SAMENVATTING WEEK 4
DIAGNOSTIEK VAN MOREEL FUNCTIONEREN
VAN VUGT ET AL. (2012). ASSESSMENTOF MORAL JUDGEMENT AND EMPATHY IN YOUNG SEX
OFFENDERS: A COMPARISON OF CLINICAL JUDGEMENT AND TEST RESULTS.
SAMENVATTING
Inleiding Professionele besluitvorming in de forensische klinische praktijk kan levenslange gevolgen hebben voor overtreders.
Informatie over de morele beoordeling is belangrijk voor het voorspellen van recidive en het verwijzen naar een passende
behandeling. Maar de conclusies over de morele beoordeling zijn nog steeds gebaseerd op het klinisch oordeel in plaats van op
instrumenten. Methode In deze studie onderzoeken de auteurs in hoeverre ongestructureerd klinisch oordeel van morele
beoordeling en empathie voor het slachtoffer zich verhoudt tot testresultaten in een groep jonge zedendelinquenten. Morele
beoordeling werd gemeten met de Sociomoral Reflection Measure-Short. Empathie voor het slachtoffer werd gemeten met de
Basic Empathy Scale. Resultaten Er werden geen significante associaties gevonden tussen het klinisch oordeel van morele
beoordeling en de testscores op de SRM-SF. Er werd wel een significant verband gevonden tussen het klinisch oordeel van
empathie voor het slachtoffer en de score op de BES, maar niet altijd in dezelfde richting. De delinquenten waarvan de clinicus
hun empathie laag beoordeelde, lieten een lagere gemiddelde score zien dan de delinquenten die volgens de clinicus helemaal
geen empathie zouden bezitten. Conclusie Het ongestructureerd klinisch oordeel komt niet overeen met de testresultaten. Om
betere keuzes te maken moet worden gewerkt met instrumenten.
INLEIDING
Klinisch oordeel: conclusie getrokken door de clinicus over bijvoorbeeld de mentale gezondheid van een cliënt of de benodigde
behandeling, gebaseerd op observatie, gecombineerd met klinische ervaring, theoretische kennis en (indien beschikbaar)
testresultaten. In het geval van morele ontwikkeling zijn er maar weinig goede instrumenten beschikbaar en deze worden vaak
niet in de klinische praktijk gebruikt clinicus baseert zich vooral op subjectieve interpretaties.
Gestructureerd assessment: mechanische voorspellingen die statistiek, actuarieel of automatisch zijn. Zijn accurater dan het
klinisch oordeel. De validiteit hiervan is aangetoond. Het klinisch oordeel is minder accuraat. Dat kan worden verklaard doordat
er hierbij meer biases aanwezig zijn (verklaringen waarom klinisch oordeel minder accuraat is):
Er zijn biases die voorkomen in interactie met cliënten, zoals het verkeerd labelen van het gedrag van cliënten, omdat
hun gedrag wordt vergeleken met de klinische populatie in plaats van met de normale populatie.
Er zijn biases die meer gerelateerd zijn aan statische karakteristieken van cliënten, zoals hun ras of gender. Dit kan
zorgen voor verkeerde assumpties over gender of ras die invloed kunnen hebben op de eventuele diagnose.
Klinisch oordeel kan worden beïnvloed door biases die zich voordoen tijdens het verzamelen van informatie, zoals
‘confirmatory bias’, wat betekent dat clinici de neiging hebben om informatie te verzamelen die samenvalt met reeds
eerder gevormde overtuigingen en veronderstellingen. Informatie die deze overtuigingen tegenspreekt wordt niet
opgenomen. Andere cognitieve biases die bestaan zijn ‘hindsight bias’ en ‘anchoring/adjustment bias’, wat de neiging
is om informatie die consistent is met het oordeel van de clinicus zwaarder te laten wegen en de neiging om
beoordelingen aan te passen als informatie beschikbaar is.
Echter, gestructureerde instrumenten zijn ook beperkt in de zin dat ze casus specifieke informatie die belangrijk is voor de
totstandkoming van het individueel behandelplan kunnen negeren.
Op het gebied van morele ontwikkeling, zijn behandelings- en verwijzingsbeslissingen over het algemeen gebaseerd op
ongestructureerde klinische beoordelingen, in plaats van op gestructureerde klinische oordelen (door assessment
instrumenten). Het is belangrijk om verschillen te onderzoeken vanwege de levenslange gevolgen die beslissingen kunnen
hebben, met name in het geval van forensische evaluaties.
,Twee algemeen onderzochte constructen van morele ontwikkeling zijn moreel oordeel en empathie. Het zijn de redenen die
individuen geven voor het vertonen van bepaalde sociale acties en de mogelijkheid om emoties van anderen te delen (affectieve
empathie) en te begrijpen (cognitieve empathie). Morele ontwikkeling is belangrijk voor delinquentie. Er zijn associaties tussen
het morele oordeel en crimineel gedrag en tussen empathie en crimineel gedrag. Er zijn sterkere verbanden voor cognitieve
empathie, dan voor affectieve empathie. Dus beiden houden verband met crimineel gedrag.
Het doel van de studie: onderzoeken of ongestructureerd klinisch oordeel en objectieve meting van morele ontwikkeling met
elkaar geassocieerd zijn, in een sample van jonge zedendelinquenten, gefocust op moreel oordeel en op empathie voor het
slachtoffer. Achtergrond: Het is belangrijk dat clinici morele ontwikkeling goed kunnen beoordelen, omdat onderzoek heeft
aangetoond dat zedendelinquenten lagere niveaus van moreel oordeel hebben en het ze ontbreekt aan empathie voor het
slachtoffer. We weten nog niet of de lage niveaus van moreel oordeel en empathie voorspellende waarde hebben voor recidive,
maar onderzoek wijst wel in die richting. Dit is mogelijk dus ook zo voor jonge zedendelinquenten, het is niet logisch dat er een
verschil zou zijn tussen jongeren en volwassenen op dit gebied. (Maar het is mogelijk wel zo dat zij eerder een niet-seksueel
delict plegen, in plaats van recidiveren op gebied van seksuele delicten)/ Moreel oordeel en empathie zijn daarom misschien
nuttige aspecten om op te focussen in behandeling.
Een significante associatie zal wijzen op de adequaatheid van het moreel oordeel
Een gebrek aan associatie zal wijzen op twijfels aan het ongestructureerde klinisch oordeel gebruik van instrumenten
is dan nodig om de clinicus goede informatie te verschaffen en zo de beslissingen te nemen.
METHODE
In totaal hebben 85 mannelijke zedendelinquenten tussen de 13 en 23 jaar op het moment van onderzoek, uit drie
jeugdcorrectiefaciliteiten en zes forensische poliklinische behandelcentra in Nederland deelgenomen aan dit onderzoek. De
groep zedendelinquenten is ingedeeld volgens typologieën die worden gebruikt in de klinische praktijk en wetenschappelijk
onderzoek: solo zedendelinquenten, groep zedendelinquenten, zowel solo als groep zedendelinquenten en niet bekend.
Daarnaast werd er onderscheid gemaakt tussen kind- en peer-misbruikers.
In totaal namen 22 clinici deel aan het onderzoek, die werkzaam waren als clinici in de jeugdcorrectiefaciliteiten of forensische
poliklinische behandelcentra.
Elk assessment begon met een sociomoral interview (Sociomoral Reflection Measure – Short form [SRM-SF]), dat werd
opgenomen, getranscribeerd en gescoord. Hiermee werd de morele ontwikkeling in kaart gebracht. In het tweede deel van het
assessment moest de respondent vragen beantwoorden over empathie van het slachtoffer (victim empathy) via vragenlijst op
laptops.
Om de klinische beoordeling van de morele ontwikkeling van de jonge zedendelinquenten te meten, is er gebruik gemaakt van
een aanvullende vragenlijst die werd ingevuld door de clinici.
RESULTATEN
De relatie tussen klinisch oordeel en moreel oordeel
Er werd one-way ANOVA uitgevoerd om verschillen in gemiddelden scores op de SRM-SF te onderzoeken voor de drie klinische
beoordelingsevaluaties (klein, goed en sterk ontwikkeld moreel oordeel). Er werden geen significante verschillen gevonden, zelfs
niet wanneer gecontroleerd werd voor het type behandeling (residentieel vs. ambulant), behandelingsduur, leeftijd van de
dader en type zedendelinquent (kind- vs. peer-misbruiker). (Eigen interpretatie: clinicus geeft aan dat er wel een verschil is want
maakt immers drie groepen, maar vervolgens wijst ANOVA uit dat er geen verschil is in gemiddelden qua testscores. De indeling
van de clinicus is dus niet juist ? Weet niet wat het nou betekent.)
De relatie tussen klinisch oordeel en empathie
Er werd een one-way ANOVA uitgevoerd om verschillen in gemiddelden scores op de Victim Empathy Scales te onderzoeken
voor de drie klinische beoordelingsevaluaties (victim empathy is present, victim empathy is slightly present, victim empathy is
lacking). De gemiddelde scores op de Victim Empathy Scales waren significant verschillend voor de drie klinische
beoordelingsevaluaties; het type behandeling, de behandelingsduur, de leeftijd van de dader en het type zedendelinquent
hadden geen effect op deze relatie.
, De ‘victim empathy is slightly present’ is significant lager dan de ‘victim empathy is lacking’ en de ‘victim empathy is
present’. Eigen interpretatie: dus het klinisch oordeel dat eigenlijk midden zou moeten zijn, was lager dan de laagste
beoordeling. Maar ook lager dan de hoogste beoordeling, wat dan wel weer klopt.
De ‘victim empathy is lacking’ is niet significant verschillend van de ‘victim empathy is present’. Er is geen werkelijk
verschil tussen het afwezig zijn en het aanwezig zijn van empathie volgens de test, maar wel volgens het klinisch
oordeel.
Deze resultaten geven aan dat de klinische beoordeling met betrekking tot slachtoffer-empathie niet volgens
verwachting is geassocieerd met de testresultaten op de Victim Empathy Scales: jeugdige zedendelinquenten die
werden beoordeeld met ‘victim empathy is slightly present’ (klinisch oordeel), lagere gemiddelde scores te hebben op
de Victim Empathy Scales, dan van zedendelinquenten waarvan werd beoordeeld dat met ‘victim empathy is lacking’
(klinisch oordeel).
DISCUSSIE
Al met al toont deze studie aan dat ongestructureerde klinische beoordelingen van morele ontwikkeling niet overeenkomen met
de scores op metingen van morele beoordelingen en victim- empathy. Let op: deze studie heeft niet de predicitieve validiteit
onderzocht van ongestructureerde klinische beoordeling of gestructureerde beoordelingsinstrumenten. Daarom kan niet
automatisch worden afgeleid dat een van beide ongeldige informatie biedt.
Omdat het ongestructureerde klinische oordeel ook biases bevat, wordt aangeraden dat clinici ook gebruik maken van andere
bronnen van informatie en objectieve meetmethoden/instrumenten. Zo zijn zij minder beïnvloedbaar door hun eigen biases en
vertaalt dit zich niet in het klinisch oordeel. Een ander voordeel van instrumenten is dat zij herhaald kunnen worden en je ze
goed kunt controleren.
Morele ontwikkeling is een belangrijk punt. Het sluit aan bij de what works principes behandelingen moeten aansluiten op
dynamische risicofactoren, zoals morele ontwikkeling. Het is dus belangrijk dat clinici dit echt goed kunnen beoordelen. Daarom
moet de nadruk gaan liggen op het ontwikkelen van valide en betrouwbare instrumenten.
Ook het klinisch oordeel is juist van belang, zodat casus specifieke, individuele gevallen kunnen worden meegenomen in de
beslissing. Als het resultaat bijvoorbeeld niet overeenkomt met de klinische verwachting, kan de clinicus nagaan hoe dat zou
kunnen komen en welke informatie verder nog nodig is om de tegenstrijdige informatie te kunnen begrijpen.
Beperkingen van de studie:
Het is mogelijk dat het instrument dat werd gebruikt om de klinische beoordeling in kaart te brengen, de klinische
beoordeling onvoldoende vastlegt
De beoordeling van het klinisch oordeel omvatte niet het soort bronnen dat clinici gebruiken om het niveau van morele
ontwikkeling van jeugdigen te evalueren.
De SRM-SF toont een relatief lage interne consistentiebetrouwbaarheid, wat mogelijk de uitkomsten heeft beïnvloed.
De bevindingen zijn gebaseerd op cross-sectionele data, daarom was het niet mogelijk om de predictieve validiteit van
de klinische beoordeling en de instrumenten vast te stellen. L
LANGDON ET AL. (2010). DEVELOPING AN UNDERSTANDING OF THE LITERATURE RELATING TO THE
MORAL DEVELOPMENT OF PEOPLE WITH INTELLECTUAL DISABILITIES
SAMENVATTING
Reviews over de morele ontwikkelingstheorie tonen aan dat revisionist theoretische perspectieven cross culturele validiteit
hebben (?), maar morele ontwikkeling in relatie tot intellectuele beperkingen (Intellectual disability, ID) is niet onderzocht in de
literatuur. Er werd daarom een review uitgevoerd over de literatuur over kinderen, adolescenten en volwassenen met ID’s en
hun morele ontwikkeling. De review indiceert dat mensen met ID’s niet op de gebruikelijke manier de morele ontwikkeling
doorlopen en de hoogste niveaus wellicht nooit bereiken. Dit verschil verdwijnt enigszins als gematcht wordt aan niet-beperkte
peers met eenzelfde cognitief niveau. Studies kennen echter methodologische fouten en er is behoefte aan meer onderzoek. Er
is daarnaast ook bewijs voor de relatie tussen morele ontwikkeling en antisociaal gedrag, waardoor dit belang des te groter
wordt.
INLEIDING