B.
2. A.
B.
Hoofdstuk 3:
3. A. opening in de handeling: “we rijden zwijgend naar het ziekenhuis”,
waarom zwijgen ze, waarom gaan ze naar het ziekenhuis, wie is we.
b. “we rijden zwijgend naar het ziekenhuis”, waarom zwijgen ze, waarom
gaan ze naar het ziekenhuis, wie is we.
c. ik en Ellen
d. verward
4. a. door de komma’s dus de lange zinnen
b. ik verhaal
c. het kan overeen komen maar het hoeft niet perse gelijk te lopen want
het loopt eigenlijk nooit precies met wat er verteld wordt en wat er gebeurde je
weet niet hoeveel tijd tussen gebeurtenissen zit
5. a. het is auctoriaal, het wordt in de hij/zij verteld maar je weet nog niet
echt veel
b. 1 minuut
c. 375 jaar
d. wat de eeuwigheid is, het gaat niet over de persoon want je weet niet
veel over hem. Het gaat om de eeuwigheid.
e. ja en nee, want 375 jaar is niet echt de eeuwigheid maar het is wel zo
dat het ongeveer de eeuwigheid inhoud.
7. a. -
b. over de relatie met de moeder en dat ze niet echt een goede relatie
had met haar en dat het hem niet echt veel uitmaakt.
c. ja, want het is al gebeurd een tijd terug
d. opening-in-de-handeling, je weet niet veel over de hoofdpersonage
het gaat opeens dat de moeder dood is
Basiselementen:
Ruimte: ruimte (plaats en tijd) waar het verhaal afspeelt
Verhaalfiguren: welke mensen en dieren in het verhaal voorkomen
Situaties: situaties in het boek dat hoofdfiguren meemaken
Belangenruimte: Als de beschrijving van een bepaalde ruimte uit de
verhaalwerkelijkheid aan die ruimte figuurlijke betekenis verleent, spreken we
van belangenruimte.
Belangrijkste ruimtes in het boek (toets)
Informatieve opening: heeft jouw boek een informatieve opening of een opening-
in-de-handeling