Week 1a: inleiding
Het internationaal recht vormt een eigen rechtssysteem dat in historisch opzicht voortkomt uit de
noodzaak afspraken tussen staten te maken. In de huidige tijd representeert het internationaal recht
echter niet alleen statelijke belangen, maar fungeert het meer en meer als een rechtssysteem dat de
gehele mensheid aangaat. De mensheid staat voor grote problemen en uitdagingen, maar waarvoor het
bestaande internationaal recht veelal niet voldoende is toegerust om deze het hoofd te bieden. Er
bestaat een spanningsveld tussen enerzijds het bestaande recht en de bestaande juridische
infrastructuur als interstatelijk recht en anderzijds de grensoverschrijdende problemen die tot
verdergaande samenwerking en coördinatie nopen.
Dit eerste college zal een schets bieden van enige historische ontwikkelingen; de belangrijkste
verschillen tussen de internationaalrechtelijke ordening en de rechtsordes van staten; de waarden,
doelen en aard van het internationaal recht; en een aantal fundamentele ontwikkelingen die in de
20e eeuw hebben plaatsgevonden (internationale vrede en veiligheid, dekolonisatie en zelfbeschikking,
mensenrechten, internationaal strafrecht, internationaal milieurecht); en de wijze waarop het
internationaal recht in toenemende mate gemeenschapsbelangen dient middels de concepten van jus
cogens en verplichtingen erga omnes.
Documenten
Art. 2(4), 39, 41-42, 51 Charter of the United Nations (1945), EIR 123 [149];
Art. 53, 64 Vienna Convention on the Law of Treaties (1969), EIR 156 [182];
Art. 26, 40-41, 48, 54 Articles on the Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts
(ARSIWA) (2001), EIR 169 [195].
Zaken
ICJ, Barcelona Traction, Light and Power Company, Limited, Judgment, ICJ Reports 1970,
paras. 33-34.
Verplichtingen erga omnes
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen verplichtingen van een staat jegens de internationale
gemeenschap als geheel en die welke voortvloeien uit verplichtingen jegens een andere staat op het
gebied van diplomatieke bescherming. De eerste zijn van nature een zaak van alle staten, gezien het
belang van de betrokken rechten kan worden aangenomen dat alle staten een juridisch belang hebben
bij de bescherming hiervan = verplichtingen erga omnes.
Zulke verplichtingen vloeien voort uit het hedendaagse internationaal recht en zijn bijvoorbeeld het
verbod van genocide, bescherming van slavernij en rassendiscriminatie.
Vragen
1. Wat wordt bedoeld met de soevereiniteit van staten?
Wanneer een staat binnen zijn grondgebied het hoogste gezag voert. Dit kan intern en extern. Dus het
exclusieve gezag dat een staat toekomt ten aanzien van zijn grondgebied en de daar levende bevolking.
2. Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de internationaalrechtelijke ordening en de
nationale rechtsordes van staten?
Internationaalrechtelijke ordening:
Staten claimen allemaal soeverein te zijn, aangezien er allemaal geen hoger gezag is boven hun =
horizontale relatie.
Regels van nationaal recht zijn niet van toepassing op andere staten/internationaal niveau.
Staten zijn rechtssubjecten en onderworpen aan het internationaal recht dat door de staten zelf
wordt gemaakt.
Nationale rechtsordes:
, Burgers onderworpen aan de staat, hierbij is er vaak een centraal gezag = verticale gezagsrelatie.
Regels van internationaal recht kunnen wel van toepassing zijn op nationaal niveau.
In het nationale recht maakt het parlement het recht en zijn de burgers daaraan onderworpen.
3. Wat zijn belangrijke ontwikkelingen waardoor het karakter van het internationaal
publiekrecht in de 20e eeuw grote veranderingen onderging?
1. Twee wereldoorlogen, hierna kwam een periode van vrede en veiligheid. Hierbij is de VN in het
leven geroepen, die een geweldsmonopolie kregen met uitzondering van het recht op
zelfverdediging. Ook aanvaarde de VN het beginsel van zelfbeschikking als rechtsbeginsel in het
Handvest.
2. De internationale rechtsorde is ook veranderd door de opkomst van andere actoren als:
a. De opkomst van bovennationale organisaties (bijv. VN/EU)
b. Niet-statelijke instituties zoals onderneming (die een rol spelen in het realiseren van al dan
niet bovennationale belangen, bijvoorbeeld stabiel internationaal financieel systeem en
duurzame ontwikkeling).
Verenigde Naties: is een
wereldwijde diplomatieke en 4. Op welke wijze worden gemeenschapsbelangen tot uiting
politieke organisatie die zich gebracht in het verdragenrecht en de
inzet voor nationale vrede en staatsaansprakelijkheid?
stabiliteit. Internationaal Verdragenrecht is het recht dat betrekking heeft op de vorming,
Zelfbeschikking:
Gerechtshof is eenop basis
instelling toepassing, interpretatie en beëindig van verdragen tussen staten en
van zelfbeschikking
hiervan. Vrijwel ieder kan internationale organisaties.
ieder volk zijnerkend,
internationaal politieke, Verdragen van collectief belang -> richting zich op
sociale, economische en
onafhankelijk land is lid. bescherming van publieke belangen (bijv. mensenrechten).
culturele toekomst bepalen. Erga omnes-verplichtingen -> verplichtingen die staten in
richting van de gemeenschap van staten als geheel hebben, de
bepalingen zijn overal en voor iedereen geldig. Erkend in het Barcelona Traction arrest.
Ius cogens-normen -> regels die door alle staten aanvaard worden en voor de internationale
gemeenschap van fundamenteel belang zijn. Hiervan is geen afwijking toegestaan. Wordt geacht
universeel te zijn en bindend voor alle staten.
Staatsaansprakelijkheid bepaalt wanneer een hoe een staat aansprakelijk kan worden gesteld voor
schendingen van het internationaal recht.
Schending van erga omnes-verplichtingen -> als een erga omnes-verplichting wordt geschonden
kan iedere staat, zelfs als die geen directe schade heeft geleden, de schending aan de orde stellen.
Bevestigd in de Articles on Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts (ARISWA)
(week 5a).
Voor ius cogens hoeven
staten geen toestemming te Week 1b: staten, staatskarakter, erkenning, zelfbeschikking van
geven, ze zijn altijd volkeren
gebonden. Bijvoorbeeld In dit college staan de vragen centraal staan wanneer een gebied als
verbod op genocide, staat kan worden aangemerkt en wat de rechten van volken zijn om
slavernij en foltering. een staat te vormen. Weliswaar heeft het internationaal recht zich
Hieraan is elke staat verbreed met de regulering van activiteiten van nieuwe subjecten en
gebonden, ongeacht de actoren, maar staten blijven de dominante actor waar het de
toestemming. Kan niet regelgeving, toepassing en handhaving van dat recht betreft.
genegeerd worden of van Vandaar dat de criteria voor de vorming van een staat, zoals
worden weergegeven in artikel 1 van de Montevideo Convention, van
afgeweken/gewijzigd door eminent belang blijven om te beoordelen of en wanneer een staat in
verdragen of gewoonterecht. het leven is geroepen. Naast deze criteria zijn ook een tweetal
theorieën inzake de erkenning van een bepaalde entiteit als staat
Erga omnes zijn door andere staten van belang bij een dergelijke beoordeling.
verplichtingen die staten
hebben tegenover de
internationale gemeenschap
in het geheel. Deze
verplichtingen zijn zo
fundamenteel dat elke staat
,Eén van de belangrijkste ontwikkelingen in de 20e eeuw is de erkenning van het recht op
zelfbeschikking van volkeren. Alhoewel dit recht al werd besproken voor de Tweede Wereldoorlog,
kwam het pas tot wasdom als gevolg van de bevrijdingsoorlogen en dekolonisatie na die oorlog (denk
aan de 'Politionele' Acties). Tegenwoordig wordt veelal een onderscheid gemaakt tussen interne
zelfbeschikking (politieke participatie binnen de staat) en externe zelfbeschikking (de optie om te
kiezen voor onafhankelijkheid). Terwijl externe zelfbeschikking breed erkend wordt voor koloniale
volkeren (die leven in 'niet-zelfbesturende gebieden'), is er veel onduidelijkheid of dit ook zo is voor
andere volkeren die leven binnen een staat. Er wordt wel bepleit dat eenzijdige afscheiding
gerechtvaardigd is wanneer het recht op interne zelfbeschikking van een volk wordt geschonden
('remedial secession'), maar of een regel in deze zin bestaat is omstreden.
Documenten
Art. 1-3, 6-7 (Montevideo) Convention on Fundamental Duties and Rights of States (1933), EIR
122 [148];
Art. 1, 2(1), 23, 27, 55-56, 73, 76 Charter of the United Nations (1945), EIR 123 [149];
GA Resolutions 1514, 1541 (1960), 2625 (The principle of equal rights and self-determination of
peoples) (1970), 61/295 (2007), EIR 139 [165], 139 [165], 146 [172], 142 [168];
Art. 1 and 25 International Covenant on Civil and Political Rights (1966), EIR 231 [257].
Art. 1(4) Additional Protocol I (1977) to the Geneva Conventions, EIR 463 [493].
Zaken
Supreme Court Canada, Reference re Secession Quebec (1998), paras. 109-146.
Recht op externe zelfbeschikking
In 1998 vroeg de Canadese federale regering het Hooggerechtshof van Canada om advies over de
grondwettelijke en juridische implicaties van een eventuele eenzijdige afscheiding van de provincie
Quebec van Canada. De provincie Quebec had herhaaldelijk referenda gehouden over
onafhankelijkheid, waarbij de laatste in 1995 bijna leidde tot afscheiding. Het centrale vraagstuk was
of Quebec het recht had om zich eenzijdig af te scheiden van Canada.
Het internationaal recht op zelfbeschikking genereert hoogstens een recht op externe zelfbeschikking
in uitzonderlijke situaties: koloniale situatie, waar een volk wordt onderdrukt en daar waar een
definieerbare groep betekenisvolle toegang tot de overheid wordt ontzegd om hun politieke,
economische, sociale en culturele ontwikkeling na te streven. In deze situaties is hun mogelijk ontzegd
om het interne zelfbeschikkingsrecht uit te voeren.
Voor Quebec stelt het Hof dat er geen sprake is van een koloniale context, buitenlandse bezetting of
onderwerping, en dat de inwoners van Quebec hun recht op zelfbeschikking binnen Canada kunnen
uitoefenen. Daarom geeft het internationaal recht Quebec geen recht op eenzijdige afscheiding.
ICJ, Accordance with International Law of the Unilateral Declaration of Independence of
Kosovo, ICJ Reports 2010, paras. 79, 80, 84, EIR 754 [785].
Eenzijdige onafhankelijkheid verklaring
In 2008 verklaarde Kosovo eenzijdig zijn onafhankelijkheid van Servië. Deze actie leidde tot
controverse op internationaal niveau, en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties verzocht
het Internationaal Gerechtshof (ICJ) om advies te geven over de vraag of de eenzijdige
onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming was met het internationaal recht.
Het Hof stelt vast dat het internationaal recht in het algemeen geen verbod bevat op eenzijdige
onafhankelijkheidsverklaringen. Het Hof wijst erop dat er in de internationale praktijk talrijke gevallen
van eenzijdige onafhankelijkheidsverklaringen zijn geweest, en dat het internationaal recht daarover
geen expliciete bepalingen bevat die dergelijke handelingen categorisch verbieden. Het Hof wijst wel
op enkele specifieke situaties waarin het internationaal recht eenzijdige
onafhankelijkheidsverklaringen niet zou toestaan, zoals in de context van een illegale buitenlandse
bezetting of wanneer de onafhankelijkheidsverklaring gepaard gaat met ernstige schendingen van het
recht op zelfbeschikking.
, Het Hof komt tot de conclusie dat de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo niet in strijd is met het
internationaal recht. Het Hof benadrukt dat Kosovo's onafhankelijkheidsverklaring niet is verbonden
met een situatie van buitenlandse bezetting of andere situaties waarin het internationaal recht
onafhankelijkheidsverklaringen zou verbieden. Daarom concludeert het Hof dat de eenzijdige
onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo niet in strijd is met het internationaal recht. Het is belangrijk
op te merken dat het ICJ geen uitspraak deed over de rechtmatigheid van de staat Kosovo zelf, maar
alleen over de rechtmatigheid van de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring. Het ICJ heeft ook geen
uitspraak gedaan over de vraag of Kosovo het recht had om zich eenzijdig onafhankelijk te verklaren.
Vragen
1. Leg uit wat een staat is. Motiveer uw antwoord aan de hand van relevante
verdragsbepalingen.
Art. 1 Montevideo Verdrag:
1. Permanente bevolking
2. Gedefinieerd grondgebied
3. Regering (effectief gezag)
4. Capaciteit om betrekking aan te gaan met andere staten
2. Leg uit, aan de hand van de twee theorieën inzake erkenning van staten, wat de juridische
consequenties zijn van erkenning voor de vorming van een staat.
1. Constructieve functie: erkenning is voorwaarde voor het zijn van een staat, hierdoor is een staat
dus afhankelijk van andere staten. Er is echter geen centraal gezag die beslist of er een staat is of
niet (kan zijn dat 60 staten hebben erkend dat het een staat is, maar 50 staten niet).
2. Declaratoire functie: erkenning houdt een verklaring in dat een staat een entiteit accepteert als
staat omdat aan de voorwaarden voor een staat is voldaan. Erkenning is niet vereist om een staat te
zijn (art. 3 Montevideo Verdrag). Een staat ontstaat als is voldaan aan de Montevideo-criteria.
Nederlandse rechtspraktijk gaat uit van de declaratoire erkenning.
3. Leg uit wat de rol is van internationale organisaties, zoals de VN, bij de vorming van een
staat.
Sommige internationale organisaties stellen als voorwaarde voor het lidmaatschap dat je een staat
bent. Zodra je dus wordt toegelaten, word je door deze internationale organisatie erkend als staat.
4. Zoek in EIR op waar het zelfbeschikkingsrecht gevonden kan worden. Noem minstens vijf
(5) relevante juridische documenten.
…
Zelfbeschikking = self determination
5. Leg uit, aan de hand van relevante rechtspraak, uit welke twee dimensies het
zelfbeschikkingsrecht bestaat. Hoe hangt dit samen met het (beweerde) recht op afscheiding
van een bestaande staat?
Op grond van dit beginsel heeft een volk het recht om in vrijheid zijn eigen politieke status en
economische, sociale en culturele ontwikkeling te bepalen (art. 1 Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)).
Twee dimensies:
1. Interne dementie: binnen de grenzen van een bepaalde staat zijn eigen ontwikkeling te bepalen.
Uiting van economische, sociale en culturele rechten in een gebied.
2. Externe dementie: recht van volkeren om zich af te scheiden van een bestaande staat of om een
eigen onafhankelijke staat te vormen. Vaak ingeval van gekoloniseerde of bezette volkeren.
Samenhang: