Samenvatting van het boek: voeding
Hoofdstuk 17: meten en bereken van het energiegebruik
Energie is nodig voor alle processen in het lichaam, zowel voor bewegen, groei, herstel
als op temperatuur blijven.
• Determinanten van het energiegebruik
Energiegebruik wordt grofweg bepaald door het rustmetabolisme, de energie die
nodig is voor verterings- en metabole processen in het lichaam en door
lichamelijke activiteit.
• Rustmetabolisme/ Basaalmetabolisme
= Energiegebruik van personen in rust.
Nodig voor de basale levensprocessen zoals ademen en op temperatuur blijven
in rust, liggend bij een thermoneutrale omgevingstemperatuur met een lege
maag.
Het basaalmetabolisme zorgt voor grofweg ⅔ van het dagelijkse energiegebruik.
• Dieet geïnduceerde thermogenese (DIT)
Staat voor het thermogene effect.
Na een maaltijd stijgt het energiegebruik door de energie die nodig is voor de
verteringsprocessen en door een toename van metabole processen (bijv.
glycogenese en lipogenese).
Dit is gemiddeld ongeveer een tiende van het totale energiegebruik.
→ Activiteit
De energie die wordt besteed aan activiteit varieert sterk tussen personen en ook binnen
personen, want hoeveel energie er wordt gebruikt is sterk afhankelijk van de mate van
fysieke activiteit.
→ Energiegebruik door activiteit
Dit wordt gemeten met metabolic equivalent of task (MET).
• 1 MET staat gelijk aan het rustmetabolisme.
• Een MET-waarde kan toenemen afhankelijk van een specifieke beweging.
• Voor lichamelijke activiteiten varieert de MET-waarde:
o 0,9 MET → tijdens slaap
o 18 MET → bij zeer zware inspanning
Het aantal MET’s per 24 uur wordt uitgedrukt als de PAL-factor (Physical Activity Level).
→ Ziekte, herstel en groei
Ziekte leidt tot een verhoogde energiebehoefte door verschillende factoren:
• Interleukinen
• Prostaglandinen
• Tumornecrosefactor (TNF)
Deze factoren kunnen leiden tot hypermetabolisme als onderdeel van een
systemische inflammatoire respons.
• Met name interleukinen en andere factoren verhogen de lichaamstemperatuur en
energiegebruik via hun effect op de hypothalamus.
, • Het energiegebruik neemt met circa 10% toe per graad stijging van de
lichaamstemperatuur.
→ Lichaamssamenstelling
Energiegebruik is afhankelijk van de grootte en samenstelling van het lichaam.
• Er is een significant verschil in energiegebruik tussen weefsels.
o Wit vetweefsel → laag energiegebruik (10%).
o Andere weefsels → hoger energiegebruik.
De berekening van energiegebruik is vaak gebaseerd op gewicht, maar dat geeft niet
altijd een accuraat beeld.
→ Schattingen van het energiegebruik
Schatting van het rustmetabolisme
• Metingen van energiebehoefte via indirecte calorimetrie zijn nauwkeuriger.
• WHO (1985) gebruikt gewicht, lengte en leeftijd om energiebehoefte te
voorspellen.
• Voor obese patiënten is de Harris-Benedict formule vaak de beste keuze.
Schatting van de activiteit
• Gebaseerd op het compendium of physical activity.
• Hoe actiever een persoon is, hoe hoger de PAL-waarde.
→ Toeslagen voor activiteit (PAL-waarde)
Activiteitsniveau PAL-waarde
Inactief (bedlegerig) 1.4
Zittend of licht actief 1.4 - 1.7
Gemiddeld actief 1.7 - 2.0
Zeer actief 2.0 - 2.4
→ Van geschat rustmetabolisme naar geschat lokaal energiegebruik
Voor het omrekenen van rustmetabolisme naar totale energiebehoefte worden
toeslagen gebruikt.
→ 2 methodes
1. Algemeen
o Voor de meeste klinische patiënten wordt een toeslag van 50%
gehanteerd (factor 1.5).
o Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen ziekte- en activiteitentoelslag,
maar bij ernstigere ziekte neemt activiteit af.
2. Specifiek
o Voor verschillende ziektebeelden zijn specifieke toeslagen beschikbaar.
o Maximaal 50% toeslag, om overbelasting van berekeningen te
voorkomen.
→ Meten van het energiegebruik
(In)directe calorimetrie en de tweevoudig gemerkte watertechniek
Er zijn drie fundamenteel verschillende methoden:
1. Meten van de warmteafgifte via directe calorimetrie.
Hoofdstuk 17: meten en bereken van het energiegebruik
Energie is nodig voor alle processen in het lichaam, zowel voor bewegen, groei, herstel
als op temperatuur blijven.
• Determinanten van het energiegebruik
Energiegebruik wordt grofweg bepaald door het rustmetabolisme, de energie die
nodig is voor verterings- en metabole processen in het lichaam en door
lichamelijke activiteit.
• Rustmetabolisme/ Basaalmetabolisme
= Energiegebruik van personen in rust.
Nodig voor de basale levensprocessen zoals ademen en op temperatuur blijven
in rust, liggend bij een thermoneutrale omgevingstemperatuur met een lege
maag.
Het basaalmetabolisme zorgt voor grofweg ⅔ van het dagelijkse energiegebruik.
• Dieet geïnduceerde thermogenese (DIT)
Staat voor het thermogene effect.
Na een maaltijd stijgt het energiegebruik door de energie die nodig is voor de
verteringsprocessen en door een toename van metabole processen (bijv.
glycogenese en lipogenese).
Dit is gemiddeld ongeveer een tiende van het totale energiegebruik.
→ Activiteit
De energie die wordt besteed aan activiteit varieert sterk tussen personen en ook binnen
personen, want hoeveel energie er wordt gebruikt is sterk afhankelijk van de mate van
fysieke activiteit.
→ Energiegebruik door activiteit
Dit wordt gemeten met metabolic equivalent of task (MET).
• 1 MET staat gelijk aan het rustmetabolisme.
• Een MET-waarde kan toenemen afhankelijk van een specifieke beweging.
• Voor lichamelijke activiteiten varieert de MET-waarde:
o 0,9 MET → tijdens slaap
o 18 MET → bij zeer zware inspanning
Het aantal MET’s per 24 uur wordt uitgedrukt als de PAL-factor (Physical Activity Level).
→ Ziekte, herstel en groei
Ziekte leidt tot een verhoogde energiebehoefte door verschillende factoren:
• Interleukinen
• Prostaglandinen
• Tumornecrosefactor (TNF)
Deze factoren kunnen leiden tot hypermetabolisme als onderdeel van een
systemische inflammatoire respons.
• Met name interleukinen en andere factoren verhogen de lichaamstemperatuur en
energiegebruik via hun effect op de hypothalamus.
, • Het energiegebruik neemt met circa 10% toe per graad stijging van de
lichaamstemperatuur.
→ Lichaamssamenstelling
Energiegebruik is afhankelijk van de grootte en samenstelling van het lichaam.
• Er is een significant verschil in energiegebruik tussen weefsels.
o Wit vetweefsel → laag energiegebruik (10%).
o Andere weefsels → hoger energiegebruik.
De berekening van energiegebruik is vaak gebaseerd op gewicht, maar dat geeft niet
altijd een accuraat beeld.
→ Schattingen van het energiegebruik
Schatting van het rustmetabolisme
• Metingen van energiebehoefte via indirecte calorimetrie zijn nauwkeuriger.
• WHO (1985) gebruikt gewicht, lengte en leeftijd om energiebehoefte te
voorspellen.
• Voor obese patiënten is de Harris-Benedict formule vaak de beste keuze.
Schatting van de activiteit
• Gebaseerd op het compendium of physical activity.
• Hoe actiever een persoon is, hoe hoger de PAL-waarde.
→ Toeslagen voor activiteit (PAL-waarde)
Activiteitsniveau PAL-waarde
Inactief (bedlegerig) 1.4
Zittend of licht actief 1.4 - 1.7
Gemiddeld actief 1.7 - 2.0
Zeer actief 2.0 - 2.4
→ Van geschat rustmetabolisme naar geschat lokaal energiegebruik
Voor het omrekenen van rustmetabolisme naar totale energiebehoefte worden
toeslagen gebruikt.
→ 2 methodes
1. Algemeen
o Voor de meeste klinische patiënten wordt een toeslag van 50%
gehanteerd (factor 1.5).
o Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen ziekte- en activiteitentoelslag,
maar bij ernstigere ziekte neemt activiteit af.
2. Specifiek
o Voor verschillende ziektebeelden zijn specifieke toeslagen beschikbaar.
o Maximaal 50% toeslag, om overbelasting van berekeningen te
voorkomen.
→ Meten van het energiegebruik
(In)directe calorimetrie en de tweevoudig gemerkte watertechniek
Er zijn drie fundamenteel verschillende methoden:
1. Meten van de warmteafgifte via directe calorimetrie.