1. Stap 1: Waarom ga je observeren (concreet maken)
Observatie doel)? (Wat is het doel)
Observatievraag (en) (hoe?)
Is het verkennend, beschrijvend of toetsend? En waarom?
Verkennend: brede open vraag over een onderwerp of vraag waar je nog weinig zicht op
hebt.
Beschrijvend: enige voorkennis. Vraag naar wat de belangrijkste kenmerken zijn van een
gedraging, persoon of situatie. Je vraag is toegespitst op een of meer delen van het gedrag of
situatie.
Toetsend:
Vergelijkend: vergelijk je situaties of gedragingen van personen op een moment of
verschillende momenten in de tijd. Hier stel je dus de vraag naar samenhangen of verschillen
tussen personen of situaties.
2 momenten in de tijd vergelijken of in 2 verschillende contexten
, Afhankelijk van hoe veel vragen, zo veel schema’s maak je
(Handelingen? (Operationaliseren)
Doel Operationalisering
2. Wie en wat?
Jet, en of ze speelgoed in haar mond doet
Stopt ze nog speelgoed in haar mond?
3. Hoe?
Niet participerend, want het is individueel en zodat je haar niet beïnvloedt. Ook zodat je
concentratie houdt.
- Geen contact maken met jet
- Kind in speelse omgeving zetten
4. Waar en wanneer?
- Alle omgevingsfactoren > lichamelijk ongerief, spelmateriaal wat sabbelaar is,
invloed andere kinderen
- Moment zoeken dat het gedrag zich zo voordoet (gelegenheid moet er zijn) (grove
motoriek bijv. bij gymles), moment dat je kiest is belangrijk voor hoe het kind zich uit
Voelen & denken: Observatie bias: voelen en begrijpen van wat je ziet, anders is het niet
betrouwbaar
- Cognitief (het eerste wat je ziet, onthoud je, het brein) en emotioneel (emoties,
voorkennis)
- Automatische strategieën van het brein
- Nadelig effect op de objectiviteit (betrouwbaarheid) van je observatie
- Wees bewust
Doel
De agressie van de kleuters in kaart brengen
Vraag
beschrijvend: Is er agressie bij de kleutergroep?
Handeling
- Kind slaat ander kind
- Kind bijt ander kind
- Kind duwt ander kind
- Kind krabt ander kind
Observatie doel)? (Wat is het doel)
Observatievraag (en) (hoe?)
Is het verkennend, beschrijvend of toetsend? En waarom?
Verkennend: brede open vraag over een onderwerp of vraag waar je nog weinig zicht op
hebt.
Beschrijvend: enige voorkennis. Vraag naar wat de belangrijkste kenmerken zijn van een
gedraging, persoon of situatie. Je vraag is toegespitst op een of meer delen van het gedrag of
situatie.
Toetsend:
Vergelijkend: vergelijk je situaties of gedragingen van personen op een moment of
verschillende momenten in de tijd. Hier stel je dus de vraag naar samenhangen of verschillen
tussen personen of situaties.
2 momenten in de tijd vergelijken of in 2 verschillende contexten
, Afhankelijk van hoe veel vragen, zo veel schema’s maak je
(Handelingen? (Operationaliseren)
Doel Operationalisering
2. Wie en wat?
Jet, en of ze speelgoed in haar mond doet
Stopt ze nog speelgoed in haar mond?
3. Hoe?
Niet participerend, want het is individueel en zodat je haar niet beïnvloedt. Ook zodat je
concentratie houdt.
- Geen contact maken met jet
- Kind in speelse omgeving zetten
4. Waar en wanneer?
- Alle omgevingsfactoren > lichamelijk ongerief, spelmateriaal wat sabbelaar is,
invloed andere kinderen
- Moment zoeken dat het gedrag zich zo voordoet (gelegenheid moet er zijn) (grove
motoriek bijv. bij gymles), moment dat je kiest is belangrijk voor hoe het kind zich uit
Voelen & denken: Observatie bias: voelen en begrijpen van wat je ziet, anders is het niet
betrouwbaar
- Cognitief (het eerste wat je ziet, onthoud je, het brein) en emotioneel (emoties,
voorkennis)
- Automatische strategieën van het brein
- Nadelig effect op de objectiviteit (betrouwbaarheid) van je observatie
- Wees bewust
Doel
De agressie van de kleuters in kaart brengen
Vraag
beschrijvend: Is er agressie bij de kleutergroep?
Handeling
- Kind slaat ander kind
- Kind bijt ander kind
- Kind duwt ander kind
- Kind krabt ander kind