College 1:
De grote schoonmaak:
Mensen houden niet van onzekerheid, we geloven te graag. We geloven in van alles en nog
wat, en iedereen gelooft weer in iets anders.
Humanisten = geloven in en benadrukken de waarde en kracht van mensen, als individu of
als groep. Ze geloven dat er zoiets is als een ‘menselijke aard’.
Het probleem is dat iedereen weer iets anders gelooft. In het onderwijs hebben we het gevoel
dat we ons publiek, de leerlingen en studenten, steeds moeilijker kunnen bereiken.
Psuedotheorieen (kletspraat) komen we bijna wekelijks tegen in
boeken/kranten/radio/tv/tijdschriften/scholen.
Het grootste probleem bij onderwijsmythes is dat wie ze gelooft in de dagelijkse realiteit vaak
genoeg bewijzen ontdekt voor zijn/haar overtuiging. We zullen snel ‘aanwijzingen’ herkennen
voor de ideeën waarin we geloven, en de ervaringen die er niet mee stroken onbewust
negeren.
Michael Shermer geeft hier 3 redenen voor:
1. Patternicity = een neiging om betekenisvolle patronen te zoeken in willekeurige
dingen en gebeurtenissen.
2. Confirmation bias = het zoeken en vinden van bevestigend bewijs voor wat we al
geloven.
3. Hindsight bias = verklaringen na het feiten afstemmen op datgene waarvan we weten
dat het is gebeurd.
Er duiken nog veel mythes op in recente handboeken, en zelfs nog zeer vaak in teksten van
wetenschappers.
Het is niet eenvoudig om onderwijs te veranderen, sommige mythes staan vernieuwingen in
de weg. Als je iets nieuws invoert, kun je een initieel succes boeken. Initieel succes is echter
niet genoeg.
3 redenen waarom iets initieel kan en zal slagen, maar waarbij de eigenlijke uitvoering en
toepassing een teleurstelling zou zijn:
1. Er is een groot verschil tussen een vernieuwend project en de toepassing van die
vernieuwing in het onderwijs.
Een succesvol project betekent niet noodzakelijk succes op het institutionele
niveau.
2. Het feit dat het onderzoek dat bewust dat een vernieuwing werkt, vaak behoorlijk
zwak kan zijn.
Bij het uitvoeren van een project gebeuren er vaak fouten.
- Er zijn geen uitgesproken en toetsbare doelen, wanneer is het succesvol?
Hoe wordt het gemeten?
- Er nemen geen willekeurige respondenten deel, maar een directeur of
vrijwilliger.
- Er is geen echte controlegroep waarmee de interventie vergeleken kan
worden.
3. Hawthorne-effect, het effect dat je krijgt als je iets nieuws leert.
, Tijdelijk positief effect; geconcentreerder, enthousiaster, nieuwsgierig of verrast.
Zodra de glans van het nieuwe is verdwenen, ga je snel terug naar de oude.
De cognitieve theorie van Piaget over hoe het denken van het kind zich ontwikkeld is
behoorlijk achterhaald, hoewel het nog steeds groot invloed heeft op het ontdekkend leren.
De indeling van de klas van Piaget heeft er degelijk een blijvend leereffect concreet leren
we het beste.
Het meeste van wat we onthouden, is concreet en gekoppeld aan de situatie. Dit is ook de
reden waarom het moeilijk is om zichten die je in de ene situatie hebt geleerd, toe te passen in
een nieuwe situatie.
Als je iemand iets wilt aanleren, begin je daarom het beste met concrete voorbeelden en bouw
je zo verder naar een meer abstract niveau.
Het Hawthorne-effect verwijst naar de Hawthornefabriek uit US. De onderzoeken bekeken de
effecten van beloning en werkomstandigheden op het functioneren van de werknemers.
Jarenlang werd uitgegaan dat de positieve effecten kwamen door het feit dat men een
experiment deed dan door een specifieke aanpak.
Jaren later bleek uit de heranalyse dat het Hawthorne-effect niet voorkwam bij die
onderzoeken, en dat er wel degelijk positieve effecten zijn vastgesteld.
Jongeren zijn digital natives, ze hebben bepaalde kennis, vaardigheden en attitudes
ontwikkeld waardoor de nieuwe toepassing voor hen perfect weggelegd.
Mensen zijn gewoontedieren. Veranderen lijkt vaak moeilijk, maar vaak zijn we gewoon lui.
Piramide van Maslow (1943) die de hiërarchie beschreef, alleen niet in de dergelijke vorm.
1. Zelfontplooiing = moraliteit, creativiteit, spontaniteit, probleemoplossing, gebrek aan
vooroordeel, aanvaarding van feiten.
2. Behoefte aan waardering en erkenning = zelfwaardering, vertrouwen, prestatie,
respect voor anderen, respect van anderen.
3. Behoefte aan sociale verbanden/verbindingen = vriendschap, familie, seksuele
intimiteit.
4. Behoefte aan veiligheid en zekerheid = lichamelijke zekerheid, werkzekerheid,
zekerheid van middelen, moraliteit, familie, gezondheid, bezit.
5. Lichamelijke behoeften = ademen, voedsel, water, seks, slaap, homeostase, excretie.
In 1962 verbaasde Maslow zich over het feit dat iedereen zijn hiërarchie kritiekloos had
overgenomen. Niemand had de theorie getest, geanalyseerd of bekritiseerd. We zijn te luit om
na te gaan of het wel echt klopt.
- In 2015, de piramide komt voor in 418 werken, maar in slechts 15 werd hij kritisch
besproken.
- 109 artikels bespraken de leerstijlen, waarvan 945 op een positieve manier werden
aangehaald.
Beide mythes (de behoeftepiramide en de leerstijlen) worden ook door wetenschappers verder
verspreid zonder er kritisch bij stil te staan of evidentie te controleren.
De theorie van Maslow klopt niet. Iemand met gezondheidsproblemen kan bijvoorbeeld
tegelijkertijd de behoefte voelen aan schoonheid en wijsheid.
,Waarom dan nog doorgeven? we houden ervan om dingen overzichtelijk van elkaar te
onderscheiden, zoals de piramide doet.
- Maslows dood in 1970 grondiger onderzoek
Mensen in hokjes stoppen, we zijn er allemaal tegen maar doet het tegelijk zo graag.
Het bekendste hokje waarin we mensen als onderzoekers plaatsen, is het geslacht.
- Effect hiervan niet al te positief, niet voor jongens en niet voor meisjes.
Margaret Brown publiceerde in 2012 een overzicht van onderzoeken naar de vraag wat beter
is; progressief of traditioneel onderwijs.
Het huidige paradigma in het Vlaamse en Nederlandse onderwijs is het sociaal
constructivisme.
Sociaal constructivisme = focust op de manier waarop mensen zelf kennis construeren
(constructivisme) in samenwerking met anderen (sociaal).
- Centraal staat dat we kinderen in een leeromgeving moeten plaatsen waarin ze zelf actief
kennis moeten verwerven.
- Samenwerken om tot een gedeeld waarheid te komen (groepswerk, probleemgestuurd
onderwijs, belang van authentieke opdrachten/situaties).
We gebruiken ‘filosofie’ i.p.v. ‘pedagogie’ om constructivisme te beschrijven;
constructivisme is een filosofie die zegt dat we onze realiteiten allemaal baseren op
voorgaande ervaring.
Behaviorisme = gebruik van straffen, negeren en belonen.
- Orde handhaven in de klas via gerichte beloningen.
Deze theorie wordt soms geassocieerd met indrillen (drill and practice).
Cognitivisme = niet alleen nadenken over wat mensen leren, maar ook over hoe zijn dat doen.
De cognitieve psychologie levert het onderwijs constant nieuwe bruikbare inzichten die ons
concreet kunnen vooruithelpen. Ook hier blijven we kritisch.
Mark Twain betreurde in zijn uitspraken over religie en politiek het gebrek aan objectieve
kennis; ‘In de religie en politiek nemen mensen hun geloof en overtuigingen bijna altijd
zonder verder onderzoek over van autoriteiten die zelf de vraag in kwestie niet hebben
bestudeerd, maar zelf ook hebben overgenomen.’
- Hetzelfde is het onderwijs en het onderwijsbeleid. Veel is gebaseerd op
geloof i.p.v. wetenschap.
Mythe = de uitspraak klopt helemaal niet of bijna helemaal niet, of er is geen bewijs voor.
Genuanceerd = er bestaat nog steeds discussie over het thema en de wetenschap geeft geen
uitsluitsel.
Onbewezen = wij, en we benadrukken wij, vonden bij het schrijven van dit boek geen
wetenschappelijk bewijs.
, Wie is wie in onderwijsonderzoek?
Overzicht van iedereen die zich op de ene of ander manier bezighoudt met onderwijs:
Onderwijskundigen = onderwijskunde is een wetenschap die leren, opleiden en ontwikkelen
in het onderwijs en bedrijfsleven wil beschrijven, begrijpen en verklaren.
Bijdrage aan de verbetering van het onderwijssysteem en aan opleidings- en leertrajecten.
Pedagogen = pedagogiek of opvoedkunde is de wetenschap/kunst van onderwijs. Beoefenaars
hiervan worden pedagogen genoemd.
Studie van de manier waarop volwassenen kinderen en jongeren met een bepaald doel
grootbrengen.
Onderwijspedagogiek = bestudeert de verschillende onderwijsmethoden, de doelen die
gesteld moeten worden en hoe deze bereikt kunnen worden.
Vergelijkende pedagogen = vergelijken de onderwijssystemen in verschillende landen of
regio’s. Dit wordt gedaan door organisaties zoals OESO of OECD.
Educatief ontwerpers = experts in het ontwikkelen en ontwerpen van leerervaringen.
‘Educatieve ervaringen die de verwerving van kennis en vaardigheden efficiënter,
effectiever en aantrekkelijker maken.’
Educatief technologen = experts die zich toespitsen op het analyseren, ontwerpen,
ontwikkelen, uitvoeren en evalueren van de processen en hulpmiddelen die leren kunnen
versterken.
(Vak)didactici = onderzoeken het lesgeven of de methodes om les te geven, vaak specifiek
voor een bepaald vakgebied.
Onderwijssociologen = richten zich op de studie van de structuren en de processen die
onderwijskansen van jongeren bepalen.
Ook economen hebben vaak een stem in de discussie, omdat onderwijs natuurlijk een
economische impact heeft.
Ethici en moraalwetenschappers = de ethiek probeer criteria vast te stellen om te kunnen
beoordelen of een handeling als goed of fout kan worden gekwalificeerd en om de motieven
en consequenties van die handeling te kunnen evalueren.
behoren tot de tak van de filosofie die zich bezighouden met de kritische bezinning over
het juiste handelen.
Cognitieve psychologen = psychologen die zich bezighoudt met het denken en leren. Ze
richten zich op de psychische processen die te maken hebben met zaken zoals begrip, kennis,
herinneringen en geheugen, probleemoplossend vermogen en informatieverwerking.
Onderwijswetenschappers = doen fundamenteel onderzoek naar hoe mensen leren, alleen en
samen, en naar hoe leren doeltreffend vereenvoudigd kan worden door diverse sociale en
organisatorische instellingen en nieuwe ontwerpen van de leeromgeving.