AFP lesvoorbereiding & leerdoelen
Inhoud
Les 1 – opbouw zenuwstelsel.................................................................................................................1
Les 2 – prikkel geleiding en het actiepotentiaal......................................................................................4
Les 3 – hersengebieden........................................................................................................................11
Les 4 – bewustzijn en limbisch systeem................................................................................................15
Les 5 – motoriek, sensoriek en autonoom zenuwstelsel......................................................................18
Les 6 - Bloedvoorziening, hersenvliezen en liquorcirculatie.................................................................22
Les 7 - Cerebro Vasculair Accident (CVA)..............................................................................................28
Les 8 - Traumatisch hoofd-/hersenletsel..............................................................................................32
Les 9 – ziekte van Parkinson.................................................................................................................35
Les 10 – epilepsie en dwarslaesie.........................................................................................................38
Les 11 – verouderingsproces en delier.................................................................................................40
Les 13 – geriatrische uitdagingen.....................................................................................................44
Les 14 – dementieel syndroom.........................................................................................................46
Les 15 – farmacologie en polyfarmacie................................................................................................50
Les 1 – opbouw zenuwstelsel
benoemt de functionele indeling van het zenuwstelsel;
zenuwstelsel en hormoonstelsel zetten alle organen aan.
,Zenuwstelsel via zenuwbanen, gaat heel snel, korte prikkels en hebben invloed op
lichaamshouding, oogbewegingen enzovoort.
Interne milieu: wat geven je organen aan? Bloeddruk, zuurgraad
Externe milieu: koud snoepje
Zintuig Brein afferent (opstijgende gedeelte)
Brein zintuig efferent (duwt je weg ) (dalende gedeelte)
legt uit wat een neuron is en deelt deze in naar functie;
neuronen (zenuwcellen) verzenden en ontvangen verschillende signalen van je hersenen.
bijna alle neuronen hebben een cellichaam, dendriet en axon.
Cellichaam: kern van de neuron, draagt genetische informatie en geeft energie voor
activiteiten.
Dendriet: haarwortels die vertakken vanuit het cellichaam. Dendrieten ontvangen en
verwerken signalen van axons van andere neuronen.
Axon: is een lange staart structuur die verbind met anderen verbind. Door middel van
myeline wordt het signaal extra snel opgevangen en verwerkt. (bij MS heb je aangetast
myeline daarom beweeg je trager).
Typen neuronen:
Sensorische neuronen :bijvoorbeeld voor smaak, reuk , horen en zien. Sensorische
neuronen worden geactiveerd door fysische en chemische input van uw omgeving. Geluid,
tast, warmte en licht zijn fysieke ingangen. Geur en smaak zijn chemische
inputs.Bijvoorbeeld, intensivering op hete zand activeert sensorische neuronen in de zolen
van je voeten. Die neuronen een bericht sturen naar je hersenen, die je bewust van de
warmte maakt.
Motorische neuronen: Motorische neuronen een rol spelen in beweging, met inbegrip van
vrijwillige en onwillekeurige bewegingen. Deze neuronen toestaan dat de hersenen en het
ruggenmerg om te communiceren met spieren, organen en klieren over het hele lichaam.
Er zijn twee typen motorneuronen: onderste en bovenste. Lagere motorneuronen dragen
signalen van het ruggenmerg naar de gladde spieren en de skeletspieren. Bovenste
motorische neuronen voeren van signalen tussen de hersenen en het ruggenmerg.
Bij het eten, bijvoorbeeld lagere motorische neuronen in het ruggenmerg stuurt signalen naar
de gladde spieren in de slokdarm, maag en darmen. Deze spieren contract, waardoor
voedsel te verplaatsen door je spijsverteringskanaal.
legt uit wat het verschil is tussen grijze stof en witte stof;
De grijze stof zit vooral aan de buitenkant van je hersenen. Het bestaat voor het grootste
deel uit zenuwcellen. Je kunt de grijze stof zien als de plek waar informatie wordt verwerkt.
,De witte stof zit aan de binnenkant van je hersenen en bestaat uit de verbindingen tussen de
zenuwcellen. Om deze verbindingen heen zit een wit isolatielaagje (myeline), vandaar de
naam witte stof.
Dit laagje zorgt ervoor dat signalen tussen zenuwcellen razendsnel worden doorgegeven. Je
kunt de witte stof dus zien als de plek waar informatie wordt doorgegeven.
benoemt de verschillende gliacellen en hun functies.
Macrogliacellen van het centrale zenuwstelsel (CZS)
Ependymocyten (ependymale cellen): ependymocyten vormen de begrenzing van het
centrale wervelkanaal en de vier ventrikels (hersenkamers) en zijn stamcellen. De
ependymocyten maken daarnaast de cerebrospinale vloeistof (hersenvocht). Ook hebben ze
trilharen die ervoor zorgen dat de cerebrospinale vloeistof wordt getransporteerd door het
hele wervelkanaal.
Astrocyten (astroglia): astrocyten omringen de neuronen en bewaken de chemische
omgeving van de neuronen en verbinden de neuronen aan de bloedvaten. Doordat
astrocyten de neuronen aan de bloedvaten verbinden spelen ze een belangrijke rol in de
bloed-hersenbarrière. Er zijn twee typen astrocyten; protoplasmatische en fibreuze
astrocyten. Protoplasmatische astrocyten komen met name in de grijze stof voor. Fibreuze
astrocyten komen met name in de witte stof voor.
Radiale gliacellen: radiale gliacellen zijn cellen die een raamwerk vormen waarlangs de
neuronen kunnen groeien. Ook zorgen radiale gliacellen voor de ontwikkeling van synapsen
tussen neuronen.
Oligodendrocyten: oligodendrocyten maken de myelineschede van de axonen. De
myelineschede zorgt ervoor dat de actiepotentiaal sneller verplaatst wordt.
Macrogliacellen van het perifere zenuwstelsel
Satellietcellen: satellietcellen hebben een vergelijkbare functie als de oligodendrocyten en
komen onder andere voor in de sympatische en parasympatisch ganglia.
Schwanncellen: deze cellen maken de myelineschede van axonen in het perifere
zenuwstelsel en stimuleren de axongroei. Ook vallen Schwanncellen ziekteverwekkers aan
en ruimen ze rotzooi op.
Enterische gliacellen: het spijsverteringsstelsel heeft vele neuronen. Ook voor deze
neuronen moet de omgeving bewaakt en optimaal gehouden worden. Enterische gliacellen
hebben vergelijkbare functies als gliacellen elders in het lichaam.
Microgliacellen
Microgliacellen zijn speciale macrofagen. Microgliacellen vormen een patrouille-eenheid van
het centrale zenuwstelsel. Microgliacellen ruimen dode celresten op en vallen pathogenen
op.
, PS: perifere cellen van Swann
Bronnen:
Wat is een Neuron? Functie, onderdelen, Opbouw, soorten, en meer (allhealth.pro)
Neuronen | Algemeen | Menselijk Lichaam
Histologie (weefsels); bouw en functie zenuwweefsel - Zo Werkt Het Lichaam
Les 2 – prikkel geleiding en het actiepotentiaal
legt uit hoe een actiepotentiaal ontstaat en verloopt;
In exciteerbare cellen kunnen actiepotentialen voorkomen. Exciteerbare cellen zijn neuronen,
spiercellen (skeletspieren, hartspier en gladde spieren) en kliercellen. Communicatie tussen
neuronen en verandering van activiteit van spier-, of kliercellen vindt plaats door de
actiepotentiaal. Een actiepotentiaal is een elektrisch signaal, wat zich over een neuron kan
verplaatsen; de actiepotentiaal wordt dan een impuls genoemd. Gemyeliniseerde neuronen
kunnen een actiepotentiaal snel vervoeren en worden snelle zenuwen genoemd. De
communicatie tussen neuronen en tussen neuron en spier-, of kliercel gaat middels
neurotransmitters. Bekende neurotransmitters zijn acetylcholine (ACh), dopamine,
serotonine, endorfine, noradrenaline en GABA.
Een actiepotentiaal ontstaat wanneer de membraanpotentiaal stijgt boven een bepaalde
drempelwaarde komt. Wanneer de membraanpotentiaal stijgt, wordt deze minder negatief.
De membraanpotentiaal kan stijgen, doordat de natriumkanalen zich openen. Doordat de
natriumkanalen zich openen, kunnen natriumionen de cel in stromen. Het aantal positief
geladen deeltjes neemt toe en de membraanpotentiaal neemt toe.
Wanneer de membraanpotentiaal boven een bepaalde waarde komt, openen plots veel meer
natriumkanalen, waardoor nog meer natriumionen de cel in kunnen stromen en het
membraanpotentiaal nog meer toeneemt en zelfs positief wordt. Het punt waarbij plots veel
meer natriumkanalen openen wordt de drempelwaarde genoemd. De drempelwaarde van
neuronen ligt rond de -50 mV. De actiepotentiaal kan toenemen tot wel 100 mV. De
actiepotentiaal is echter even altijd krachtig. De drempelwaarde moet echter wel bereikt
worden, voordat een actiepotentiaal optreedt. Dit wordt het alles-of-niets-principe genoemd.
Inhoud
Les 1 – opbouw zenuwstelsel.................................................................................................................1
Les 2 – prikkel geleiding en het actiepotentiaal......................................................................................4
Les 3 – hersengebieden........................................................................................................................11
Les 4 – bewustzijn en limbisch systeem................................................................................................15
Les 5 – motoriek, sensoriek en autonoom zenuwstelsel......................................................................18
Les 6 - Bloedvoorziening, hersenvliezen en liquorcirculatie.................................................................22
Les 7 - Cerebro Vasculair Accident (CVA)..............................................................................................28
Les 8 - Traumatisch hoofd-/hersenletsel..............................................................................................32
Les 9 – ziekte van Parkinson.................................................................................................................35
Les 10 – epilepsie en dwarslaesie.........................................................................................................38
Les 11 – verouderingsproces en delier.................................................................................................40
Les 13 – geriatrische uitdagingen.....................................................................................................44
Les 14 – dementieel syndroom.........................................................................................................46
Les 15 – farmacologie en polyfarmacie................................................................................................50
Les 1 – opbouw zenuwstelsel
benoemt de functionele indeling van het zenuwstelsel;
zenuwstelsel en hormoonstelsel zetten alle organen aan.
,Zenuwstelsel via zenuwbanen, gaat heel snel, korte prikkels en hebben invloed op
lichaamshouding, oogbewegingen enzovoort.
Interne milieu: wat geven je organen aan? Bloeddruk, zuurgraad
Externe milieu: koud snoepje
Zintuig Brein afferent (opstijgende gedeelte)
Brein zintuig efferent (duwt je weg ) (dalende gedeelte)
legt uit wat een neuron is en deelt deze in naar functie;
neuronen (zenuwcellen) verzenden en ontvangen verschillende signalen van je hersenen.
bijna alle neuronen hebben een cellichaam, dendriet en axon.
Cellichaam: kern van de neuron, draagt genetische informatie en geeft energie voor
activiteiten.
Dendriet: haarwortels die vertakken vanuit het cellichaam. Dendrieten ontvangen en
verwerken signalen van axons van andere neuronen.
Axon: is een lange staart structuur die verbind met anderen verbind. Door middel van
myeline wordt het signaal extra snel opgevangen en verwerkt. (bij MS heb je aangetast
myeline daarom beweeg je trager).
Typen neuronen:
Sensorische neuronen :bijvoorbeeld voor smaak, reuk , horen en zien. Sensorische
neuronen worden geactiveerd door fysische en chemische input van uw omgeving. Geluid,
tast, warmte en licht zijn fysieke ingangen. Geur en smaak zijn chemische
inputs.Bijvoorbeeld, intensivering op hete zand activeert sensorische neuronen in de zolen
van je voeten. Die neuronen een bericht sturen naar je hersenen, die je bewust van de
warmte maakt.
Motorische neuronen: Motorische neuronen een rol spelen in beweging, met inbegrip van
vrijwillige en onwillekeurige bewegingen. Deze neuronen toestaan dat de hersenen en het
ruggenmerg om te communiceren met spieren, organen en klieren over het hele lichaam.
Er zijn twee typen motorneuronen: onderste en bovenste. Lagere motorneuronen dragen
signalen van het ruggenmerg naar de gladde spieren en de skeletspieren. Bovenste
motorische neuronen voeren van signalen tussen de hersenen en het ruggenmerg.
Bij het eten, bijvoorbeeld lagere motorische neuronen in het ruggenmerg stuurt signalen naar
de gladde spieren in de slokdarm, maag en darmen. Deze spieren contract, waardoor
voedsel te verplaatsen door je spijsverteringskanaal.
legt uit wat het verschil is tussen grijze stof en witte stof;
De grijze stof zit vooral aan de buitenkant van je hersenen. Het bestaat voor het grootste
deel uit zenuwcellen. Je kunt de grijze stof zien als de plek waar informatie wordt verwerkt.
,De witte stof zit aan de binnenkant van je hersenen en bestaat uit de verbindingen tussen de
zenuwcellen. Om deze verbindingen heen zit een wit isolatielaagje (myeline), vandaar de
naam witte stof.
Dit laagje zorgt ervoor dat signalen tussen zenuwcellen razendsnel worden doorgegeven. Je
kunt de witte stof dus zien als de plek waar informatie wordt doorgegeven.
benoemt de verschillende gliacellen en hun functies.
Macrogliacellen van het centrale zenuwstelsel (CZS)
Ependymocyten (ependymale cellen): ependymocyten vormen de begrenzing van het
centrale wervelkanaal en de vier ventrikels (hersenkamers) en zijn stamcellen. De
ependymocyten maken daarnaast de cerebrospinale vloeistof (hersenvocht). Ook hebben ze
trilharen die ervoor zorgen dat de cerebrospinale vloeistof wordt getransporteerd door het
hele wervelkanaal.
Astrocyten (astroglia): astrocyten omringen de neuronen en bewaken de chemische
omgeving van de neuronen en verbinden de neuronen aan de bloedvaten. Doordat
astrocyten de neuronen aan de bloedvaten verbinden spelen ze een belangrijke rol in de
bloed-hersenbarrière. Er zijn twee typen astrocyten; protoplasmatische en fibreuze
astrocyten. Protoplasmatische astrocyten komen met name in de grijze stof voor. Fibreuze
astrocyten komen met name in de witte stof voor.
Radiale gliacellen: radiale gliacellen zijn cellen die een raamwerk vormen waarlangs de
neuronen kunnen groeien. Ook zorgen radiale gliacellen voor de ontwikkeling van synapsen
tussen neuronen.
Oligodendrocyten: oligodendrocyten maken de myelineschede van de axonen. De
myelineschede zorgt ervoor dat de actiepotentiaal sneller verplaatst wordt.
Macrogliacellen van het perifere zenuwstelsel
Satellietcellen: satellietcellen hebben een vergelijkbare functie als de oligodendrocyten en
komen onder andere voor in de sympatische en parasympatisch ganglia.
Schwanncellen: deze cellen maken de myelineschede van axonen in het perifere
zenuwstelsel en stimuleren de axongroei. Ook vallen Schwanncellen ziekteverwekkers aan
en ruimen ze rotzooi op.
Enterische gliacellen: het spijsverteringsstelsel heeft vele neuronen. Ook voor deze
neuronen moet de omgeving bewaakt en optimaal gehouden worden. Enterische gliacellen
hebben vergelijkbare functies als gliacellen elders in het lichaam.
Microgliacellen
Microgliacellen zijn speciale macrofagen. Microgliacellen vormen een patrouille-eenheid van
het centrale zenuwstelsel. Microgliacellen ruimen dode celresten op en vallen pathogenen
op.
, PS: perifere cellen van Swann
Bronnen:
Wat is een Neuron? Functie, onderdelen, Opbouw, soorten, en meer (allhealth.pro)
Neuronen | Algemeen | Menselijk Lichaam
Histologie (weefsels); bouw en functie zenuwweefsel - Zo Werkt Het Lichaam
Les 2 – prikkel geleiding en het actiepotentiaal
legt uit hoe een actiepotentiaal ontstaat en verloopt;
In exciteerbare cellen kunnen actiepotentialen voorkomen. Exciteerbare cellen zijn neuronen,
spiercellen (skeletspieren, hartspier en gladde spieren) en kliercellen. Communicatie tussen
neuronen en verandering van activiteit van spier-, of kliercellen vindt plaats door de
actiepotentiaal. Een actiepotentiaal is een elektrisch signaal, wat zich over een neuron kan
verplaatsen; de actiepotentiaal wordt dan een impuls genoemd. Gemyeliniseerde neuronen
kunnen een actiepotentiaal snel vervoeren en worden snelle zenuwen genoemd. De
communicatie tussen neuronen en tussen neuron en spier-, of kliercel gaat middels
neurotransmitters. Bekende neurotransmitters zijn acetylcholine (ACh), dopamine,
serotonine, endorfine, noradrenaline en GABA.
Een actiepotentiaal ontstaat wanneer de membraanpotentiaal stijgt boven een bepaalde
drempelwaarde komt. Wanneer de membraanpotentiaal stijgt, wordt deze minder negatief.
De membraanpotentiaal kan stijgen, doordat de natriumkanalen zich openen. Doordat de
natriumkanalen zich openen, kunnen natriumionen de cel in stromen. Het aantal positief
geladen deeltjes neemt toe en de membraanpotentiaal neemt toe.
Wanneer de membraanpotentiaal boven een bepaalde waarde komt, openen plots veel meer
natriumkanalen, waardoor nog meer natriumionen de cel in kunnen stromen en het
membraanpotentiaal nog meer toeneemt en zelfs positief wordt. Het punt waarbij plots veel
meer natriumkanalen openen wordt de drempelwaarde genoemd. De drempelwaarde van
neuronen ligt rond de -50 mV. De actiepotentiaal kan toenemen tot wel 100 mV. De
actiepotentiaal is echter even altijd krachtig. De drempelwaarde moet echter wel bereikt
worden, voordat een actiepotentiaal optreedt. Dit wordt het alles-of-niets-principe genoemd.