SAMENVATTING LITERATUUR WEEK 7
VAN DER PUT ET AL. (2013). DIFFERENCES BETWEEN JUVENILE OFFENDERS WITH AND WITHOUT
SUBSTANCE USE PROBLEMS IN THE PREVALENCE AND IMPACT OF RISK AND PROTECTIVE FACTORS
FOR CRIMINAL RECIDIVISM.
INTRODUCTIE
Meta-analysen suggereren dat het verminderen van middelenmisbruik onder jeugdige delinquenten lastiger is, dan onder
jeugdigen die geen delinquent gedrag vertonen. Dit komt o.a. voort uit: uitdagingen die inherent zijn met het werken met
veroordeelde jongeren, waaronder moeilijkheden om jongeren te betrekken bij een behandeling, een hoge incidentie van
onvrijwillige cliënten, aanmoediging om deel te nemen aan de behandeling door andere autoriteitsfiguren en een overwicht van
individuele, gezins- en sociale risicofactoren bij jongeren in het jeugdstrafrechtsysteem.
Er is weinig bekend over het effect van behandeling gericht op het verminderen van de kans op recidive bij jeugdige
delinquenten die middelen gebruiken. Het doel van deze studie is daarom om daar meer kennis over te krijgen.
Middelenmisbruik en delinquentie/recidive
De literatuur toont een significant verband aan tussen middelenmisbruik en delinquentie. Maar omdat de meeste studies cross-
sectioneel zijn, is er weinig bekend over de richting van dit verband. Er zijn een paar longitudinale studies beschikbaar op dit
gebied. Deze vonden slechts beperkte steun voor de hypothese dat middelenmisbruik leidt tot delinquent gedrag, maar vonden
sterk bewijs voor de hypothese dat delinquent gedrag middelengebruik voorspelt. Recente longitudinale studies hebben
gevonden dat vroeg antisociaal gedrag later middelengebruik voorspelt (bijvoorbeeld gedragsstoornis voorspelt alcohol- en
marihuanagebruik).
Onderzoek naar middelenmisbruik en crimineel recidive leiden tot gemengde resultaten. Een longitudinale studie vond dat
jongeren met middelenmisbruikstoornis waarschijnlijker middelengerelateerde delicten zouden plegen, maar een andere
longitudinale studie vond dat deze jongeren een minder grote kans op recidive hadden. Longitudinale studies met grote samples
suggereren echter dat jeugdige delinquenten waarbij sprake is van middelenmisbruik meer recidiveren dan jeugdige
delinquenten waarbij geen sprake is van middelenmisbruik.
Dus: studies vinden dat middelengebruik het risico op recidive verhoogt, maar ook dat delinquent gedrag later
middelenmisbruik voorspelt.
Risico- en beschermende factoren
Delinquent gedrag is het resultaat van complexe interacties tussen risico- en beschermende factoren. Risicofactoren verhogen
de kans op delinquentie, en beschermende factoren verlagen de kans op delinquentie. Het gaat om zowel persoonlijke
eigenschappen van het individu als in factoren in de sociale omgeving, waaronder familie, peers, school en community. Meta-
analyses tonen aan dat om delinquent gedrag te verlagen, het belangrijk is om interventies toe te passen die zich richten op de
dynamische risico- en protectieve factoren die gerelateerd zijn aan recidive. Dynamische factoren zijn omstandigheden of
condities in het elven van de jeugdigde die mogelijk kunnen veranderen. Deze factoren worden ook wel criminogene behoeften
genoemd.
De huidige studie
Om jeugdige delinquenten die middelen gebruikten te behandelen, is het belangrijk dat interventies zich richten op de
dynamische risico- en beschermende factoren die gerelateerd zijn aan recidive. Daarom is het belangrijk om te weten welke
risico- en beschermende factoren het meest gerelateerd zijn aan crimineel recidive bij middelengebruikers. Als dit dezelfde
factoren zijn als bij jeugdigen die geen middelen gebruiken, kunnen de interventies die voor hen ontwikkeld zijn ook effectief zijn
voor jongeren die wel middelen gebruiken.
, Het is daarnaast belangrijk om te weten of middelengebruik bijdraagt aan recidive. Middelenmisbruik is mogelijk geassocieerd
met zowel delinquentie als recidive, omdat risico- en beschermende factoren mogelijk bijdragen aan zowel het
middelenmisbruik als aan de delinquentie.
Om de criminogene behoeften van middelengebruikende delinquente jeugdigen te onderzoeken, werden de verschillen tussen
drie groepen delinquenten onderzocht:
Delinquenten die geen middelen gebruiken (ASU): geen alcohol en/of drugs in de laatste zes maanden voor
assessment van de WSJCA
Delinquenten die middelen gebruiken (SU): gebruik van alcohol en/of drugs in de laatste zes maanden voor
assessment, maar dit gebruik leidde niet tot verstoring van het gezinsleven, onderwijs, vriendschappen, gezondheid en
leidde niet tot crimineel gedrag.
Delinquenten die problemen hebben met middelengebruik (middelenmisbruik) (SUP): gebruik van alcohol en/of
drugs in de laatste zes maanden voor assessment, en dit gebruik heeft geleid tot verstoring van gezinsleven en
problemen op een van de volgende gebieden: onderwijs, vriendschappen, gezondheid, crimineel gedrag.
De verschillen tussen deze groepen in achtergrondkenmerken, recidive en prevalentie van risico- en beschermende factoren
werden onderzocht. Om de associatie tussen middelengebruik en recidive te bevestigen, werd de unieke bijdrage van
middelengebruik bij crimineel recidive onderzocht, gecontroleerd voor de risico en beschermende factoren. Daarna werden de
verschillen tussen de drie groepen onderzocht wat betreft de sterkte van de associaties tussen risico- en beschermende factoren
en crimineel recidive. Tot slot werden de associaties tussen risicofactoren en recidive onderzocht om de bijdrage van risico- en
beschermende factoren apart te onderzoeken voor iedere groep.
METHODE
Voor deze studie werd data van de Washington State Juvenile Court Assessment (WSJCA) gebruikt. Hiermee werd het risico op
recidive bepaald (het is een screening en risicotaxatie instrument). De items op dit instrument overlappen met de DSM-IV
criteria van middelenmisbruik en de ICD-10 criteria van schadelijk gebruik. De items overlappen specifiek met:
Ging door met het middelengebruik terwijl er sociale of interpersoonlijke problemen waren
Herhaaldelijk middelengebruik, resulterend in niet kunnen voldoen aan verplichtingen op werk, school of thuis
Een patroon van middelengebruik dat zorgt voor fysieke of mentale schade aan gezondheid
Herhaaldelijke legale problemen gerelateerd aan middelengebruik
De WSJCA geeft ook de belangrijkste statische (historische) en dynamische (huidige) risico- en beschermende factoren voor
recidive. In de huidige studie is er alleen gekeken naar de dynamische factoren.
De WSJCA doet eerst een pre-screen, waar een laag, midden of hoog risico uitkomt. Bij de individuen waarbij een hoog risico
werd geconstateerd werd het gehele assessment afgenomen.
Recidive werd gedefinieerd als het opnieuw voorkomen van één of meerdere nieuwe veroordelingen binnen 18 maanden na het
invullen van de WSJCA.
RESULTATEN
De drie groepen konden gedifferentieerd worden op basis van achtergrondkenmerken (geslacht, etniciteit en leeftijd) en
recidive.
Jong, man en Afrikaans Amerikaans kwam het meest voor bij ASU jongeren, gevolgd door SU jongeren, gevolgd door
SUP jongeren.
Totaal crimineel recidive was het hoogst bij SUP jongeren, gevolgd door SU, gevolgd door ASU.
Zware misdaden, eigendoms-, drugs en gewelddadig recidive kwam het meest voor bij SUP, gevolgd door SU, gevolgd
door ASU.