SAMENVATTING LITERATUUR WEEK 6
LANDELIJK KENNISCENTRUM LVB - LBV? DAAR KUN JE WAT MEE!
PASSEND ONDERWIJS
Tegenwoordig wordt er in het beleid van passend onderwijs naar gestreefd om voor alle leerlingen een passende onderwijsplek
en zo nodig extra ondersteuning te faciliteren. Leerlingen gaan, als het kan, naar het regulier onderwijs. Het speciaal onderwijs
blijft bestaan voor leerlingen die daar het beste op hun plek zijn . Om het doel van passend onderwijs te realiseren is het
essentieel dat leerlingen met ondersteuningsbehoeften (zoals LVB), zo tijdig mogelijk geïdentificeerd worden door scholen. Dan
kunnen adequate beslissingen worden genomen over de passende ondersteuning.
Het actuele schoolse functioneren van de leerling wordt niet alleen bepaald door het intellectuele niveau, maar ook door de
onderwijs- en leergeschiedenis, de thuis- en sociale omstandigheden. Bij iedereen moeten talenten en problemen in kaart
worden gebracht voor passende ondersteuning. Gedragsproblemen kunnen zo worden voorkomen of verminderd. Een juiste
begeleiding richt zich niet alleen op school, maar ook op de andere context (want problemen kunnen zich bijvoorbeeld ook in
gezin voordoen).
Wanneer passende ondersteuning wordt geboden is er een kleinere kans dat een leerling onder- of overschat en wordt de kans
groter dat de ondersteuning beter aansluit bij de behoeften van de leerling en de context. Op deze manier kunnen de
ontwikkelingsmogelijkheden goed benut worden. Als een leerling deze positieve ontwikkeling ervaart staat hij er ook meer voor
open om aan zijn vaardigheden te werken. Hij krijgt dan meer grip op de situatie en raakt niet gefrustreerd of ontmoedigd.
Passend onderwijs biedt zo kansen aan leerlingen.
LVB EN PASSEND ONDERWIJS
We spreken over kinderen die functioneren op het niveau van LVB, niet leerlingen met LVB. Omdat we met licht verstandelijke
beperkingen een beeld beschrijven dat niet blijvend hoeft te zijn. De constatering van het aanwezig zijn van LVB bij een leerling
moet gezien worden als een werkhypothese; het is van belang dat goed in kaart gebracht wordt waardoor de leerling op het
moment van meting op het niveau van LVB functioneert. Indien de leerstof en de context rondom een leerling vervolgens op zijn
behoeften wordt afgestemd, zullen sommige leerlingen een spurt in hun ontwikkeling kunnen maken, soms in die mate dat het
begrip LVB op hen niet langer van toepassing zal zijn. Anderen zullen echter ook bij op hen afgestemde leerstof in een
aangepaste context een plafond in hun ontwikkeling bereiken. Bij hen kan de classificatie LVB wel blijvend passend zijn.
EDUCATIEF PARTNERSCHAP: EEN GOEDE SAMENWERKING TUSSEN OUDERS, SCHOOL EN LEERLING
Om de context rondom de leerling met LVB op diens behoeften af te kunnen stemmen, is een goede samenwerking tussen
school, ouders, en leerling essentieel. Oftewel, het is van belang dat er sprake is van educatief partnerschap. Educatief
partnerschap is een proces waarin betrokkenen erop uit zijn elkaar wederzijds te ondersteunen en waarin ze hun bijdrage zoveel
mogelijk op elkaar afstemmen, met als doel het leren, de motivatie en ontwikkeling van de leerling te stimuleren . Educatief
partnerschap wordt vormgegeven vanuit drie invalshoeken:
1. pedagogisch partnerschap: de samenwerking tussen school en ouders die wordt ingezet om te voorkomen dat thuis en
school twee aparte werelden worden. Leraren en ouders moeten gezamenlijke waarden over opvoeding delen en een
gevoel van saamhorigheid creëren.
2. didactisch partnerschap: gericht op het functioneren van ouders in relatie tot het onderwijs van hun kinderen. Er is
goed didactisch partnerschap wanneer de school en ouders wederzijds goed geïnformeerd zijn over het leeproces van
de leerling.
3. organisatorisch partnerschap: de relatie tussen de school, de ouders en de bredere omgeving staat centraal.
, Het educatief partnerschap kan worden vormgegeven als een driehoek, ook wel de dynamische driehoek genoemd.
De zijden van de driehoek kunnen gezien worden als de contact- en
communicatielijnen tussen de drie partners, waarbinnen de leerling de kans kan krijgt
om te groeien. Wanneer er sprake is van een gelijkzijdige driehoek, zoals in figuur 1.1,
betekent dit dat de relaties in balans zijn en er voldoende groeiruimte is voor de
leerling. Het contact tussen de partners is goed, de partners ondersteunen elkaar, en
werken samen. Wanneer er sprake is van een ongelijkzijdige driehoek, kan dit
betekenen dat de relaties uit balans zijn, en dat de leerling hierdoor onvoldoende
kans krijgt om te groeien. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er geen of slecht
contact is tussen de ouders en de leerkracht. Wanneer er geen goede samenwerking
is tussen de partners heeft dit invloed op de ontwikkeling van de leerling.
LICHT VERSTANDELIJKE BEPERKING
Men spreekt in de DSM-5 van verstandelijke beperkingen (VB) bij een IQ-score van ongeveer 2 standaarddeviaties of
meer onder het populatiegemiddelde. Dit komt neer op een IQ-score van 70 à 75 of lager.
Er is sprake van licht verstandelijke beperkingen (LVB), wanneer er sprake is van een IQ-score tussen de 50 en 70 à 75.
In Nederland hanteren we soms een grotere marge namelijk van 50 tot 85.
Maar alleen een IQ-bepaling is onvoldoende. Heel belangrijk wordt daarnaast het ‘adaptief functioneren’, oftewel het
aanpassingsgedrag geacht. Bij kinderen en volwassenen met (L)VB is naast intelligentietekorten sprake van een gebrekkig
adaptief functioneren. Verstandelijke beperkingen verwijzen naar ‘gebrekkige algemene mentale vermogens die invloed hebben
op het adaptief functioneren binnen de volgende drie domeinen: het conceptuele, het sociale, en het praktische domein’ Deze
domeinen bepalen hoe goed iemand om kan gaan met dagelijkse taken.
Conceptuele domein: taalvaardigheden, lezen, schrijven, rekenen, redeneren, kennis en geheugen
Sociale domein: empathie, inschatten van sociale situaties
Praktische domein: zelfredzaamheid op gebied van persoonlijke verzorging, werk (verantwoordelijkheden), geld, vrije
tijd en het organiseren van taken voor school en werk.
In Nederland worden ook mensen met een IQ tussen 71 en 85 mét een gebrekkig adaptief functioneren tot de groep LVB
gerekend. Mits dit gepaard gaat met bijkomende problemen die doen vermoeden dat zij langdurig behoefte aan ondersteuning
nodig zullen hebben.
Deze kenmerken kunnen allemaal optreden bij
kinderen en volwassenen met LVB of die op dat niveau
functioneren, maar dit hoeft niet allemaal bij iedereen
het geval te zijn of bij iedereen in gelijke mate voor te
komen. Goede diagnostiek op het individu afgestemd
is daarom van belang.
, HET BELANG VAN VROEGTIJDIG SIGNALEREN LVB
Kinderen en jongeren met LVB hebben veel moeite met leren en met sociale situaties. Zij begrijpen anderen vaak niet goed en
schatten reacties vaak verkeerd in. Dit kan ervoor zorgen dat zij herhaaldelijk in de problemen komen, en hierdoor gefrustreerd
raken:
Jongeren die functioneren op het niveau van LVB komen daarom ook vaker dan gemiddeld in aanraking met justitie .
Naar schatting behoort ongeveer een kwart van de jongeren in de justitiële inrichtingen tot de groep jongeren die
functioneren op het niveau van LVB.
Daarnaast hebben kinderen en jongeren met LVB en verhoogde kans om een psychische stoornis te ontwikkelen. De
beperkingen gaan samen met leerproblemen, gedragsproblemen, emotionele problemen en gezinsproblemen.
Schattingen laten zien dat erin Nederland ongeveer 55.000 mensen zijn met een IQ van tussen de 50 en 70 en enkele
honderdduizenden mensen met een IQ van tussen de 71 en 85 en bijkomende problemen. Ongeveer 11.000 kinderen en
jongeren raken ernstig in de problemen.
Dit komt vaak doordat er bij hen sprake is van meervoudige complexe problematiek, zoals ernstige gedragsproblemen,
verslaving, schooluitval en misbruik.
Daarnaast is er nog een grotere groep kinderen en jongeren met enkelvoudige problematiek, die ook vaker in aanmerking
komt met jeugdzorg vergeleken met de groep gemiddeld begaafde kinderen en jongeren.
Een aantal van deze problemen zouden wellicht voorkomen of in ieder geval zoveel mogelijk beperkt kunnen worden, wanneer
de beperkingen op tijd onderkend zouden worden, en er vervolgens passende ondersteuning geboden zou worden.
HET SIGNALEREN VAN LEERLINGEN MET LVB, OF DIE FUNCTIONEREN OP HET NIVEAU VAN LVB IN HET
ONDERWIJS
Bij leerlingen die functioneren op het niveau van LVB is er op school vaak sprake van problemen op één of meerdere van de
volgende gebieden:
Informatieverwerking: De leerling heeft moeite om uit alle informatie die aangeboden wordt de belangrijke van de
onbelangrijke informatie te scheiden. Daarnaast verloopt de informatieverwerking traag. Doordat de leerling niet goed
in staat is om informatie te filteren en ook niet de rust krijgt om deze te verwerken, wordt veel informatie niet goed
waargenomen of niet goed in het geheugen opgeslagen en/of kan deze vervolgens ook niet goed gereproduceerd
worden.
Regulerende functies: Onder regulerende functies vallen onder andere aandacht, impulsbeheersing, plannen en
organiseren. Wanneer er problemen zijn met de regulerende functies betekent dit dat de leerling bijvoorbeeld moeite
heeft met het richten en volhouden van aandacht, met het plannen en organiseren van taken, of om van de ene naar
de andere opdracht te schakelen. De leerling kan vergeetachtig en chaotisch overkomen.
Probleemoplossend vermogen: Het probleemoplossend vermogen van de leerling kan minder sterk zijn. Dit uit is vaak
in complexe sociale situaties het geval. Een leerling kiest dan een oplossing die niet past bij de situatie. Dit komt onder
anderen doordat de leerling moeite heeft met het inleven in- en het inschatten van de gevoelens en wensen van
anderen.
Generalisatieproblematiek: Tot slot kan de leerling generalisatieproblemen hebben. Dit betekent dat wat een leerling
in een bepaalde context, zoals in de klassensituatie, leert, niet goed wordt toegepast op andere momenten, met andere
mensen en/of op andere plaatsen. Dit geldt ook voor sociale gedragingen
Het is belangrijk dat de leerkracht rekening houdt met het niveau van de leerling met LVB.
Het is van belang dat ouders, school, en leerling gezamenlijk een plan opstellen waarin aandacht is voor het niveau en
de zwakke en sterke kanten van de leerling, zodat het leeraanbod hier zo goed mogelijk op kan worden aangesloten. Dit
vraagt om een andere manier van denken en doen dan bij (gemiddeld) begaafde leerlingen. Zo moet bij een leerling
met LVB het leeraanbod gericht zijn op het aanleren van informatiefiltering, impulsbeheersing, en het leren.
Het opbouwen van een vertrouwelijke en onvoorwaardelijke werkrelatie tussen leerling en leerkracht is een
voorwaarde om ervoor te zorgen dat een leerling tot leren komt. Als de leerling zich gesteund voelt zal hij zich open
zetten tot leren.
Er moet oog zijn voor de leerinstructie. Als deze onvoldoende aansluit, zal de leerling faalervaringen opdoen. Dit kan de
motivatie negatief beïnvloeden en het risico op schooluitval vergroten.