dat moment.
Lichamen: NFI keek naar de openingen in het lichamen (bovenlichaam en het hoofd) en de wondranden ze
hadden het schotenpatroon (vuurwapenexpert) onderzocht + waar de (3 verschillende soorten) kogels terecht zijn
, lOMoARcPSD|9344494
gekomen en of dat zou kunnen leiden tot de dood. Ze zeggen iets over het verband tussen de kogel en het
overlijden (je moet nml bewijzen dat de handeling van de VD heeft geleid tot de dood). Conclusie: slo’s zijn door het
vuurwapen om het leven gekomen.
Getuige had een busje gezien:
- Het grondmateriaal in de banden was hetzelfde materiaal als de grond waar de plaats waar de slo’s waren
gevonden.
- Er waren bandensporen bij leendenbeek gevonden waar de lichamen zijn achtergelaten.
- Er werd geen DNA gevonden van de slo’s in het busje.
- Huren van het busje: het werd gehuurd door 2 VD, maar ze gaven geen reden voor het huren van het busje.
Bloedsporen werden gevonden in de meetingroom van zowel slachtoffers als andere leden conclusie: rb zegt dat
ze daar om het leven zijn gebracht (plaats delict).
Telefoontap: bewijs over een gijzeling
Het opmerkelijke is dat deze mannen (alle 14) niet hebben gepraat/niets hebben gelost. Dat is op zich opmerkelijk. Bijna
geen enkele verdachte doet dit uit de rechtspsychologie blijkt dat niemand volledig zwijgt. De constructie van het
verhaal/de feiten konden ze dus niet stoelen op een verklaring van één van de mannen.
Rb oordeelt: dat de deelnemers aan de meeting allen schuldig zijn aan het medeplegen van de doodslag op
[slachtoffer1]. De rechtbank concludeert dat [slachtoffer1] na zijn val uit het raam nog leefde, maar dat hij overleed
aan schotwonden die hij binnen heeft opgelopen. Uit getuigenverklaringen, waaronder die van [getuige5], blijkt dat hij
buiten kort leefde, waarna hij levend terug naar binnen is gebracht, vermoedelijk naar een besloten ruimte (de
"meetingroom") waar alleen de clubleden toegang hadden. Er is bewijs dat 12 van de verdachten in de meetingroom
van de club aanwezig waren (het hoort bij de mores van de club dat jij aanwezig bent). verdachten zijn
verantwoordelijk voor medeplegen, omdat zij de mogelijkheid hadden om zich te distantiëren wanneer het slachtoffer uit
het raam was gevallen (en volgens getuige nog leefde want hij tilde zijn hoofd op), maar dit hebben ze niet gedaan.
(bewuste nauwe samenwerking positieve kenmerken voor medeplegen). (je kunt weg, maar doet het niet dus je bent
verantwoordelijk voor gedragingen van anderen).
Ten aanzien van de moord op slachtoffer 2 en 3: De rechtbank vond geen bewijs dat deze twaalf mensen direct
betrokken waren bij de moorden op [slachtoffer2] en [slachtoffer3]. Hoewel ze niet ingrepen en mogelijk hielpen om de
lichamen weg te werken en sporen te wissen, wordt dit niet beschouwd als "medeplegen van doodslag." De rechtbank
stelt dat voor een veroordeling voor medeplegen meer bewijs nodig is, zoals deelname aan voorafgaande conflicten of
kennis van een dreigende escalatie, en dergelijke aanwijzingen ontbreken.
Nomads zaak - Gerechtshof Amsterdam 15-6-2007 (HB)
Hof oordeelt: alle 15 vrijgesproken. Adhv welk bewijs: aanvullend onderzoek ahv autopsie leiden ze af dat slo 1 niet
naar beneden kon zijn gevallen en daarom was er ook geen mogelijkheid dat VD zich konden distantiëren. Zo kan
medeplegen niet bewezen worden, omdat ze zich niet konden distantiëren. Ahv omgevingsbewijs kan je de conclusie
trekken dat iedereen daar was. Het hof weet echter niet zeker of de slo’s zijn omgebracht in de meetingroom omdat er
geen bewijs is. Je weet dus niet wie de trigger heeft overgehaald en wie zich evt. hadden kunnen distantiëren.
DUS Feitenvaststelling is op basis van hetzelfde materiaal compleet anders bij het hof dan bij de rechtbank!!
Het bewijsprobleem ziet vooral op het subjectieve je weet hier het subjectieve en het objectieve niet van niemand
heeft iets gehoord of gezien.
Poging verkrachting volkstuin - Rb Amsterdam 8-2-2018
Feiten: Slachtoffer wordt in een volkstuincomplex aangevallen. Verdachte zou zijn Daarbij zou verdachte zijn penis uit
zijn broek hebben gehaald, mevrouw [persoon] op de grond hebben geduwd, haar hebben geschopt, aan haar kleding
hebben getrokken en hebben gezegd: Pijpen, pijpen.
DNA sporen zijn geanalyseerd er werd DNA aangetroffen op het vest van de vrouw (niet bijv. de vagina) de aard
van het DNA roept vragen op (omdat het geen gewone DNA-match is, een kleinere kans, iemand uit de mannelijk lijn).